ECLI:NL:GHSHE:2025:1613

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
11 juni 2025
Zaaknummer
23/991 tot en met 23/996
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met betrekking tot witwassen en handel in verdovende middelen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2009, 2011 en 2012 heeft bevestigd. De inspecteur van de belastingdienst had deze aanslagen opgelegd op basis van een informatiebeschikking die onherroepelijk was geworden. Belanghebbende had geen vereiste aangifte gedaan en de inspecteur had overtuigend aangetoond dat er sprake was van opzet. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek waren aanzienlijke contante bedragen en bankafschriften van een Marokkaanse bank aangetroffen, wat leidde tot de conclusie dat belanghebbende inkomsten had genoten die niet waren aangegeven. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht de bewijslast heeft omgekeerd en dat de opgelegde boeten, hoewel verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerechtvaardigd zijn. Het hof heeft de boeten voor de jaren 2009, 2011 en 2012 verminderd, maar de navorderingsaanslagen zijn in stand gebleven. Belanghebbende heeft ook recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/991 tot en met 23/996
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en het incidentele hoger beroep van
de inspecteur van de belastingdienst
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 mei 2023, nummers BRE 21/4214 tot en met 21/4219, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2009 opgelegd. Verder heeft hij de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2011 en 2012 opgelegd. Tevens heeft hij bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking boeten opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft niet gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft sinds 14 april 2009 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, [eenmanszaak] [woonplaats] . In 2012 is een strafrechtelijk onderzoek naar hem verricht. Hierbij heeft een doorzoeking van het bedrijfspand van belanghebbende plaatsgevonden waarbij onder andere verdovende middelen en contante geldbedragen zijn gevonden.
2.2.
Tijdens een doorzoeking op 18 september 2012 op het woonadres van belanghebbende en zijn zus zijn bankafschriften aangetroffen van een bankrekening in Marokko bij de [bank] bank ten name van belanghebbende. In 2011 wordt (omgerekend) een bedrag van € 227.632 op de bankrekening gestort. Voor 2012 betreffen de stortingen een bedrag van (omgerekend) € 27.267.
2.3.
De politie heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende een kasopstelling gemaakt. In het rapport van 4 februari 2013 wordt geconcludeerd dat belanghebbende en zijn partner over de periode van l januari 2008 tot en met 18 september 2012 een bedrag van tussen € 303.061 en € 358.516 aan contante uitgaven hebben gedaan waar geen legale herkomst aan ten grondslag lag.
2.4.
In het proces-verbaal nummer [nummer 1] van 19 februari 2013 heeft een medewerker van de politie met betrekking tot een op naam van belanghebbende staande boot het volgende opgemerkt:
“Proces-verbaal project [project] : boot [belanghebbende]
(…)
Tijdens de doorzoeking aan het [adres 1] te [woonplaats] op donderdag 15 december 2011 werden diverse bescheiden aangetroffen met betrekking tot een motorboot. (…) Uit deze bescheiden kan gesteld worden dat [belanghebbende] vanaf 9 juli 2009 een snelle motorboot voorzien van het Nederlandse registratiekenteken [kenteken 1] op naam heeft gesteld. Deze snelle motorboot is kennelijk al op 17 juli 2009 door hem uitgevoerd naar Marokko waarbij [belanghebbende] bij het afsluiten van de verzekering op 23 juli 2009 het adres: [adres 2] , [plaats 5] (Marokko) opgaf. De boot had op 19 juli 2010 kennelijk een waarde van € 18.126 volgens de Marokkaanse autoriteiten.
(…)
Proces-verbaal van bevindingen motorboot [belanghebbende]
(…)
Op 15 december 2011 heeft de Politie Midden en West Brabant te Breda een doorzoeking gedaan bij [bedrijf] (…). Hierbij werd het volgende gevonden:
(…)
3. Een invoerverklaring Douane Marokko d.d. 19 juli 2010, op naam van [belanghebbende] , betreffende een boot merk [merk 1] , type [type] . De kosten van invoerbedragen 62.061 Dirham, omgerekend is het ongeveer 6.200 euro.”
2.5.
In het proces-verbaal nummer [nummer 2] van 19 februari 2013 is het volgende opgenomen:

Zaak [nummer 3] : Onderzoek inkomsten, contante stortingen en contante opnamen
(…)
Daarnaast bestaat het vermoeden dat bij [eenmanszaak] [woonplaats] geen danwel nauwelijks werkzaamheden plaatsvonden in het kader van de onderhoud en reparatie van voertuigen. Uit onderzoek van de administratie van [eenmanszaak] [woonplaats] blijkt namelijk dat:
- in de administratie(s) werden geen verkoopfacturen aangetroffen;
- in de administratie(s) werden enkele inkoopfacturen aangetroffen;
- de aangegeven omzetten in het kasboek betreffen ronde bedragen, eindigend op 0 of 5 hele euro's;
- er is geen omzet aangegeven met betrekking tot de verkoop van (tweedehands auto's);
- [eenmanszaak] [woonplaats] maakt geen gebruik van een bankrekening;
- facturen van [eenmanszaak] [woonplaats] die per bank betaald dienden te worden, werden door [bedrijf] (boekhouder van [eenmanszaak] [woonplaats] ) per bank betaald. De facturen werden vervolgens contant betaald aan [bedrijf] ;
- de inkoopfacturen zijn handmatig doorlopend genummerd, maar niet alle nummers zijn aanwezig.
