ECLI:NL:RVS:2022:2369
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, met de Somalische nationaliteit, vroeg om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag terecht had afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van nationaliteit en identiteit. Daarnaast was de rechtbank onjuist in haar overweging dat de kinderen van de vreemdeling niet gedwongen zouden worden de EU te verlaten, aangezien de Italiaanse verblijfstitel van de vreemdeling was verlopen, maar de subsidiaire bescherming niet was ingetrokken.
Verder stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakte van zijn bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro te verlenen. Ook had de staatssecretaris ten onrechte afgezien van het horen van de vreemdeling in bezwaar, terwijl dit op grond van de omstandigheden wel had moeten plaatsvinden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.