ECLI:NL:RVS:2018:3762
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete van 3.000 euro wegens niet verstrekken loonadministratie volgens Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Appellant kreeg een boete van €3.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), omdat hij niet tijdig loonadministratie over een werknemer had verstrekt. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Amsterdam werd de boete gehandhaafd. Appellant stelde in hoger beroep dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat de boete te laat was opgelegd en dat de boete te hoog was in verhouding tot het loon.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de wettelijke termijn van dertien weken voor het opleggen van een boete een termijn van orde is, waardoor overschrijding niet leidt tot verval van bevoegdheid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt daarom verworpen. De boete is vastgesteld volgens de beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wml, waarbij rekening is gehouden met de duur van de tewerkstelling en de natuurlijke persoon als werkgever.
Verder is geoordeeld dat appellant de gevraagde loonadministratie niet tijdig heeft verstrekt, ongeacht dat de werknemer was uitgezet en niet kon worden uitbetaald. De financiële situatie van appellant is onvoldoende inzichtelijk gemaakt om matiging van de boete te rechtvaardigen. De Afdeling bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank dat de boete evenredig is en het hoger beroep ongegrond is.
Uitkomst: De boete van €3.000,- wegens het niet tijdig verstrekken van loonadministratie wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.