Tevens werd tijdens de doorzoeking d.d. 18 september 2012:
- nagenoeg geen administratieve bescheiden aangetroffen over de periode van 15 december 2011 tot en met 18 september 2012;
- geen agenda aangetroffen, waarin de afspraken met klanten werden vastgelegd;
- geconstateerd dat er nagenoeg geen voorraad materiaal aanwezig was;
- geen gereedschap aangetroffen;
- in de garage zodanig veel auto's gestald dat reparatie nauwelijks mogelijk was;
- stond de brug naar beneden met daarop een auto waarvan de deuren en de motorkap dicht waren.
(…)
Zaak [nummer 4] : Onderzoek onroerend goed Nederland en levensonderhoud
(…)
Er zijn geen betalingen verricht inzake de huur van dit pand via de bankrekeningen van [naam 1] en [belanghebbende] . Uit onderzoek naar de opgevraagde bankafschriften bleek dat er minimale uitgaven hebben plaatsgevonden in het kader van noodzakelijk levensonderhoud. Buiten de vaste lasten zoals huur zijn dit reserveringsuitgaven zoals kleding en huishuishoudelijke uitgaven voor oa voeding.
(…)
Zaak [nummer 5] : Marokko
In zaaksproces-verbaal [nummer 5] werd onderzoek gedaan naar het vermogen van [belanghebbende] in Marokko, voor zover dit mogelijk was. Aangezien het feit dat het rechtshulpverzoek in Marokko nog loopt, zullen de bevindingen afkomstig uit dit rechtshulpverzoek aangeleverd worden zodra dit onderzoek afgerond is.
Uit het onderzoek is het vermoeden gerezen dat verdachten [belanghebbende] en/of [broer] en/of [vader] (vader van [belanghebbende] en [broer] ) in het bezit zouden zijn van een of meerdere woningen en of grond in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] (Marokko).
Ten aanzien van [belanghebbende] is uit verschillende opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken met name gebleken dat er in de zomer van 2012 gesprekken zijn gevoerd tussen [belanghebbende] en [vader] waaruit blijkt dat [vader] een coördinerende rol speelt in de afbouw van een huis van [belanghebbende] in Marokko (vermoedelijk in [plaats 3] ). Over de aankoop van deze woning door [naam 2] verklaringen afgelegd. Het zou volgens hem een ruwbouwwoning betreffen die in juli 2011 is aangekocht voor een bedrag van omgerekend € 370.000. Dit bedrag zou enerzijds betaald zijn door [belanghebbende] en anderzijds door [broer] . Het huis zou op naam gezet zijn van [vader] .
(…)
Daarnaast is uit recent onderzoek gebleken dat [broer] en/of [belanghebbende] eind augustus 2012 betrokken zijn bij de onderhandelingen over de koop van een stuk grond ter grootte van 500 m2 in Marokko. (…)
Uit verdere tapgesprekken en tactisch onderzoek blijkt dat nadat [vader] zijn zoons [belanghebbende] en [broer] hierover heeft gesproken. [broer] is naar Marokko afgereisd om het stuk grond te bekijken en verdere onderhandelingen met betrekking tot de koop te doen. [broer] geeft uiteindelijk telefonisch vanuit Marokko de opdracht aan [belanghebbende] op 30 augustus 2012 om een bedrag van € 45.000,= te geven aan genoemde [naam 2] .
[naam 2] komt vanuit Marokko naar Nederland naar [belanghebbende] waarna hij het geld (45.000 euro) van [belanghebbende] heeft ontvangen. Dit geldbedrag werd door de politie op 31 augustus 2012 in de auto aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit was de eerste helft van de betaling van de grond. De totale overeengekomen prijs voor de grond was 90.000 euro en het restbedrag zou bij terugkomst van [naam 2] in Marokko betaald worden. (…)
Ook zouden zowel [belanghebbende] als [broer] diverse voertuigen in Marokko hebben rijden, waar ook familieleden gebruik van maken.
(…)
Zaak [nummer 6] : onderzoek bezit contant geld
Uit het zaaksproces-verbaal is gebleken dat [belanghebbende] vanaf 2009 tot heden een aantal malen in het bezit is geweest van (grotere) contante geldbedragen in kleinere coupures, namelijk:
  • Op 27 april 2009 bleek [belanghebbende] € 4.910,- (1 x € 500,-, 61 x € 50,-, 67 x € 20,-, 1 x € 10,- en 2 x € 5,-) op zak te hebben. [belanghebbende] verklaarde hierover twee weken eerder € 5.000,- gepind te hebben. Uit de opgevraagde bankafschriften bleek op 7 april 2009 € 5.000,- gepind te zijn, echter is het niet mogelijk bij dit filiaal een biljet van € 500,- te pinnen;
  • Op 15 december 2011 bleek [belanghebbende] € 15.035,- contant in zijn bezit te hebben, waarvan € 10.800,- in zijn binnenzak, € 3.380,- uit een witte enveloppe in een bruin lederen schoudertas en € 855,- uit een portemonnee in diezelfde schoudertas. [belanghebbende] verklaarde dat dit geld afkomstig was van een reparatie van een auto. Uit onderzoek is gebleken dat dit niet klopt.
