ECLI:NL:CRVB:2026:756

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/740 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 13 Wet WIAArt. 15 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering UWV tot verhoging WIA-dagloon na nabetaling ex-werkgever

Betrokkene werkte als interieurverzorgster en kreeg een WIA-uitkering gebaseerd op een vastgesteld dagloon. Na een nabetaling van haar ex-werkgever verzocht zij het UWV om verhoging van het dagloon, wat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het besluit onredelijk bezwarend was en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel.

De Raad stelde vast dat het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen bepaalt dat alleen loon dat in de referteperiode vorderbaar en inbaar is, mag worden meegenomen bij de dagloonberekening. Betrokkene had nagelaten haar werkgever tijdig te manen tot betaling, waardoor de nabetaling niet in het dagloon mag worden betrokken. De Raad oordeelde dat dit geen onredelijke of discriminerende toepassing van het recht is.

Het beroep op artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM werd verworpen omdat het verschil in behandeling een legitiem doel dient en niet disproportioneel is. De Raad concludeerde dat het UWV terecht het dagloon niet heeft aangepast en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het dagloon niet wordt verhoogd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/740 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2025, 24/2617 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd het eerder vastgestelde WIAdagloon te verhogen, ondanks het feit dat ex-werkgeefster van betrokkene haar een nabetaling heeft gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol van het EVRM in samenhang met artikel 14 van Pro het EVRM. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank niet en is verder van oordeel dat het bestreden besluit voor betrokkene geen onevenredig nadelige gevolgen heeft.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. K. Aslan een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Voor het Uwv is drs. H. ten Brinke verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft vanaf 16 oktober 2017 gewerkt als interieurverzorgster voor 38 uur per week bij [naam ex-werkgeefster] (ex-werkgeefster). Op 4 oktober 2020 heeft zij zich ziekgemeld.
1.2.
Met het besluit van 11 augustus 2022 heeft het Uwv aan betrokkene vanaf 5 oktober 2022 een IVAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De IVA-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 92,34 (na indexatie). Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2022 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
1.3.
Op 20 juni 2023 hebben betrokkene en ex-werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van ex-werkgeefster eindigt op 1 juli 2023 en dat ex-werkgeefster een nabetaling van bruto € 19.500,- zal voldoen inzake loon, vakantiedagen, wettelijke verhoging en wettelijke rente, doorbetaling van gemiddelde overuren tijdens ziekte en pensioenschade.
1.4.
Bij brief van 20 juni 2023 heeft betrokkene – onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst – het Uwv verzocht om het dagloon van haar WIA-uitkering aan te passen. Het Uwv heeft het verzoek bij besluit van 18 september 2023 afgewezen.
1.5.
Met de beslissing op bezwaar van 3 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2023 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er geen wijziging van salarisgegevens in de polisadministratie heeft plaatsgevonden. Verder is niet gebleken dat het loon in de referteperiode van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020 vorderbaar en niet inbaar was. Het Uwv is daarom niet gehouden de nabetaling van € 19.500,- bij de berekening van het dagloon te betrekken.
Uitspraak van de rechtbank [1]
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de referteperiode voor de berekening van het dagloon loopt van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2020. De rechtbank is verder van oordeel dat betrokkene voldoende heeft onderbouwd dat de nabetaling van € 19.500,- mede betrekking heeft op de referteperiode. Tussen partijen is immers niet in geschil, althans door het Uwv is niet betwist, dat dit bedrag is uitgekeerd omdat betrokkene tijdens haar dienstverband structureel te weinig uren is ingezet en uitbetaald. Het deel van die nabetaling dat betrekking heeft op de referteperiode is vorderbaar loon. Het loon is immers verschuldigd over een loontijdvak en na afloop van dat tijdvak is het loon direct opeisbaar zonder ingebrekestelling. [2] Dit laat evenwel onverlet dat nergens uit is gebleken dat betrokkene ook al in de referteperiode op niet mis te verstane wijze ex-werkgeefster heeft gemaand het vorderbare loon aan haar uit te keren. Nu daarvan niet is gebleken, sluit artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), althans de uitleg die de Raad geeft aan het begrip ‘inbaar’, in beginsel uit dat de nabetaling (voor zover betrekking hebbend op de referteperiode) wordt betrokken bij de berekening van het dagloon. Aldus staat een strikte toepassing van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit in de weg aan de herberekening van het dagloon van betrokkene.
2.2.
