Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.1. de raad van de gemeente Nieuwkoop
2.Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,
3.Stichting Natuurbeschermingswacht, gevestigd te Meppel
4.het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
Het betoog slaagt niet.
– als onderdeel van het onderhoud van de vliegtuigen – ook elders had kunnen plaatsvinden en dat het jaarvolume aan vliegtuigbewegingen in de loop der tijd is toegenomen terwijl het proefdraaien juist is afgenomen.
Het betoog slaagt niet.
LTO-cyclus een overschatting geeft van emissies van de huidige vliegtuigen in de start en landing.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
8-15 mol/ha/jaar betrekking heeft op al het vliegverkeer boven 3.000 voet, waaronder ook overvliegend vliegverkeer en vliegverkeer in het buitenland waarvan de emissies in Nederland neerdalen. Dat is geen vliegverkeer dat aan Schiphol kan worden toegerekend
.Uit een door het RIVM gemaakt inschatting blijkt dat emissies binnen het Nederlandse luchtruim boven 3.000 voet door vliegverkeer van en naar Nederlandse luchthavens ongeveer 0,01% bijdragen aan de totale depositie op Nederlandse natuurgebieden. Dat is ongeveer 0,2 mol/ha/jaar. Anders dan MOB e.a. aannemen is daarmee volgens verweerder geen sprake van een aanzienlijk deel van de stikstofdepositie die aan het vliegverkeer van en naar Schiphol moet worden toegerekend.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
De rechtbank heeft vervolgens in overweging 64 geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder de emissies en deposities van de voorgenomen activiteit niet op de juiste wijze in kaart heeft gebracht.
In voorschrift 19 is verder vastgelegd dat de emissie ten gevolge van taxiën met deze maatregel niet meer mag bedragen dan 277 ton NOx per jaar. In de voorschriften bij de natuurvergunning is opgenomen dat RSG een monitoringsplan moet opstellen dat ziet op het taxiën met één motor uitgeschakeld. Dit monitoringsplan moet worden gedeeld met de toezichthouder. De rechtbank ziet geen reden waarom op basis van deze voorschriften niet handhavend kan worden opgetreden als uit de monitoring blijkt dat de NOx-emissie op jaarbasis meer bedraagt dan 277 ton. Voorschrift 19 bevat een verplichting om niet meer dan 277 ton NOx per jaar uit te stoten bij het taxiën waaraan RSG direct dient te voldoen en waarbij niet-naleving tot handhaving kan leiden. Dit betekent ook dat naar het oordeel van de rechtbank de effecten van het N-1 taxiën voldoende vaststaan en dat de positieve gevolgen hiervan zijn gerealiseerd voordat de gevolgen van de voorgenomen activiteit zich voordoen. Voor zover de raad van de gemeente Nieuwkoop en MOB e.a. betogen dat RSG afhankelijk is van de medewerking van de luchtvaartmaatschappijen en dat daardoor niet is gegarandeerd dat de maatregel van het N-1 taxiën daadwerkelijk wordt genomen, leidt dit niet tot een ander oordeel. Er geldt op grond van voorschrift 19 voor RSG een verplichting om de reductie van stikstofemissie te behalen, zodat geen sprake is van de situatie dat de effecten van de maatregel niet vast staan of er geen zekerheid is dat deze zich zullen voordoen. Als RSG de verplichte reductie niet behaalt, handelt zij in strijd met de voorschriften van de natuurvergunning en moet hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Voor passende maatregelen betekent dit – zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in de uitspraken van 18 december 2024 – dat een maatregel slechts als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als voldoende andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen om een dreigende verslechtering en verstoring met significante gevolgen voor soorten en habitattypen te voorkomen. Als verweerder ervoor kiest om intern salderen met de referentiesituaties als mitigerende maatregel in de passende beoordeling te betrekken, dan moet bij de verlening van de natuurvergunning worden gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de beoordelingsruimte die verweerder heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Dat kan verweerder doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. [56] De rechtbank overweegt dat verweerder deze motivering in het bestreden besluit niet heeft gegeven. In het bestreden besluit is bij het intern salderen met de referentiesituaties in het geheel niet getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Dat is ook verklaarbaar, omdat dit vereiste in de rechtspraak zoals die luidde toen het bestreden besluit werd genomen nog niet werd gesteld. Nu dit vereiste sinds de uitspraken van 18 december 2024 echter wel geldt en het toetsingskader uit die uitspraken direct van toepassing is, dient het ontbreken van een additionaliteitstoets ten aanzien van het intern salderen met de referentiesituaties te worden aangemerkt als een gebrek in het bestreden besluit. Het hiertegen gerichte betoog van MOB e.a. en de raad van de gemeente Nieuwkoop slaagt.