  • Op 18 september 2012 bleek [belanghebbende] in het bezit te zijn van € 3.488,95, waarvan 4 biljetten van € 50,- toebehoorden aan justitie en derhalve terug zijn gegaan naar justitie. Dit bedrag droeg hij bij zich. De bedragen € 6.235,- en € 3.340,- lagen los van elkaar in de kluis van [zaak] , waarvan de sleutel in de fouillering van [belanghebbende] zat, waardoor het vermoeden bestaat dat dit geld hem toebehoorde. In het pand [adres 3] te [woonplaats] werd een bedrag aangetroffen wat door het NFI vastgesteld is op € 41.400,-.
Het bezit van deze geldbedragen komt niet overeen met eventuele dagomzet van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] (de dagomzet was tussen de 100 en 500 euro). Er is geen legale economische verklaring voor het bezit van dit geld.
Opgemerkt wordt dat er een aantal witwastypologieën is omschreven in de jurisprudentie (zie proces-verbaal van relaas van het witwasdossier) die van toepassing zijn op het bezit van deze contante geldbedragen bij [belanghebbende] . Dit mede gezien het feit dat is vastgesteld dat [belanghebbende] zich bezig houdt met de handel in verdovende middelen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat:
- de handel in verdovende middelen omzetten genereert in diverse valuta en dat de straathandel omzetten genereert in kleinere coupures;
- het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijke veiligheidsrisico met zit mee door het niet gebruiken van het normale gangbare financiële verkeer (afstorten bij de bank);
- het hebben van antecedenten voor Opiumwetgeving en het voeren van gesprekken met gebruikmaking van versluierd taalgebruik zijn aparte aanwijzingen voor witwassen en ook van toepassing op [belanghebbende] .
(...)
Cluster 06: witwassen € 45.000,-
Uit zaakproces-verbaal [nummer 7] (zie cluster 03 van het witwasdossier van [broer] ) is gebleken dat [belanghebbende] een aandeel gehad heeft in het witwassen van € 45.000,-. In dit zaaksproces-verbaal is de actie verwoord van 31 augustus 2012. Uit dit proces-verbaal is gebleken dat [broer] en [belanghebbende] met tussenkomst van hun vader [vader] een stuk grond in Marokko hebben aangekocht van [naam 2] .
De prijs voor de grond bedroeg € 90.000,-, waarvan de helft contant in Nederland voldaan werd en de andere helft later in Marokko voldaan zou worden.
Op 31 augustus 2012 is [naam 2] vanuit Marokko naar [plaats 4] (België) gevlogen om daar opgehaald te worden en gebracht te worden naar [adres 1] te [woonplaats] . Daar ontving hij € 45.000,- van [belanghebbende] . [belanghebbende] haalde het geld uit zijn schoudertasje. Het geld bestond uit 90 biljetten van 500 euro. Het geld werd verpakt in wit papier en dicht geplakt met plakband. Dit pakketje werd verstopt in de auto door [belanghebbende] , welke [naam 2] voor 2 tot 3 weken zou lenen van [belanghebbende] . Deze auto betrof een [merk 2] voorzien van kenteken [kenteken 2] . De papieren en tijdelijke kentekenplaten waren geregeld door [belanghebbende] .
Op de A58 ter hoogte van Shell-benzinestation genaamd [shell] is de auto in beslag genomen en meegenomen voor onderzoek door de KLPD. Tijdens het onderzoek werd het geld ontdekt en eveneens in beslag genomen.
Uit onderzoek is niet gebleken hoe [belanghebbende] aan dit geldbedrag kwam. Hij heeft hierover ook niets verklaard. Ook [broer] heeft niets verklaard omtrent zijn onderhandelingen met betrekking tot de aankoop van het stuk grond en zijn aanwezigheid daaromtrent in Marokko.
Het vermoeden bestaat dat het geldbedrag van € 45.000,- afkomstig is van enig misdrijf en dat [belanghebbende] en [broer] met gebruikmaking van [vader] getracht hebben om dit geldbedrag een legate status te geven door de aankoop van een stuk grond in [plaats 5] , Marokko.
Het vermoeden is eveneens dat de [merk 2] feitelijk eigendom is van [belanghebbende] en dat er tijdelijke Duitse kentekenplaten zijn geregeld voor [naam 2] zodat deze 2 weken in Duitsland kon rijden met deze auto.”
2.6.
Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, op respectievelijk 12 oktober 2010, 27 juli 2012 en 20 juli 2013 een aangifte IB/PVV ingediend voor de jaren 2009, 2011 en 2012.