De rechtbank heeft de vraag of deze toepassing van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit, mede gelet op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) in combinatie met artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onevenredig nadelige gevolgen voor betrokkene heeft, bevestigend beantwoord. De rechtbank volgt het Uwv niet in diens standpunt dat toepassing van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit niet onder de reikwijdte van artikel 1 van Pro het EP valt. Naar het oordeel van de rechtbank valt het verschil in behandeling dat in artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit wordt gemaakt tussen personen die niet op niet mis te verstane wijze de werkgever in de referteperiode hebben gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren ten opzichte van personen die dit wel hebben gedaan, aan te merken als verschil in behandeling van gelijkwaardige gevallen op basis van een – identificeerbare – status.
2.3.
Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt volgens de rechtbank dat dit onderscheid alleen dan is toegegaan, als dit een legitiem doel dient en er een redelijke verhouding tussen de gebruikte middelen en het nagestreefde doel bestaat (evenredigheid). [3] De rechtbank is van oordeel dat de doelstelling van het Dagloonbesluit – het op een eenvoudige wijze kunnen berekenen van het dagloon – op zichzelf legitiem is, nu die er onder andere toe kan dienen de uitvoeringskosten van het verzekeringssysteem beheersbaar te houden. De rechtbank is echter van oordeel dat het onderscheid in het concrete geval van betrokkene een onevenredig nadeel met zich brengt. Aangezien door ex-werkgeefster bij de vaststellingsovereenkomst is erkend, en tussen betrokkene en het Uwv ook niet in geschil is, dat betrokkene een werkelijke urenomvang van 38 uren had, kan op basis van deze gegevens het werkelijke salaris van betrokkene in de referteperiode eenvoudig worden geschat. Daarom doet een correctie van het dagloon in het concrete geval van betrokkene geen (grote) afbreuk aan de doelstelling van het Dagloonbesluit, terwijl het niet corrigeren van het dagloon voor betrokkene aanzienlijke financiële gevolgen kan hebben. Om die reden is een onverkorte toepassing van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit in het concrete geval jegens betrokkene onevenredig belastend. Het Uwv had die bepaling in het concrete geval van betrokkene dan ook buiten toepassing moeten laten en moeten overgaan tot een correctie van haar dagloon.
2.4.
De rechtbank heeft verder overwogen dat ook als wordt aangesloten bij de uitspraak van de Grote Kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 [4] zij tot dezelfde conclusie komt, omdat uiteindelijk (‘onder de streep’) sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het bepaalde in artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat alle gegevens voorhanden zijn die een herberekening van het SV-loon in de referteperiode mogelijk maken, waarbij de financiële gevolgen voor betrokkene groot zijn, terwijl de uitvoeringskosten gelet op de voorhanden zijnde gegevens relatief beperkt blijven.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens het Uwv kan het verschil tussen het vastgestelde dagloon en het dagloon gebaseerd op een urenomvang van 38 uur per week niet worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het EP. Nu betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit had betrokkene niet een gerechtvaardigde verwachting dat het dagloon zou worden verhoogd. Er is dan ook geen sprake van (ontneming van) eigendom als bedoeld in artikel 1 van Pro het EP.
3.1.
Ook een beroep op artikel 14 van Pro het EVRM kan niet slagen. Het verschil in behandeling tussen de groep die tijdig, dat wil zeggen in de referteperiode, de werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het vorderbare loon te betalen en de andere groep die dit niet heeft gedaan, is volgens het Uwv niet aan te merken als ‘andere status’ in de zin van artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Het Uwv heeft erkend dat ‘status’ door het EHRM ruim wordt uitgelegd en niet alleen aangeboren of aan de persoon inherente eigenschappen betreft, maar is van mening dat het verschil in behandeling in deze zaak, te weten het wel of niet meenemen van het niet-uitbetaalde maar wel vorderbare loon, uitsluitend het gevolg is van (het nalaten van) een handeling van betrokkene. Het niet op niet mis te verstane wijze de werkgever manen het vorderbare loon te betalen kan dan ook niet gezien worden als een ‘andere status’ in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Volgens het Uwv is geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat op grond van rechtspraak van de Raad een nabetaling buiten de referteperiode buiten beschouwing moet worden gelaten. [5] Verder heeft het Uwv benadrukt dat de nabetaling van ex-werkgeefster slechts voor een klein deel (€ 1.457,26) ziet op de referteperiode. Als dit bedrag zou worden betrokken bij de vaststelling van het dagloon, zou dit uitkomen op een bedrag van € 98,18 in plaats van € 92,34. Van bijzondere omstandigheden is volgens het Uwv geen sprake.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Betrokkene heeft benadrukt dat het Uwv in het hoger beroepschrift niet ingaat op het nationale evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft een groter bedrag van de nabetaling betrekking op de referteperiode. Ook de bedragen van € 6.081,43 en € 1.010,06 vallen deels binnen de referteperiode, zodat het Uwv ook deze bedragen mee zou moeten nemen bij de herberekening van het dagloon. Betrokkene heeft erop gewezen dat ook een verschil van € 95,33 bruto per maand een niet te bagatelliseren bedrag betreft.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten van 11 augustus 2022 en 11 november 2022 heeft vernietigd en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het juridisch kader
5.1.
