Betrokkene ontvangt bijstand en heeft in de periode oktober 2019 tot en met september 2020 gokactiviteiten verricht zonder dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college herzag de bijstand en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het college geen zorgvuldige en deugdelijke motivering gaf en de gehanteerde vuistregel onrechtmatig achtte.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en stelt dat het onmogelijk is voor betrokkene om een sluitende administratie van gokactiviteiten bij te houden. Daarom kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld op basis van een gokadministratie. De Raad formuleert een nieuwe vuistregel: de hoogte van de gokinkomsten wordt gelijkgesteld aan de bedragen die betrokkene heeft ingezet of gepind in de gokinstelling, tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor afwijkingen.
De Raad oordeelt dat het college het recht op bijstand schattenderwijs moet vaststellen en dat betrokkene met pinopnames aannemelijk kan maken welke bedragen zijn ontvangen. Het college moet het nieuwe besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitgangspunten. Het hoger beroep van het college wordt verworpen en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.