ECLI:NL:CRVB:2015:818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van giften en leningen bij bijstandsverlening volgens de WWB
Appellanten hebben bijstand aangevraagd en ontvingen in de periode voor het besluit enkele bedragen van derden op hun bankrekeningen. Het dagelijks bestuur bracht deze bedragen in mindering op de bijstand, stellende dat het giften betrof. Appellanten voerden aan dat het leningen waren die zij hadden terugbetaald en dat het beleid omtrent giften onredelijk was.
De Raad oordeelde dat kasstortingen en bankbijschrijvingen in beginsel als middelen in de zin van de WWB worden beschouwd. Geldleningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip en periodieke betalingen van derden worden als inkomen aangemerkt, ongeacht de vorm. Appellanten maakten niet aannemelijk dat de bedragen leningen waren, zodat deze als giften moesten worden beschouwd.
Het beleid van het dagelijks bestuur om giften die kunnen worden besteed aan de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud in mindering te brengen op de bijstand is volgens de Raad een redelijke uitleg van de wet. De gestorte bedragen stonden ter vrije besteding en konden worden ingezet voor de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gestorte bedragen als giften gelden en terecht in mindering zijn gebracht op de bijstand.