Artikel 14 van Pro het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling: “Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”
5.2.
Toepassing van het Dagloonbesluit valt in een situatie als hier aan de orde onder de reikwijdte van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM. [6] Daarom kan getoetst worden aan het (accessoire) discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM. [7] Ook kan worden getoetst aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt.
5.3.
De Raad stelt voorop dat het (vermeende) onderscheid dat hier centraal staat geen onderscheid is op grond van een inherent verdacht criterium, zoals bijvoorbeeld onderscheid op grond van geslacht of ras. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid komt aan verdragspartijen bij het EVRM in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. De door de regelgever gemaakte afwegingen en keuzes worden in beginsel gerespecteerd, tenzij deze ‘manifestly without reasonable foundation’ zijn (van redelijke grond ontbloot). [8] In het kader van die toets geldt dat beoordeeld wordt of het middel redelijk en geschikt is om het legitieme doel te bereiken, en dat niet wordt bezien of de regeling de beste oplossing was voor het probleem, dan wel of de beoordelingsvrijheid op een andere manier moet worden toegepast. [9]
Is sprake van een verboden onderscheid?
5.4.
Betrokkene doet een beroep op de “open norm” van artikel 14 van Pro het EVRM. Gerede twijfel kan rijzen over de vraag of in dit geval sprake is van een onderscheid op grond van de in artikel 14 van Pro het EVRM dan wel artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM genoemde grond “andere status”. Het gaat hier immers niet om een hoedanigheid van betrokkene maar slechts om het feit dat zij op een bepaald moment een bepaalde (rechts)handeling (al dan niet) heeft verricht. Voor zover echter wel sprake is van een onderscheid op grond van “andere status”, leidt dit naar het oordeel van de Raad niet tot een verboden onderscheid.
5.5.
In artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit is in de keuze van de besluitgever neergelegd dat voor de vaststelling van het dagloon de werknemer wordt geacht loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Met deze hoofdregel wordt beoogd om het dagloon te kunnen vaststellen aan de hand van al bij het Uwv beschikbare loongegevens, wat bijdraagt aan de verlaging van administratieve lasten van werkgevers en de uitvoeringskosten voor het Uwv. [10] Uit de toelichting bij het inmiddels vervallen artikel 2 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, een met artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit vergelijkbare bepaling, blijkt dat in de regel de uitkomst van de hoofdregel, te weten dat voor de vaststelling van het dagloon de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan, voor de dagloonberekening een goede maatstaf vormt voor het als gevolg van het ingetreden sociale risico gederfde loon.
5.6.
Voor een aantal specifieke gevallen, waarin de hoofdregel tot onwenselijke resultaten kan leiden, bevat het Dagloonbesluit bijzondere bepalingen. Bij het treffen van deze bepalingen is getracht deze zo eenvoudig mogelijk te houden en de behandeling van gelijksoortige situaties waar mogelijk op dezelfde wijze toe te passen. [11] Artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit, dat ziet op de situatie dat wel recht bestaat op loon in het refertejaar, maar dat loon (nog) niet inbaar was, is dus een uitzondering op deze hoofdregel. Uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat deze bepaling onder meer is bedoeld voor de situatie waarbij de werkgever niet meer aanwezig is. Daarom wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Loon waar de werknemer wel recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, heeft dan geen negatieve invloed op het dagloon van de werknemer. [12]
5.7.
