ECLI:NL:CRVB:2023:571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor eigen bijdrage en griffierecht bevestigd
In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet, gericht op de kosten van eigen bijdragen en griffierecht. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees de aanvraag af omdat de kosten waren opgekomen vóór de datum van de aanvraag en er geen bijzondere omstandigheden waren voor terugwerkende kracht. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellant stelde in hoger beroep dat de kosten niet meer dan twee maanden voorafgaand aan de aanvraag waren opgekomen en dat zijn recht op toegang tot de rechter was geschonden door het beleid dat bijzondere bijstand slechts binnen twee maanden na kostenopkomst wordt toegekend. De Raad oordeelde dat de kosten van de eigen bijdrage op het moment van ontvangst van het besluit tot toevoeging door de rechtsbijstandverlener zijn opgekomen, en griffierecht op het moment van indiening van het beroepschrift, vaste rechtspraak die appellant niet weerlegde.
Verder stelde de Raad vast dat het buitenwettelijk begunstigend beleid van het college consistent was toegepast en dat het fundamentele recht op toegang tot de rechter niet was geschonden. De ondergrens van € 500,- in het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria beperkt niet de toegang tot de rechter, aangezien deze grens geldt voor gefinancierde rechtshulp en niet voor de toegang zelf. Bovendien had appellant zijn aanvragen kunnen spreiden om aan de voorwaarden te voldoen.
Het hoger beroep werd verworpen, de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor eigen bijdragen en griffierecht wordt bevestigd.