ECLI:NL:GHDHA:2026:328

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/360
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 7:9 AwbArt. 7:4 lid 2 AwbArt. 8:113 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en hoger beroep wegens onvoldoende onderbouwing lagere waarde

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een hoekwoning in Westland voor het jaar 2022 vast op €315.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege een lagere kwaliteit en ligging van de woning. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schade af.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden, dat er een schending was van het hoorrecht op grond van artikel 7:9 Awb Pro, en dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende gegevens had verstrekt om de vastgestelde waarde te onderbouwen en dat de aanvullende referentieverkopen in de uitspraak op bezwaar slechts ter bevestiging van het standpunt dienden, zodat geen schending van het hoorrecht was.

De bewijslastverdeling werd toegepast conform jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de heffingsambtenaar aannemelijk maakte dat rekening was gehouden met de door belanghebbende aangevoerde waardedruk. De waarde van €315.000 werd als niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €315.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/360

Uitspraak van 25 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 februari 2024, nummer SGR 22/7541.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 315.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Westland (de aanslag), alsmede aanslagen in de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar daartegen afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft op 8 juli 2024 een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift. Belanghebbende heeft op 22 november 2024 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 februari 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende is met bericht van verhindering, welk bericht is binnengekomen op de ochtend van de zitting, niet verschenen en heeft niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De woning is een hoekwoning uit het jaar 1967 met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 88 m2, een aanbouw van ongeveer 27 m2 en een grondoppervlakte van ongeveer 142 m2. De woning beschikt over een aanbouw en een vrijstaande berging/schuur.
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de volgende stukken aan belanghebbende verstrekt:
• een taxatieverslag, met daarop:
– de objectkenmerken van de woning;
– de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen.
• een matrix, met daarop:
– de objectkenmerken van de woning;
– de objectkenmerken, de koopprijzen en koopdata van de referentiewoningen.
– de waardeopbouw van de vier woningen.
– de gehanteerde prijzen per m2 van de vier woningen.
– de gehanteerde grondstaffels van de vier woningen.
• een overzicht met baten en lasten rioolheffing en afvalstoffenheffing 2022;
• een onderbouwing van indexeringspercentage woningen belastingjaar 2022;
• nadere informatie over kostendekkendheid rioolheffing en afvalstoffenheffing 2022.
2.3.
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatieverslag overgelegd, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is bepaald op € 315.000. Tevens heeft de Heffingsambtenaar in beroep een matrix (de matrix) ingediend waarin de verkooptransacties van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen zijn opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten).
2.4.
Belanghebbende heeft een taxatierapport ingediend, waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is bepaald op € 302.000. In het taxatierapport zijn drie naar de opvatting van belanghebbende met de woning vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 3] , [adres 5] en [adres 6] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten van belanghebbende).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld,
“2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met gedateerde voorzieningen en de specifieke ligging van de woning. In de matrix heeft de heffingsambtenaar een alternatieve berekening gemaakt met een vermindering in de waardering van het voorzieningenniveau en de ligging. Uit deze alternatieve berekening blijkt niet dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar verklaard dat een eventuele correctie in verband met de aanwezigheid van asbestplaten op de schuur er ook niet toe leidt dat de WOZ-waarde te hoog is. Er geldt voor deze asbestplaten namelijk geen saneringsplicht zodat een dergelijke correctie beperkt is.
4. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende stelt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten tot een lagere waarde van de woning leiden omdat de heffingsambtenaar uitgaat van een te hoge waardering van de KOUDV-factoren. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet reeds omdat hij deze enkele stelling niet heeft onderbouwd. Tot de gedingstukken behoren bovendien foto’s van de vergelijkingsobjecten waaruit de rechtbank afleidt dat de heffingsambtenaar terecht uitgaat van een gemiddelde waardering. Verder volgt de rechtbank belanghebbende niet in zijn stelling dat het object [adres 7] moet worden betrokken in de vergelijking. Dit object is minder goed vergelijkbaar met de woning dan de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten vanwege het grotere verschil in bouwjaar.
5. Belanghebbende heeft (al dan niet voor het eerst ter zitting) gesteld dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden omdat de heffingsambtenaar de grondstaffel en de waarde van alle objectonderdelen niet heeft verstrekt, geen analyse van de indexering heeft verstrekt en ook niet het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren. Deze beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de informatie die hij in de bezwaarfase aan belanghebbende heeft verstrekt, waaronder de grondstaffel en een onderbouwing van de indexering, aan de toezendplicht voldaan. Het moeten toezenden van een (verdergaande) analyse van de indexering vindt geen steun in het recht. Wat betreft het bedrag per afwijkende factor voor de KOUDV-factoren en de waarde van de objectonderdelen merkt de rechtbank op dat waarderen geen exacte wetenschap is en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet gaat over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld of om het vaststellen van de juiste bedragen van verschillen in KOUDV-factoren of objectonderdelen, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1]
6. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar doet aan ‘doelredeneren’ faalt eveneens. Het staat de heffingsambtenaar vrij om in de beroepsfase andere vergelijkingsobjecten te gebruiken of om van andere KOUDV-factoren uit te gaan dan in de bezwaarfase.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
8. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar minder dan twee jaar vóór de uitspraakdatum van de rechtbank ontvangen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af.
(…)
[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden, of in bezwaar op grond van artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nadere hoorzitting had moeten plaatsvinden, of de WOZ-waarde in de beschikking te hoog is vastgesteld en of de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 302.000 en – naar het Hof begrijpt – tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en vraagt hij het Hof te bepalen dat de betaling rechtstreeks aan gemachtigde dient plaats te vinden.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het geschil