2.7.
Op 2 september 2013 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek aangekondigd voor de aangiften IB/PVV en omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. Tijdens dit boekenonderzoek heeft de inspecteur op 1 oktober 2013 vragen gesteld over het inkomen en vermogen van belanghebbende. Op 21 oktober 2013 heeft de inspecteur een rappel verzonden.
2.8.
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft daarop bij brief van 3 december 2013 namens belanghebbende gereageerd.
2.9.
Op 4 september 2014 heeft de inspecteur aangegeven dat niet alle vragen zijn beantwoord en heeft hij nogmaals verzocht om de gevraagde informatie te verstrekken.
2.10.
Via een e-mailbericht van 29 september 2014 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende namens belanghebbende een aantal vragen beantwoord.
2.11.
Op 21 oktober 2014 heeft de inspecteur nogmaals verzocht om informatie te verstrekken. Hierop heeft belanghebbende niet gereageerd. Vervolgens heeft de inspecteur op 20 november 2014 op grond van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven.
2.12.
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft tegen deze informatiebeschikking bezwaar en vervolgens beroep ingesteld.
2.13.
De strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft belanghebbende op 10 november 2017 veroordeeld wegens de handel in softdrugs en witwassen.
2.14.
De rechtbank heeft in de procedure met betrekking tot de informatiebeschikking op 17 oktober 2019 uitspraak gedaan. Belanghebbende heeft de gelegenheid gekregen om binnen acht weken na de uitspraak nadere informatie aan de inspecteur te verstrekken met betrekking tot de volgende vragen:
Vraag 1: van welke familieleden zijn de bedragen geleend en welke bedragen betreft het;
Vraag 2: overleggen van alle privé bankafschriften;
Vraag 5: overleggen van alle bankafschriften van de buitenlandse betaal- en/of spaarrekening; toelichting van deze afschriften;
Vraag 9: overleggen van een overzicht van kosten van levensonderhoud van belastingplichtige en zijn gezin;
Vraag 10: gegevens met betrekking tot de aankoop van de boot;
Vraag 12: welke bedragen zijn er geleend en van welke familieleden.
2.15.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak met betrekking tot de informatiebeschikking nadere stukken aan de inspecteur verzonden.
2.16.
Op 20 januari 2020 heeft de inspecteur het rapport dat werd opgemaakt naar aanleiding van de boekenonderzoek aan belanghebbende toegezonden. In de aanbiedingsbrief vermeldt de inspecteur:
“Voor wat betreft de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het voornemen om een boete op te leggen alsmede voor de gronden op basis waarvan de schuldgradatie is vastgesteld, verwijzen wij u naar het desbetreffende onderdeel van het rapport”
Op 23 januari 2020 heeft de inspecteur het aangepaste controlerapport aan belanghebbende toegezonden en vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV over de jaren 2009 tot en met 2012 aangekondigd. Vervolgens heeft de inspecteur een mededeling boete op de voet van artikel 67g AWR gestuurd. Deze mededeling is gedagtekend 7 februari 2019. In de mededeling is het volgende opgenomen:

Kennisgeving boete art. 5.48 AWB(…)
Op 23 januari 2020 hebben wij u het controlerapport met kennisgeving boete toegezonden. U bent in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen te reageren op de aangekondigde correcties met boete.”
2.17.
De inspecteur heeft de volgende (navorderings-) aanslagen met boete- en rentebeschikkingen opgelegd:
Jaar
dagtekening
Belastbaar inkomen
Bijdrage inkomen
Belasting/heffingsrente
boete
IB/PVV 2009
17-04-2020
€ 35.252
€ 3.561
€ 4.892
Zvw 2009
17-04-2020
€ 30.345
€ 529
IB/PVV 2011
28-04-2020
€ 239.675
€ 35.945
€ 56.946
Zwv 2011
28-04-2020
€ 33.427
€ 412
IB/PVV 2012
15-05-2020
€ 92.900
€ 10.174
€ 18.698
Zvw 2012
15-05-2020
€ 50.064
€ 680
2.18.
De inspecteur heeft bij het opleggen van de (navorderings-)aanslagen de aangiften als volgt gecorrigeerd:
Jaar
Aangegeven belastbaar inkomen
Correctie bij definitieve aanslag
Correctie n.a.v. boekenonderzoek
Vastgesteld belastbaar inkomen
2009
- € 874
€ 5.781 looninkomsten
€ 30.345
€ 35.252
2011
€ 10.266
€ 229.409
€ 239.675
2012
- € 617
€ 93.517
€ 92.900
2.19.
