Appellante ontving bijstand van november 1996 tot september 2019. Na een melding over mogelijke inkomsten uit mantelzorg startte de gemeente Rotterdam een onderzoek, waarbij bleek dat appellante regelmatig geld opnam en gebruikte in gokinstellingen. Het college trok de bijstand in over de periode januari 2018 tot juli 2019, behalve enkele maanden, en vorderde terugbetaling van €18.491,86 wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad stelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het recht op bijstand, omdat het mogelijk is om met pinopnames de omvang van gokinkomsten aannemelijk te maken. Hoewel het bijhouden van een gedetailleerde administratie van gokactiviteiten vrijwel onmogelijk is, rechtvaardigen uitkeringspercentages van casinospelen een vooronderstelling dat de inkomsten gelijk zijn aan de ingelegde bedragen.
De Raad bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen waarin het recht op bijstand over de maanden in geding wordt vastgesteld op basis van de opgenomen en bestede bedragen in de gokinstellingen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.