Volmacht
5.1.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de door de gemachtigde overgelegde volmacht van belanghebbende niet voldoet aan de vereisten. Het Hof heeft de recent overgelegde machtiging beoordeeld en komt tot de slotsom dat de machtiging voldoende is voor procesvertegenwoordiging.
Toezendverplichting (art. 40, lid 2, Wet WOZ)
5.2.
Belanghebbende betoogt dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende toezendverplichting. Ondanks een daartoe strekkend en voldoende gespecificeerd verzoek heeft hij de indexering van de verkoopcijfers van de referentiepanden, de waardering van de bijgebouwen en de grondstaffels niet inzichtelijk gemaakt. Verder heeft hij een aantal van de referentiepanden pas voor het eerst genoemd in de uitspraak op bezwaar. Dit moet resulteren in toekenning van een proceskostenvergoeding, klaagt belanghebbende.
5.3.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat voldoende gegevens verstrekt zijn om de gemachtigde in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vastgestelde waarde, zodat is voldaan aan de toezendverplichting. In de uitspraak op bezwaar zijn geen vervangende, maar aanvullende referentieverkopen vermeld.
5.4.
De klacht over de toezendplicht faalt. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052). In aanvulling op hetgeen de Rechtbank heeft overwogen over de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is het Hof van oordeel dat het verzoek van belanghebbende tot het verstrekken van gegevens die niet reeds in het taxatieverslag of de matrix waren opgenomen, dermate onspecifiek was dat de Heffingsambtenaar niet gehouden was naar aanleiding daarvan enige stukken te overleggen.
5.5.
De klacht van belanghebbende dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden omdat sommige referentiepanden voor het eerst zijn vermeld in de uitspraak op bezwaar faalt aangezien gesteld noch gebleken is dat de gegevens van deze objecten ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de woning.
Motiveringsklachten
5.6.
Voor zover belanghebbende grieven gericht heeft tegen de motivering van de uitspraak van de Rechtbank, falen die reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op bezwaar niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit slechts ten gevolge heeft dat het Hof, zo het een zodanige uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (vgl. HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668, r.o. 3.2). Het Hof dient in een zodanig geval dus in overeenstemming met artikel 8:113, lid 1, Awb de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen met verbetering van de gronden.
Nadere hoorzitting (art. 7:9 Awb Pro)
5.7.
Belanghebbende wijst erop dat in de uitspraak op bezwaar vergelijkingsobjecten worden gebruikt die niet eerder aan de orde zijn geweest. De hoorzitting had toen al plaatsgehad, zodat er geen mogelijkheid meer was om daarover debat te voeren en een beroepsprocedure noodzakelijk werd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:9 Awb Pro levert dit volgens belanghebbende een schending van het hoorrecht op.
5.8.
In de uitspraak op bezwaar zijn volgens de Heffingsambtenaar geen vervangende, maar aanvullende referentieverkopen vermeld. Van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 Awb Pro is volgens hem geen sprake.
5.9.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit op grond van artikel 7:9 Awb Pro aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling kan worden opgemaakt dat deze bepaling bedoeld is voor situaties waarin naar aanleiding van het hoorgesprek nader onderzoek wordt gedaan en daaruit feiten of omstandigheden bekend worden die voor de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure van aanmerkelijk belang kunnen zijn (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 152). Zodanige feiten of omstandigheden kunnen bijvoorbeeld niet bekend worden naar aanleiding van een rapport dat slechts een bevestiging vormt van een van meet af aan door het bestuursorgaan ingenomen standpunt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2821).
5.10.
