Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
FutD2014-0875,
NTFR2014/1358. [1]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
(…)
In de door belastingplichtige ondertekende met de hand geschreven verklaring wordt gesteld dat het bedrag van € 145.000 [door belanghebbende] zelf uit Afganistan is meegenomen in augustus 2006. De geldverstrekker zou zijn gevestigd in […], Pakistan.
Over de looptijd, rente en aflossingsschema is niets vastgelegd. Zekerheden zijn niet gesteld. Bovendien is er geen schriftelijk contract aanwezig. (…)
(…)
In mijn brief van 19 november 2010, gericht aan de adviseur, vraag ik (…) relevante stukken op (…).
Het belastbare inkomen na verrekening van dit verlies bedraagt € 27.651.
Omdat bij de vaststelling van de aanslag ten onrechte een lager belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld heb ik besloten een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premies volksverzekeringen 2007 op te leggen.”
(1) heeft belanghebbende voldaan aan zijn administratieplicht en aan zijn bewaarplicht;
(2) is de wettelijke omkering van de bewijslast van toepassing;
(3) heeft belanghebbende voor de jaren 2006 en 2007 een te laag bedrag aan winst uit
onderneming aangegeven, en
afwijken van de voor dat jaar gedane aangifte.
Praktisch gesproken komt het erop neer dat de inspecteur nadere verplichtingen kan opleggen voor de te voeren en te bewaren administratie. Als een administratieplichtige het niet eens is met een dergelijke verplichting, kan hij een verzoek doen om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt vanwege het nakomen van een ten onrechte opgelegde verplichting.”
3.Het geding in cassatie
4.Wetteksten, wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur
Wettekst
Stb.1996, 655). Ingevolge artikel XIX, lid 1, van laatstvermelde wet is artikel 31 van Pro de Wet in werking getreden op 1 januari 1997. Niet is voorzien in overgangsrecht. Mitsdien heeft artikel 31 van Pro de Wet onmiddellijke werking.
BNB2002/255) heeft de Hoge Raad omtrent de wijziging van artikel 29, lid 2, AWR (oud) en het daarbij behorende overgangsrecht overwogen: [28]
BNB2012/293) heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn arrest van 10 februari 1988 overwogen: [30]
BNB1988/160
BNB1988/
160).
BNB2014/206) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het karakter van de informatiebeschikking in relatie tot het nemo tenetur beginsel, overwegende: [31]
52a, lid 1, AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, lid 3artikel 25, lid 3, AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.
5.Beschouwing en beoordeling van de middelen
met betrekking toteen op te leggen aanslag (…) of een te nemen beschikking’. Dit veronderstelt een direct verband tussen de constatering van de schending en de op te leggen aanslag respectievelijk de te nemen beschikking. Hetzelfde geldt voor het derde lid van artikel 52a AWR, waarin is bepaald dat de informatiebeschikking vervalt op het moment dat de inspecteur een aanslag vaststelt of beschikking neemt ‘voordat de
met betrekking tot diebelastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.’ [92]