ECLI:NL:RVS:2016:605
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 8 januari 2014 een boete van € 12.000,00 op aan [appellant sub 2] wegens het laten verrichten van arbeid door Bulgaarse vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van [appellant sub 2] gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de boete voor vreemdeling 1 betrof.
De minister en [appellant sub 2] stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat Nederland tijdens de overgangsperiode van Bulgaarse toetreding tot de EU het recht had om de vergunningplicht te handhaven. De rechtbank had ten onrechte de boete voor vreemdeling 1 vernietigd omdat onvoldoende was onderzocht of vreemdeling 1 rechten ontleende aan de Richtlijn 2004/38/EG.
De Afdeling stelde vast dat de boete op basis van de gewijzigde beleidsregel moest worden verlaagd naar € 8.000,00. Het hoger beroep van de minister en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] werden gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank werd deels vernietigd en het boetebesluit herroepen en aangepast. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan [appellant sub 2].
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op € 8.000,00.