Appellant werkte sinds 1999 als kok bij een pizzeria die eigendom was van zijn partner. In 2012 werd het dienstverband beëindigd en vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het Uwv concludeerde na onderzoek dat er geen gezagsverhouding bestond en trok de uitkering met terugwerkende kracht in, waarna het bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank bevestigde het standpunt van het Uwv, stellende dat appellant door zijn leningen aan de onderneming en zijn zelfstandige rol geen werknemer was. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij wel degelijk in een dienstbetrekking stond, met een schriftelijke arbeidsovereenkomst, salarisstroken en premies.
De Raad oordeelde dat het Uwv onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstbetrekking was. De leningen en zelfstandigheid van appellant sloten een gezagsverhouding niet uit. Ook de aanwezigheid en eindverantwoordelijkheid van de partner vormden aanwijzingen voor een gezagsrelatie. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten werden vernietigd en het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten.