Uitspraak
Datum uitspraak: 29 december 2021
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat verleenden op 12 november 2019 een vergunning aan Stichting Greenpeace Council voor expedities naar Antarctica. De vergunning omvatte drie reizen met onderzoek en monitoring van flora, fauna en milieu.
Appellant, woonachtig in Heerlen, stelde beroep in tegen deze vergunning met het argument dat Greenpeace een criminele organisatie is en de vergunning misbruikt voor activistische doeleinden. Verweerders stelden dat appellant geen belanghebbende was en het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen persoonlijk belang heeft bij het besluit, omdat de activiteiten in Antarctica geen directe gevolgen hebben voor zijn woon- en leefomgeving. Hoewel appellant gebruik maakte van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen, is dit onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd het relativiteitsvereiste toegepast, waardoor beroepsgronden die niet het persoonlijke belang raken, niet tot vernietiging kunnen leiden.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de vergunning voor Greenpeace-activiteiten in Antarctica wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een persoonlijk belang.