ECLI:NL:RBZWB:2022:7863
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstand en terugvordering wegens niet opgegeven vermogen en opgelegde maatregel
Eisers vroegen bijstand aan vanaf 3 maart 2020. Het college kende bijstand toe, maar ontdekte later dat eisers een bankrekening met een saldo van €23.201,42 niet hadden opgegeven. Dit leidde tot het intrekken van het recht op bijstand over die datum en het opleggen van een maatregel van 30% korting gedurende drie maanden. Tevens werd een terugvordering van €2.212,45 ingesteld.
Eisers voerden aan dat de overboekingen op 4 maart 2020 niet aan hen toebehoorden en dat de maatregel onterecht was. De rechtbank oordeelde dat het college terecht mocht aannemen dat het saldo tot het vermogen van eisers behoorde, omdat de rekening op hun naam stond en zij onvoldoende bewijs leverden. De intrekking van de bijstand was daarom gegrond.
De opgelegde maatregel werd eveneens bevestigd omdat eisers door de overboekingen eerder een beroep op bijstand deden dan nodig, wat een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont. De terugvordering werd gehandhaafd omdat geen dringende redenen waren om hiervan af te zien, en het beleid van het college in lijn is met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, waardoor de intrekking, maatregel en terugvordering in stand blijven. Eisers krijgen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van bijstand, de opgelegde maatregel en de terugvordering gehandhaafd blijven.