Salderen met de overige interne maatregelen88. Verweerder en RSG stellen zich op het standpunt dat de interne maatregelen N-1 taxiën en de elektrificatie van de grondoperatie moeten worden aangemerkt als standaardonderdelen, zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 15 juni 2023. [57] Deze maatregelen zijn niet in de natuurvergunning opgenomen ter beperking van de negatieve gevolgen van de voorgenomen activiteit, maar zijn als standaardonderdeel verplicht voor alle projecten van dezelfde soort. Dit betekent volgens RSG dat deze maatregelen daarom niet kwalificeren als mitigerende maatregelen waarbij moet worden getoetst aan het additionaliteitsvereiste.
In hoofdstuk 5 van het rapport is gekeken naar de historische ontwikkeling van stikstofemissies en landelijke depositie. Voor de historische ontwikkeling van de totale depositie is uitgegaan van de zogenoemde GDN-kaarten (kaarten met grootschalige depositie). De historische grootschalige depositie wordt berekend op basis van de emissies in Nederland zoals gerapporteerd door de Emissieregistratie en de emissies uit het buitenland. De resultaten worden gekalibreerd met metingen afkomstig van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML), Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en metingen uitgevoerd door de GGD en DCMR. In dit hoofdstuk staat dat tussen 1990 en 2022 de emissie van NH₃ is gedaald met 65% en die van NOx met 59%. De daling is vooral tussen 1990 en 2010 groot geweest, maar ook sinds 2015 daalt de emissie nog gestaag: NH₃ met 7% en NOx met 18% (ten opzichte van 2015).
In hoofdstuk 6 van het rapport is vervolgens een prognose gegeven van de ontwikkeling van stikstofemissies en de landelijke depositie. Voor de verwachte toekomstige ontwikkeling van de totale depositie is uitgegaan van de gegevens in AERIUS Monitor 2022. Het RIVM is bij de depositieberekeningen voor AERIUS Monitor 2022 uitgegaan van de emissieramingen van het PBL op basis van de Klimaat- en energieverkenning 2020 (KEV 2020). De KEV 2020 brengt de ontwikkelingen van de broeikasgasemissies en het energiesysteem in Nederland in kaart voor het verleden, heden en de toekomst op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid. In de depositieberekeningen voor AERIUS Monitor is uitgegaan van de emissieramingen voor het scenario met vastgesteld beleid. De prognosekaarten geven dus het beeld op basis van het beleid dat op 1 mei 2020 concreet was uitgewerkt en bindend was vastgelegd. Het vastgesteld beleid is meegenomen in de prognoses. Het voorgenomen beleid is niet in de prognoses verwerkt maar geeft wel inzicht in hetgeen in de toekomst te verwachten is. Op basis van het beleid wordt in de KEV 2020 een raming gemaakt van de emissies in de periode tot 2030. De realisatie en ramingen voor NOx en NH₃ zijn gegeven in Figuur 18 en Figuur 19 in het rapport. Deze ramingen zijn in tegenstelling tot de kaarten met totale depositie inclusief het voorgenomen beleid. In beide figuren is de prognose zowel uit de KEV 2020 als de KEV 2022 gegeven. Dit geeft inzicht in de bestendigheid van de prognoses. Voor NOx is te zien dat de daling in de realisatie is doorgezet en de prognose in de KEV 2022 is bevestigd. Voor NH₃ is in de KEV 2020 bij de realisatie nog vooral het effect van de afschaffing van de melkquota zichtbaar met een zeer beperkte afname in de raming (waarbij wel het reductiedoel wordt gehaald). In de KEV 2022 is in de realisatie over de laatste jaren weer een daling zichtbaar en is de raming tot 2030 ook naar beneden bijgesteld.