De inspecteur is bij het opleggen van de (navorderings-)aanslagen uitgegaan van de correcties zoals deze blijken uit onderstaande vermogensvergelijking.
vermogensvergelijking
2007
2008
2009
2010
2011
2012
TEV per 1/1
€ 3.581
€ 4.941
€ 26.057
€ 51.237
€ 74.550
€ 45.329
WEV per 1/1
€ 4.248
€ 11.266
€ 29.885
€ 53.681
€ 46.030
€ 19.972
Bruto privé
- € 667
- € 6.325
-€ 3.828
- € 2.444
€ 28.520
€ 25.357
Benoemingen
-€ 10.160
€ 14.517
- € 565
€ 245.929
€ 106.874
Onbenoemd privé
- € 667
€ 3.835
-€ 18.345
- € 1.879
- € 217.409
- € 81.517
Stel benodigd voor onbenoemd privé
€ 12.000
€ 12.000
€ 12.000
€ 12.000
€ 12.000
Correctie ROW obv vermogensvergelijking
€ 8.165
€ 30.345
€ 13.879
€ 229.409
€ 93.517
2.20.
De rechtbank heeft de beroepen ten aanzien van de (navorderings-) aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2009, 2011 en 2012 ongegrond verklaard en de beroepen ten aanzien van de boetebeschikkingen gegrond. De rechtbank heeft de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% tot de volgende bedragen verminderd:
2009 € 3.913
2011 € 45.556
2012 € 14.958
Verder heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.511 aan proceskosten.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Zijn de aanslagen terecht met omkering en verzwaring van de bewijslast opgelegd?
- Zijn de aanslagen naar een te hoog bedrag opgelegd?
- Moet bij het opleggen van de boeten rekening worden gehouden met de omkering verzwaring van de bewijslast?
- Heeft de rechtbank de boeten terecht met 20% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn?
- Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de (navorderings-)aanslagen en boetebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de boetebeschikkingen.

4.Gronden

Vooraf
4.0.
Voor zover belanghebbende aanbiedt om door middel van getuigen bewijs te leveren van zijn stelling dat anderen van de bankrekening op zijn naam in Marokko gebruik hebben gemaakt en aanbiedt dat “een oom” van hem kan verklaren over stortingen op de rekening en leningen die door familieleden zijn verstrekt, geldt het volgende. Belanghebbende heeft deze niet bij naam genoemde getuigen niet uiterlijk tien dagen voor de zitting aangekondigd en heeft evenmin deze getuigen meegebracht. Het hof gaat daarom aan dit niet nader gespecificeerde bewijsaanbod voorbij. [1]
Ten aanzien van het geschil
Omkering en verzwaring van de bewijslast.
4.1.
Belanghebbende stelt dat de informatie voor het beantwoorden van de vragen in de informatiebeschikking inmiddels niet meer beschikbaar is en dat hij overigens de vragen in de informatiebeschikking heeft beantwoord. Verder is belanghebbende van mening dat de omkering en verzwaring disproportioneel is. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij het subsidiaire standpunt van de inspecteur dat hij over de jaren 2009, 2011 en 2012 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, niet bestrijdt.
4.2.
De inspecteur voert aan dat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden en dat de vragen daarin niet duidelijk en stellig zijn beantwoord. Daarmee staat vast dat belanghebbende niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, aldus de inspecteur. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende in de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan omdat uit de vermogensvergelijking volgt dat de ingediende aangiften naar een relatief en absoluut te laag bedrag zijn gedaan en dat belanghebbende zich daarvan bewust was.
4.3.
De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard wanneer de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan of wanneer een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR onherroepelijk is geworden. In dit geval staat vast dat de inspecteur een informatiebeschikking heeft genomen die na de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 oktober 2019 onherroepelijk is geworden. Bij een informatiebeschikking geldt verder dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het feit dat een of meer vragen in die beschikking niet of onjuist zijn beantwoord, niet geldt voor die geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn. [2] In dit geval heeft de inspecteur zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard voor de hele belastingaanslag. [3] Het hof zal daarom eerst beoordelen of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan.
4.4.
De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast. [4] Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd. [5] De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. [6]
4.5.
De inspecteur heeft voor de jaren 2009, 2011 en 2012 erop gewezen dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en Zvw. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -€ 874 over 2009, € 10.266 over 2010 en - € 617 over 2012. Uit de vermogensvergelijking die de inspecteur heeft opgesteld volgt een negatief privé van € 18.345 over 2009, € 217.409 over 2010 en € 81.517 over 2012. Het inkomen van belanghebbende is niet toereikend om zijn vermogenstoename en de geconstateerde uitgaven te verklaren. De inspecteur stelt daarom dat belanghebbende een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad, en dat hij een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag niet in zijn aangifte heeft aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende zich ervan bewust was, dan wel bewust had moeten zijn dat hij tot een te laag belastingbedrag aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat hij niet bestrijdt dat de vereiste aangifte voor 2009, 2011 en 2012 niet is gedaan.
4.6.
Het hof constateert dat partijen geen geschil hebben over het antwoord op de vraag of belanghebbende in onderhavige jaren de vereiste aangifte heeft gedaan. Het hof acht dat gelet op hetgeen de inspecteur hieromtrent heeft aangevoerd terecht en is daarom van oordeel dat belanghebbende voor 2009, 2011 en 2012 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Aangezien het hof tot het oordeel komt dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden toegepast op de grond dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zal het hof de informatiebeschikking verder onbesproken laten.
