Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
f353.745,32.
Gerechtshof Amsterdam
De erfgenamen van de overleden rekeninghouder bij de Kredietbank Luxembourg stelden hoger beroep in tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1990 tot en met 2004. De inspecteur had de aanslagen gebaseerd op microfiches met gegevens van buitenlandse bankrekeningen, verkregen van Belgische autoriteiten.
De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. Het hof bevestigt deze uitspraken. Het hof oordeelt dat de inspecteur voldoende bewijs heeft geleverd dat de erflaatster houder was van de buitenlandse rekening en dat de aanslagen terecht zijn vastgesteld. De grieven over onrechtmatige verkrijging van bewijs en omkering van de bewijslast zijn ingetrokken.
Verder is geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de bezwaren, mede omdat de erfgenamen hadden ingestemd met aanhouding van de bezwaarschriften in afwachting van andere procedures. De verzoeken tot vergoeding van immateriële schade worden daarom afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; belastingaanslagen bevestigd en verzoek immateriële schadevergoeding afgewezen.