In hoofdstuk 7 van het rapport is gekeken naar de trend in de tien betrokken
Natura 2000-gebieden. De gegevens per gebied met betrekking tot de gemiddelde depositie zijn weergegeven in de hieronder opgenomen tabel 3. De evaluatie is gebaseerd op de gegevens van AERIUS Monitor 2022. In Appendix C is een vergelijking gegeven tussen Monitor 2022 en Monitor 2023.
Natura 2000-gebieden de depositie in de afgelopen decennia is gedaald en naar verwachting in de toekomst zal blijven dalen. De geprognosticeerde depositie is daarbij conservatief gebaseerd op vastgesteld beleid van mei 2020. Hiermee is een blijvende daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau van de Natura 2000-gebieden aannemelijk, aldus het rapport.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
MOB e.a. voeren verder aan dat uit de beheerplannen van de betrokken Natura 2000-gebieden weliswaar niet eenduidig volgt hoe groot de afname van stikstofdepositie moet zijn en binnen welke termijn deze moet zijn gerealiseerd, maar dat er talloze informatiebronnen en rapporten beschikbaar zijn waarmee een nadere ecologische duiding kan worden gegeven van de stikstofreductie die in de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. MOB e.a. wijzen in dit verband onder meer op de urgentielijst in het rapport “Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen: een overzicht” van 18 januari 2021 en de aanvulling daarop van 5 december 2022 van B-Ware, het advies van de Commissie Remkes van juli 2020 dat moet worden ingezet op een reductie van stikstofemissies van 50% vóór 2030 ten opzichte van 2019 en het breed gedragen uitgangspunt dat de stikstofdepositie zo snel mogelijk onder de KDW moet worden gebracht. Volgens MOB e.a. had op basis van deze informatie kunnen worden geconcludeerd dat de veronderstelde blijvende daling onvoldoende is om het behoud van de betrokken Natura 2000-gebieden te borgen en verslechtering te voorkomen. In 2030 blijft immers een belangrijk deel van het areaal van de stikstofgevoelige habitats overbelast, ook nadat de veronderstelde blijvende daling is gerealiseerd. Dat volgt volgens MOB e.a. ook uit de verschillende (concept) natuurdoelanalyses die voor de Natura 2000-gebieden zijn opgesteld en de adviezen van de Ecologische Autoriteit. Volgens MOB e.a. volgt hieruit dat verslechtering van de betrokken gebieden niet is uitgesloten, mede vanwege de aanhoudende stikstofdepositie.
MOB e.a. voeren ten slotte aan dat verweerder ook de wettelijke reductiedoelstellingen uit artikel 1.12a van de Wnb bij de additionaliteitstoets had moeten betrekken.
Het betoog slaagt.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Niet-broedvogels blijken bovendien minder gevoelig dan broedvogels. In de ecologische beoordeling die deel uitmaakt van de passende beoordeling wordt getoetst aan de 43 dB(A) contour waarbinnen alle relevante vogelsoorten vallen met een instandhoudingsdoelstelling, zowel broedvogels als niet-broedvogels.