4.7.
Belanghebbende voert aan dat de Marokkaanse bankrekening weliswaar op zijn naam stond maar dat anderen van die rekening gebruik maakten en dat zij degenen waren die de aanzienlijke stortingen deden. Verder stelt belanghebbende dat hij niet de eigenaar was van de boot en dat hij geld van familieleden zou hebben geleend om van te leven, maar dat hiervan administratie ontbreekt.
4.8.
Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de (navorderings-)aanslagen IB/PVV en Zvw te hoog zijn. De stellingen over de boot en de leningen van familieleden zijn niet met nadere stukken onderbouwd. Het hof neemt verder in aanmerking dat belanghebbende de stelling over het gebruik van de Marokkaanse bankrekening telkens heeft gewijzigd. Bij de rechtbank was sprake van ene [naam 3] , in het hoger beroepschrift gaf belanghebbende aan dat het om zijn oom ging en ter zitting stelde belanghebbende dat het zijn achterneef was die geld op de rekening stortte. Verder heeft belanghebbende geen concrete tastbare gegevens verstrekt waaruit zou volgen dat een familielid voor zijn bankrekening was gemachtigd. De slecht leesbare kopie van het paspoort van [naam 3] en de eveneens slecht leesbare kopie van een onvertaalde verklaring in het Arabisch vormen daarvoor tegenover de aangetroffen bankafschriften met aanzienlijke stortingen, onvoldoende bewijs.
Redelijke schatting
4.9.
Vervolgens dient het hof te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen en het bijdrage-inkomen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. [7] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. [8] Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. [9] Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. [10]
4.10.
De inspecteur heeft zijn schatting van het belastbare inkomen en het bijdrage inkomen gebaseerd op de uitkomst van de vermogensvergelijking, die is opgesteld aan de hand van concrete gegevens zoals de mutaties op de bankrekening in Marokko, aangetroffen contanten, bekende uitgaven zoals huur, aan- en verkopen van diverse auto’s, de boot die op naam van belanghebbende staat en een stelpost voor kosten van levensonderhoud. De inspecteur heeft daarmee zijn schatting onderbouwd met feitelijke aanknopingspunten waardoor de schatting niet willekeurig is. Het hof acht de schatting van de kosten voor levensonderhoud die is gebaseerd op de Nibud normen redelijk. Daarmee heeft de inspecteur het belastbare inkomen en het bijdrage inkomen op basis van een redelijke schatting vastgesteld.
4.11.
Belanghebbende voert aan dat de schatting niet redelijk is omdat in 2012 in totaal € 114.499 aan contant geld in beslag is genomen en dat dit bedrag in 2011 in de vorm van een voorziening in mindering op het resultaat moet worden gebracht. Dit betoogt faalt. Om een voorziening te kunnen vormen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. De uitgaven waarop de voorziening betrekking heeft, moeten hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake daarvan moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat deze uitgaven zich zullen voordoen. [11] Aangezien hier geen sprake is van uitgaven maar van in beslaggenomen contante gelden, is het vormen van een voorziening alleen al daarom niet mogelijk. Overigens is een voorziening niet mogelijk voor uitgaven die niet aftrekbaar zijn op grond van artikel 3.14, lid 1, letter d Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Het betreft hier immers geen ontneming in de zin van artikel 3.14, lid 3 onder a Wet IB 2001.
4.12.
Voor zover belanghebbende betoogt dat het niet in aftrek laten van in beslaggenomen gelden in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (hierna: artikel 1 EP) omdat belasting betalen over in beslaggenomen middelen per definitie tot een heffing boven de 100% leidt, faalt dat betoog eveneens.
Art. 1 EP luidt:
“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”
Het hof stelt voorop dat de wetgever bij de beoordeling van wat een redelijke en proportionele verhouding is tussen het met een wet nagestreefde gerechtvaardigde doel en de (fundamentele) rechten van individuele belastingplichtigen, over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Het hof is van oordeel dat de wetgever, bij het opstellen van de wettelijke regeling van artikel 3.14 lid 1, letter d Wet IB 2001 op grond waarvan in beslaggenomen en verbeurd verklaarde gelden niet aftrekbaar zijn, die ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden. Belanghebbende heeft niet meer aangevoerd dan dat het in beslaggenomen geld moet worden aangewend ter betaling van de belastingschuld en dat sprake is van een heffing van meer dan 100%. Daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een disproportionele heffing en dat hij getroffen is door een individuele buitensporige last. Het hof is dan ook van oordeel dat artikel 1 EP niet is geschonden.
Beginsel van voortvarende behandeling
4.13.
Belanghebbende betoogt dat hij sinds 2012 gebukt gaat onder eerst de strafrechtelijke procedure en vervolgens de procedure tegen de (navorderings-) aanslagen. Aangezien er veel tijd is verstreken, zijn bepaalde gegevens niet meer voorhanden en verkeert belanghebbende ook in onzekerheid over zijn fiscale positie. Dit lange tijdsverloop zou er volgens belanghebbende toe moeten leiden dat de (navorderings-) aanslagen en boetebeschikkingen worden vernietigd. Dit volgt uit het beginsel van voortvarende behandeling, volgens belanghebbende.
