Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- voor de jaren 2014 tot en met 2017 de beroepen voor wat betreft de vergrijpboeten gegrond verklaren en de beroepen voor het overige ongegrond verklaren;
- de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2017 voor wat betreft de vergrijpboeten vernietigen; en
- de vergrijpboeten voor de jaren 2014 tot en met 2017 verminderen.
- de beroepen voor wat betreft de vergrijpboeten gegrond verklaren en de beroepen voor het overige ongegrond verklaren;
- de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboeten vernietigen; en
- de vergrijpboete 2015 verminderen en de vergrijpboeten 2016 en 2017 vernietigen.
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- RIEC-stukken;
- tripartite-stukken;
- onderdelen van het strafrechtelijke dossier; en
- stukken aangaande de afstemming van bestraffing.
- de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de inspecteur dat hij nooit de beschikking heeft gehad over stukken van het RIEC- en het tripartite-overleg;
- de inspecteur heeft de stukken aangaande de afstemming van bestraffing overgelegd als bijlagen 88a en 88b bij het verweerschrift dat hij heeft ingediend in de dividendbelastingzaken;
- de inspecteur heeft het volledige strafrechtelijke dossier – voor zover dat nog niet tot de dossiers behoorde – ingebracht bij zijn 10-dagen-stuk. De rechtbank acht dit in dit geval niet in strijd met de goede procesorde omdat belanghebbende en haar gemachtigde de betreffende stukken al kenden uit de strafzaak en de rechtbank ook de gelegenheid heeft gehad de stukken voorafgaand aan de zitting te bestuderen.
De rechtbank acht de juistheid van de door de inspecteur voor de uitdelingen gehanteerde bedragen voldoende aannemelijk gemaakt.