ECLI:NL:CRVB:2018:2004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet-melding inkomsten bij samenwoning
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en woonde op een adres te Rotterdam. Na een onderzoek naar zijn leef- en woonsituatie, waarbij kasstortingen en bijschrijvingen van een derde werden vastgesteld, concludeerde het college dat appellant samenwoonde met [B] en zijn bijstand per 1 november 2015 wilde beëindigen. Appellant en [B] ondertekenden verklaringen hierover.
Het college trok de bijstand in en herzag eerdere uitkeringen wegens niet-gemelde inkomsten. Tevens legde het college een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar matigde de boete.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de verklaringen van appellant rechtsgeldig zijn en dat zijn psychische klachten niet verhinderen dat hij de verklaringen kon afleggen. De kasstortingen en bijschrijvingen worden terecht als inkomen aangemerkt, en appellant heeft zijn meldingsplicht geschonden. De boete is proportioneel vastgesteld rekening houdend met de draagkracht van appellant. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de opgelegde boete worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.