4.14.
Dit betoog faalt. De duur van de procedure is geen omstandigheid die ertoe kan leiden dat de (navorderings-) aanslagen vernietigd of verminderd zouden moeten worden. Wel wordt bij de beoordeling van de boete rekening gehouden met de totale duur van de (fiscale) procedure (zie 4.22.). Daarnaast kan belanghebbende aanspraak maken op een vergoeding van immateriële schade wegens verstrijken van de zogenoemde redelijke termijn (zie 4.27). Voor verdere compensatie wegens het lange tijdsverloop bestaat geen aanleiding.
Vergrijpboeten
4.15.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2009, 2011 en 2012 op grond van artikel 67e AWR (2009) en 67d AWR (2011 en 2012) vergrijpboeten opgelegd van 50% van het nagevorderde bedrag en van 50% van de verschuldigde IB/PVV over de gecorrigeerde bedragen. Voor 2009 bedraagt de boete € 4.892, voor 2011 € 56.946 en voor 2012 € 18.698.
4.16.
Op grond van artikel 67e AWR kan de inspecteur – voor zover hier van belang – een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat een aanslag van een belasting, die bij wege van aanslag wordt geheven, tot een te laag bedrag is vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Op grond van artikel 67d AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen als het aan de opzet van een belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, onjuist of onvolledig is gedaan. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De aanwezigheid van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden door de inspecteur overtuigend worden aangetoond. [12] Met betrekking tot deze bewijsmaatstaf (doen blijken) is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. [13] Op de inspecteur rust derhalve de last om de feiten en omstandigheden overtuigend aan te tonen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
4.17.
De inspecteur heeft gewezen op de uitkomst van de vermogensvergelijking waaruit volgt dat over de desbetreffende jaren inkomsten zijn genoten die belanghebbende niet heeft aangegeven. In het aangiftebiljet wordt bij het inkomen onder andere gevraagd naar inkomen uit overige werkzaamheden. Het moet belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de inkomsten aangegeven moeten worden. Belanghebbende heeft namelijk de rubriek winst uit onderneming wel ingevuld maar niet de andere inkomsten in de aangifte vermeld. Door in zijn aangifte deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij onjuiste en onvolledige aangiften deed. Verder betoogt de inspecteur dat het op geen enkele wijze vermelden van de inkomsten in box 1 naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het verzwijgen van die inkomsten voor de inspecteur dat niet anders kan dan dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van de aangifte bewust van was dat hij een te lage aangifte deed en het gevolg dat bij het vaststellen van de aanslag conform de aangifte te weinig belasting zou worden geheven bewust heeft aanvaard. Nu dat gevolg is ingetreden, staat naar de mening van de inspecteur buiten redelijke twijfel vast dat het aan opzet dan wel voorwaardelijke opzet te wijten is dat te weinig belasting is geheven. Subsidiair meent de inspecteur dat voor 2009 sprake is van grove schuld. Belanghebbende heeft door niet zijn volledige inkomsten aan te geven dermate lichtvaardig gehandeld dat dienaangaande sprake is van een ernstig verwijt, gelijk te stellen met grove schuld.
4.18.
Belanghebbende betoogt dat hij inderdaad is veroordeeld voor handel in verdovende middelen maar dat dat nog niet wil zeggen dat alle vermeende inkomsten hem moeten worden aangerekend en dat rekening moet worden gehouden met de omkering en verzwaring van de bewijslast.
4.19.
De vermogensvergelijking laat zien dat belanghebbende in 2009, 2011 en 2012 meer netto privé-uitgaven heeft gedaan dan mogelijk was op basis van de aangegeven inkomsten en het aangegeven vermogen in zijn aangiften IB/PVV over die jaren. Hij heeft daarom bedragen aan inkomsten genoten die hij niet heeft aangegeven in de aangiften IB/PVV over 2009, 2011 en 2012. Belanghebbende heeft o.a. in 2009 een motorboot op zijn naam gezet (zie 2.4) en in 2011 en in 2012 aanzienlijke bedragen op de Marokkaanse bankrekening gestort (zie 2.5). Verder is bij belanghebbende in 2012 € 114.499 aan contant geld in beslaggenomen. Belanghebbende heeft hiervoor geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Belanghebbende heeft voor 2009, 2011 en 2012 aangifte IB/PVV gedaan en weet daarom dat hij aangifte moet doen over genoten inkomsten en daarover belasting moet betalen. Hij heeft er evenwel voor gekozen om niet alle inkomsten in zijn aangifte op te geven. Volgens het hof is sprake van een gedraging die zozeer gericht was op het gevolg dat over deze inkomsten geen IB/PVV wordt betaald, dat het niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild althans de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. De inspecteur heeft daarom gelet op het vorenstaande overtuigend aangetoond dat het aan belanghebbendes (voorwaardelijke) opzet is te wijten dat over 2009 een te laag bedrag is geheven en dat hij over 2011 en 2012 opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Dit betekent dat de inspecteur terecht vergrijpboeten heeft opgelegd. Het hof acht de opgelegde vergrijpboeten van telkens 50% ook passend en geboden. Het hof ziet, anders dan belanghebbende, in dit geval geen aanleiding om de boete verder te matigen vanwege de omstandigheid dat de (navorderings-)aanslagen met omkering en verzwaring van de bewijslast zijn opgelegd. De bedragen van de (navorderings-) aanslagen over 2009, 2011 en 2012 zijn namelijk gebaseerd op de uit de vermogensvergelijking voortvloeiende bedragen aan negatieve netto privé-uitgaven en een redelijke schatting van de kosten van levensonderhoud. Het hof acht onaannemelijk dat daarmee de boetegrondslagen tot mogelijk te hoge bedragen zijn vastgesteld.