Vast staat dat de Heffingsambtenaar in het onderhavige geval reeds voor het hoorgesprek een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten heeft verstrekt aan de belanghebbende. Vervolgens heeft de belanghebbende een woningwaarderapport overgelegd met daarin nieuwe vergelijkingsobjecten. Naar aanleiding van laatstgenoemd rapport en het hoorgesprek, heeft de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar (additionele) referentieverkopen opgenomen die deels overeengekomen met de objecten uit het woningwaarderapport. Het ligt in een dergelijk geval naar het oordeel van het Hof niet in de rede om belanghebbende voor de uitspraak op bezwaar nogmaals in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De additionele referentiepanden die de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar noemt, dienen slechts ter bevestiging van het reeds door hem ingenomen standpunt. Van een schending van artikel 7:9 Awb Pro is daarom geen sprake, nog daargelaten dat belanghebbende aan zijn klacht daarover geen rechtsgevolg heeft verbonden.
WOZ-waarde
5.11.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de WOZ-waarde te hoog is. Belanghebbende klaagt in hoger beroep dat de objectkenmerken ‘kwaliteit’ en ‘ligging’ van de woning neerwaarts moeten worden aangepast. Ook klaagt belanghebbende dat de Heffingsambtenaar de onderbouwing van de waarde van de woning gedurende de procedure heeft aangepast en dat dat de door belanghebbende gebruikte verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten [adres 2] en [adres 3] niet bruikbaar zijn, omdat de verkoopdata van deze objecten te ver van de waardepeildatum zijn gelegen.
5.12.
Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde heeft de Heffingsambtenaar verwezen naar een matrix waarin behalve de gegevens van de woning ook die van drie vergelijkingsobjecten zijn opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten).
5.13.
De waarde van de bovenwoning wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de bovenwoning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de bovenwoning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.14.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 geoordeeld dat bij de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2). Slechts indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, r.o. 3.2; het Oostflakkee-arrest). Indien de belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waarde van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3). Deze bewijsrechtelijke uitgangspunten gelden ook voor de procedure in hoger beroep (HR 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:619, r.o. 4.2.2 en 4.3).
5.15.
De Heffingsambtenaar heeft met de matrix, hetgeen hij daaraan ten grondslag heeft gelegd en zijn toelichting daarop voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover belanghebbende moet worden gevolgd in zijn betoog dat aan de ondergemiddelde kwaliteit en slechte ligging van de woning een waardedruk van in totaal € 13.910 moet worden toegekend, dan leidt dit nog niet tot aanpassing van de vastgestelde waarde, aangezien de waarde van de woning in de matrix is bepaald op € 315.000. De Heffingsambtenaar heeft met de in zijn matrix opgenomen alternatieve berekening en de ter zitting daarop gegeven toelichting, aannemelijk gemaakt dat zelfs als de objectkenmerken kwaliteit en ligging neerwaarts worden aangepast, de gecorrigeerde waarde van de woning boven de beschikte waarde uitkomt. Dus zelfs indien rekening wordt gehouden met een afslag van € 13.910, leidt dat niet tot de conclusie dat de beschikte waarde van € 315.000 te hoog is. Gesteld noch gebleken is dat de objectkenmerken kwaliteit en ligging door de Heffingsambtenaar onjuist zijn gewaardeerd. Ten aanzien van belanghebbendes klacht dat de Heffingsambtenaar gedurende de bezwaarfase de onderbouwing van de waarde heeft aangepast heeft te gelden dat het de Heffingsambtenaar vrij staat om in iedere fase van de procedure de vastgestelde waarde met andere gegevens te onderbouwen, mits dit niet leidt tot een inbreuk op de goede procesorde (vgl. HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786). Van een dergelijke inbreuk is geen sprake. De Heffingsambtenaar heeft in zijn bij uitspraak op bezwaar ingediende matrix terecht gerekend met de datum van de koopovereenkomst, nu de koopprijs de waarde weergeeft op het tijdstip waarop de koopovereenkomst is gesloten (vgl. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:113). Ook indien belanghebbende wordt gevolgd in zijn stelling dat de aankoopdatum van [adres 2] te ver is gelegen van de waardepeildatum, onderbouwen de verkoopcijfers van de resterende twee vergelijkingsobjecten nog steeds de beschikte waarde van € 315.000.
5.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de waarde van de woning bij de beschikking niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Slotsom
5.17.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, P.J.J. Vonk en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout P.C. van den Brink

De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.