Deze keuze van de besluitgever is bezien vanuit de verzekeringsgedachte (equivalentiebeginsel) logisch. De hoofdregel is dat men is verzekerd voor het loon waarover premie is betaald, in beginsel wordt de uitkering op dit bedrag gebaseerd. De keuze om daarbij uit te gaan van het loon in de aangiftetijdvakken waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan, dient ter vereenvoudiging van de uitvoering van de dagloonvaststelling. Voorkomen moet echter worden dat de werknemer wordt geconfronteerd met een lager dagloon, louter omdat zijn (voormalig) werkgever zijn loonaanspraken in de referteperiode niet heeft voldaan. Om dat te kunnen vaststellen is dan een redelijke eis dat de werknemer – in de referteperiode – zijn werkgever maant tot het betalen van het loon waarop hij recht heeft.
5.8.
Niet gezegd kan dus worden dat deze regeling van redelijke grond is ontbloot. Het beroep op artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM slaagt niet.
Rechtstreekse toets van het besluit aan het evenredigheidsbeginsel
5.9.
Met het bestreden besluit heeft Uwv toepassing gegeven aan artikel 15, tweede lid van het Dagloonbesluit. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat zij niet voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonloonbesluit. Zij is echter van mening dat de toepassing van deze bepaling in haar geval onevenredig uitpakt.
5.10.
Het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. De Raad is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.11.
Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is, is gebaseerd op de omstandigheid dat alle gegevens voorhanden zijn die een herberekening van het SV-loon in de referteperiode mogelijk maken, waarbij de financiële gevolgen voor betrokkene groot zijn, terwijl de uitvoeringskosten gelet op de voorhanden zijnde gegevens relatief beperkt blijven. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor betrokkene onredelijk bezwarend is.
5.12.
Uit artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit volgt dat bij de vaststelling van het dagloon pas rekening kan worden gehouden met (achteraf gehonoreerde) civielrechtelijke aanspraken, als een betrokkene de werkgever tijdig heeft gemaand het verschuldigde loon te betalen. Laat de betrokkene dit na, dan behoort het Uwv met die aanspraken geen rekening te houden. Niet ter discussie staat dat betrokkene heeft nagelaten haar ex-werkgeefster in de referteperiode te manen het loon te betalen. Deze situatie heeft de besluitgever bij het opstellen van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit voorzien en daaraan het gevolg verbonden dat het loon niet wordt meegeteld bij de vaststelling van het dagloon. Namens betrokkene zijn geen (bijzondere) omstandigheden aangevoerd om dat wel te doen. Het enkele feit dat het dagloon van betrokkene lager is dan als rekening wordt gehouden met de nabetaling door de werkgever, is niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te merken.
5.13.
Uit 5 tot en met 5.12 volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv het verzoek om het dagloon aan te passen niet had mogen afwijzen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de door de rechtbank onbesproken gelaten gronden van het beroep moet beoordelen. Betrokkene heeft echter ter zitting bevestigd dat er geen gronden zijn die de rechtbank onbesproken heeft gelaten.

Conclusie en gevolgen

5.14.
Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft besloten het WIAdagloon niet te wijzigen.
6. Omdat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt, krijgt betrokkene geen vergoeding voor haar proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: de voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 14 van Pro het EVRM
Verbod van discriminatie
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM
Algemeen verbod van discriminatie
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.
Artikel 13 van Pro de Wet WIA
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
Artikel 15 Dagloonbesluit Pro werknemersverzekeringen (zoals dat geld sinds 01-01-2022)
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Onder loon als bedoeld in artikel 14 wordt Pro mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
Artikel 16 Dagloonbesluit Pro werknemersverzekeringen
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel 11 maart 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:1337.
2.Vgl. Gerechtshof Leeuwarden 9 oktober 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9673, r.o. 5.
3.Vgl. EHRM 7 februari 2013, 16574/08 (Fabris vs. Frankrijk), r.o. 56 en EHRM 19 december 2018, 20452/14 (Molla Sali vs. Griekenland), r.o. 135.
4.CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
5.Het Uwv heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:567.
6.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3072 en de uitspraak van de Raad van 1 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:236.
7.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1353 en de uitspraak van de Raad 9 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1756.
8.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 7 juli 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003745202 (Stummer vs. Oostenrijk), r.o. 87-89.
9.EHRM 26 januari 2022, ECLI:CE:ECHR:2021:1026JUD003293419 (Šaltinytė vs. Litouwen
10.Stb. 2005, 546, p. 15-16.
11.Stb. 2005, 546, p. 18.
12.Stb. 2013, 185, p. 26 en p. 36.