ECLI:NL:CRVB:2019:4127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering Wajong-uitkering wegens exploitatie hennepkwekerij
Appellante ontving sinds 2006 een Wajong-uitkering en toeslag. In maart 2015 trof de politie een hennepkwekerij aan in haar woning, waarna het UWV een onderzoek instelde en aannam dat appellante met drie oogsten hennep een inkomen had van €11.813,20. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid op 0% en vorderde onverschuldigd betaalde uitkering terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij mede-eigenaar was van de kwekerij en inkomsten had genoten, wat appellante niet met verifieerbare gegevens kon weerleggen.
In hoger beroep voerde appellante aan niet op de hoogte te zijn geweest van de kwekerij en stelde zij dat er dringende redenen waren om niet terug te vorderen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante haar inlichtingenplicht schond en dat het UWV terecht de inkomsten schattenderwijs vaststelde op €5.906,60. De Raad oordeelde dat het ontbreken van concrete gegevens binnen de risicosfeer van appellante valt en dat de terugvordering terecht is.
De psychische problemen van appellante en haar financiële situatie vormden geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Ook de strafrechtelijke veroordeling van haar partner leidde niet tot wijziging van het besluit. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot herziening en terugvordering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.