Uit studies en andere bronnen blijkt dat tot een vlieghoogte van maximaal 3.000 voet verstorende effecten op vogels en andere dieren op kunnen optreden. Hierbij is naar verschillende vormen van vliegverkeer gekeken en daaruit is afgeleid dat hoe meer geluid wordt veroorzaakt, hoe dichter bij wordt gevlogen (lager vliegen) en/of hoe langer een vliegtuig in een gebied blijft, hoe groter de verstoring is. Helikopters (veel geluid, langzaam en vaak relatief laag) zorgen in deze voor de meeste verstoring. De grootte van de toestellen lijkt geen relatie met de gevonden effecten te hebben. Bij toetsing aan de natuurwetgeving in Nederland wordt er daarom van uitgegaan dat vliegtuigen boven de 3.000 voet boven Natura 2000-gebieden kunnen vliegen zonder dat er dan kansen zijn op significant negatieve effecten op dieren die in de Natura 2000-gebieden aanwezig zijn. Uit de onderzoeken is ook naar voren gekomen dat de verstoringsafstand door vliegtuigen in het horizontale vlak groter is dan in het verticale vlak en tot maximaal twee kilometer kan reiken. Daarom kunnen negatieve effecten alleen op voorhand worden uitgesloten als Natura 2000-gebieden op meer dan twee kilometer afstand van vliegpaden liggen. Voor vliegpaden die op minder dan twee kilometer naast Natura 2000-gebieden lopen, of er overheen gaan, moet dus nagegaan worden op welke hoogte gevlogen wordt en indien dit lager is dan 3000 voet, welke effecten dit kan hebben.
In deelrapport 3d “Ecologische beoordeling” bij de passende beoordeling staat verder dat vanaf Schiphol vertrekkende toestellen vrijwel altijd (ruim) boven de 3.000 voet vliegen als ze Natura 2000-gebieden kruisen en dat daarom geen optische en akoestische effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn van vertrekkende toestellen. Voor landende toestellen moet er rekening mee worden gehouden dat door een aanzienlijk deel van de vluchten overdag op een hoogte van ongeveer 2.000 voet wordt gevlogen. Landend verkeer kruist op verschillende hoogtes enkele Natura 2000-gebieden, een deel van die vluchten ligt onder de 3000 voet.
De toename van het aantal vliegtuigbewegingen in de voorgenomen activiteit ten opzichte van de referentiesituaties, in combinatie met een verschuiving in het baangebruik zorgt voor een toe- dan wel afname van vliegtuigbewegingen op de verschillende vliegroutes. Hierdoor zal op sommige routes boven (of binnen twee kilometer langs) Natura 2000-gebieden het aantal vliegtuigbewegingen tussen de 2.000 en 3.000 voet toenemen en op andere juist afnemen. Hierbij is alleen naar naderende vluchten gekeken, omdat vertrekkende vluchten vrijwel altijd al ruim boven de 3.000 voet vliegen als ze Natura 2000-gebieden naderen en daarom geen effecten zullen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.
Volgens deelrapport 3d “Ecologische beoordeling” bij de passende beoordeling geldt voor de Natura 2000-gebieden “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”, “Eilandspolder”, “Meijendel & Berkheide”, “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck”, “Noordhollands Duinreservaat”, “Polder Westzaan” en “Schoorlse Duinen”, dat sprake is van een toename van mogelijke optische verstoring. Voor deze Natura 2000-gebieden is een nadere toetsing uitgevoerd voor de instandhoudingsdoelen. De conclusie van die nadere toetsing is dat de veranderingen in optische verstoring als gevolg van de voorgenomen activiteit in vergelijking met de referentiesituaties, in geen enkel Natura 2000-gebied leiden tot effecten die het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen.
Volgens deelrapport 3d “Ecologische beoordeling” bij de passende beoordeling kan verder worden geconcludeerd dat voor de Natura 2000-gebieden “Noordhollands Duingebied”, “Wormer en Jisperveld & Kalverpolder” en “Eilandspolder” sprake is van een geluidstoename door de voorgenomen activiteit in relatie tot de referentiesituatie. Voor deze Natura 2000-gebieden is een nadere toetsing uitgevoerd voor de instandhoudingsdoelen. De conclusie van die nadere toetsing is dat de veranderingen in geluidbelasting als gevolg van de voorgenomen activiteit in vergelijking met de referentiesituatie, in geen enkel Natura 2000-gebied leiden tot effecten die het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen.
Het betoog slaagt.
GA-verkeer. In het rapport van NatuurInclusief staat verder dat ook de samenstelling van het GA-verkeer onduidelijk is. Met name is onduidelijk of hierin naast politiehelikopters ook ander helikopterverkeer zit.
GA-verkeer in de totale hoeveelheid geluid was in 2019 slechts 0,5%. De opslag van 2,5% is dus volgens verweerder een worst case-scenario. Verweerder stelt zich wat betreft de optische verstoring op het standpunt dat in de ecologische beoordeling inzichtelijk is gemaakt welk verkeerssegment voorkomt op minder dan 2.000 meter afstand horizontaal en minder dan 3000 voet verticaal van Natura 2000-gebieden. Hiermee is ook inzichtelijk gemaakt op welke hoogte het GA-verkeer voorkomt.
GA-verkeer in de passende beoordeling voor de berekening van de geluidbelasting niet inzichtelijk is gemaakt. Dit betekent echter niet dat de invloed van het geluid van het
GA-verkeer niet op correcte wijze is meegenomen bij de beoordeling van de effecten van geluidsverstoring op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft toegelicht dat deze effecten van geluidsverstoring van het GA-verkeer zijn meegenomen door te rekenen met een opslag van 2,5% op de geluidbelasting als gevolg van het handelsverkeer. Anders dan MOB e.a. betogen gaat dit niet om een opslag van 2,5% van het aantal vliegbewegingen van het handelsverkeer, maar om een opslag van het geluid dat het handelsverkeer produceert. Verweerder heeft toegelicht dat de geluidproductie van vliegtuigen die vallen onder het handelsverkeer groter is dan de geluidproductie van vliegtuigen die vallen onder het GA-verkeer voor de Oostbaan (waarvan het GA-verkeer met name gebruik maakt), waardoor een opslag van 2,5% in geluid voorziet in een grotere opslag dan 2,5% van het aantal vluchten. In dit verband verwijst verweerder naar paragraaf 3.4 van de “Milieueffectrapportage voor het nieuwe normen- en handhavingsstelsel Schiphol: Milieueffectrapportage 2020, deel 3, scenario’s” waarin staat dat de opslag van 2,5% is gebaseerd op het gerealiseerde GA-verkeer in 2019. Dit levert een conservatieve benadering op voor de bijdrage aan de totale geluidbelasting van het GA-verkeer, aangezien het aandeel van het GA-verkeer, exclusief helikopters, in 2019 in de totale hoeveelheid geluid slechts 0,5% was, aldus de Milieueffectrapportage. MOB e.a. hebben dit percentage van 0,5% van de totale hoeveelheid geluid niet betwist. De rechtbank overweegt dat verweerder zich daarom op het standpunt heeft mogen stellen dat een opslag van 2,5% een worst case- scenario is. Voor zover MOB e.a. betogen dat onduidelijk is of binnen deze 2,5% opslag ook het helikopterverkeer is betrokken, heeft verweerder onweersproken toegelicht dat deze opslag geldt voor al het GA-verkeer inclusief helikopters. Verweerder heeft verder toegelicht dat in de praktijk nauwelijks met helikopters wordt gevlogen, met uitzondering van hulpdiensten die niet aan de voorgenomen activiteit zijn toe te rekenen. De rechtbank ziet in hetgeen MOB e.a. hebben aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet anders dan MOB e.a. en de raad van de gemeente Nieuwkoop betogen, gelet hierop ook geen aanleiding voor het oordeel dat in natuurvergunning een maximaal aantal vliegtuigbewegingen voor GA-verkeer had moeten worden opgenomen.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt.
Vertrekkende vluchten
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.
Het betoog slaagt niet.