Redelijke termijn
4.20.
De inspecteur betoogt in zijn incidentele hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van 7 februari 2019 als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Deze brief was onjuist gedateerd en dat was, aldus de inspecteur, voor belanghebbende duidelijk. Op 20 januari 2020 was namelijk al aan belanghebbende medegedeeld dat de inspecteur voornemens was vergrijpboeten op te leggen. Belanghebbende brengt daartegen in dat de rechtbank terecht 7 februari 2019 als aanvangsmoment heeft gebruikt omdat de onjuiste datering onduidelijkheid heeft gegeven die in het voordeel van belanghebbende moet worden uitgelegd.
4.21.
Het hof oordeelt dat 20 januari 2020 het aanvangsmoment is van de redelijke termijn, omdat op dat moment de boete is aangekondigd in een brief aan belanghebbende. De omstandigheid dat de latere brief van 7 februari 2020 onjuist is gedateerd, verandert dit oordeel niet. De eerste mededeling was immers al op 20 januari 2020 gedaan waardoor belanghebbende vanaf dat moment ervan kon uitgaan dat de inspecteur een boete zou opleggen. Verder ziet het hof niet in hoe een en ander onduidelijk kon zijn. De op 7 februari 2019 gedateerde brief verwijst naar een brief van 23 januari 2020. Het moet belanghebbende daarom bij ontvangst van de brief in februari 2020 duidelijk zijn geweest dat deze brief een vervolg was op de eerdere brieven die in januari 2020 waren gestuurd.
4.22.
De duur van de totale procedure vormt aanleiding tot matiging van de boete, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof doet uitspraak op 11 juni 2025, dat betekent dat sinds 20 januari 2020 vijf jaar en vijf maanden zijn verstreken. De redelijke termijn van vier jaar voor de procedure tot en met het hoger beroep is daarmee met 1 jaar en vijf maanden overschreden. Dit rechtvaardigt een matiging van 15% (met een maximum van € 10.000 per boete) [14] . Dit leidt tot de volgende matigingen:
- 2009 met € 734 naar € 4.158
- 2011 met € 8.542 naar € 48.404
- 2012 met € 2.805 naar € 15.893
Tussenconclusie
4.23.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en het incidentele hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.24.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.25.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding is voor het eerst voor het hof gedaan. In dat geval heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd. [15]
4.26.
De bezwaarschriften tegen de (navorderings-)aanslagen zijn alle op 19 mei 2020 door de inspecteur ontvangen. De rechtbank heeft op 26 mei 2023 uitspraak gedaan en het hof doet op 11 juni 2025 uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn van in totaal vier jaar is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 13 maanden is overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Het hof stelt vast dat van compensatie wegens een voortvarende behandeling in eerste aanleg geen sprake is.
4.27.
Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. De bezwaarfase heeft 16 maanden geduurd en dus tien maanden te lang, de vergoeding voor de bezwaarfase bedraagt daarmee afgerond € 1.153 (10/13 x € 1.500). De beroepsfase heeft 21 maanden geduurd en was dus drie maanden te lang. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt afgerond € 347 (3/13 x € 1.500) en moet door de minister worden vergoed.
Ten aanzien van het griffierecht
4.28.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. [16]
Ten aanzien van de proceskosten
4.29.
Het hof veroordeelt de inspecteur en de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
4.30.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 [17] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 226,75. Deze tegemoetkoming komt voor € 113,38 voor rekening van de inspecteur en voor € 113,37 voor rekening van de minister.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de boetebeschikkingen;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de boetebeschikkingen;
  • vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2009 naar € 4.158;
  • vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2011 naar € 48.404;
  • vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2012 naar € 15.893;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.153;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 347;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 113,38;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 113,37.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.W.M.M. Verkoijen in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.
2.Vlg. Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767.
3.Hoge Raad 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4441.
4.Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.
5.Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.
6.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.
7.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
8.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
9.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
10.Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
11.Hoge Raad 26 augustus 1998, nr. 33 417, ECLI:NL:HR:1998:AA2555, BNB 1998/409 (Baksteen-arrest).
12.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
13.Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.
14.Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713 en gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
15.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3.
16.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
17.1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.