Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3620

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/1571 en 23/1572
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 16 lid 1 AWRArt. 16 lid 2 AWRArt. 27e lid 1 AWRArt. 2.17 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep navorderingsaanslagen inkomstenbelasting wegens winstuitdeling en toepassing arrest HR 13 januari 2023

De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV op voor de jaren 2012 en 2014 wegens winstuitdelingen door de B.V. aan belanghebbende. De rechtbank vernietigde deze aanslagen, maar het hof vernietigt deze uitspraak voor zover het de navorderingsaanslagen betreft en bevestigt de rest.

Centraal staat de uitleg van het begrip 'prijsgeven' in het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023. Het hof volgt de formeel-juridische benadering en oordeelt dat onzakelijk stilzitten onvoldoende is voor prijsgeven. Wel acht het hof aannemelijk dat de toename van de rekening-courantschuld in 2012 en 2014 winstuitdelingen vormden.

De navorderingsaanslagen worden verminderd tot de helft van de jaarmutaties (€ 45.675 voor 2012 en € 57.742 voor 2014). Het hof oordeelt dat de inspecteur bevoegd was tot navordering in 2014 wegens kwade trouw van belanghebbende. Tevens wordt een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten van € 226,75 aan belanghebbende toegewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vermindert de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 en veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1571 en 23/1572
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] (Spanje),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 oktober 2023, nummers BRE 21/2866 en 22/2415, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft voor de jaren 2012 en 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is voor het jaar 2012 bij beschikking een vergrijpboete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 ongegrond en het bezwaar betreffende de boetebeschikking en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het voorwaardelijke incidentele hoger beroep.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Partijen hebben ieder voor de zitting nadere stukken en een pleitnota met bijlage(n) toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen overlegging van de bij de pleitnota van de wederpartij behorende bijlage(n).
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1949 en was gedurende de jaren 2012 en 2014 gehuwd. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: de B.V.).
2.2.
Belanghebbende woonde tot 19 maart 2014 in Nederland en is sindsdien woonachtig in Spanje.
2.3.
De B.V. heeft aan belanghebbende de volgende leningen verstrekt:
  • in 1998 ƒ 1.490.000 (€ 676.133) voor de aankoop van een woning in [plaats 2] , [adres 1] ;
  • in 2000 ƒ 785.000 (€ 356.217) voor de aankoop van een woning in Spanje;
  • in 2001 ƒ 903.521 (€ 410.000) voor de aankoop van effecten; en
  • tevens is er een rekening-courantvordering (hierna tezamen ook: de vorderingen).
2.4.
Belanghebbende heeft leningsovereenkomsten overgelegd betreffende de lening voor de aankoop van de woning in [plaats 2] , [adres 1] , de lening voor de aankoop van de woning in Spanje en de lening voor de aankoop van de effecten. Van de rekening-courantvordering is geen overeenkomst overgelegd.
2.4.
De vorderingen bedroegen eind 2011 € 2.100.627, eind 2012 € 2.191.978, eind 2013 € 2.263.655 en eind 2014 € 2.379.139. De mutatie over 2012 bedraagt € 91.351. De mutatie over 2014 bedraagt € 115.484. De winstreserves van de B.V. bedroegen ultimo 2012 € 2.002.143, ultimo 2013 € 2.022.908 en ultimo 2014 € 2.056.985.
2.5.
Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de schulden aangegeven als box 3-vermogen in de aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2013. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken blijkens de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 ultimo 2012 over vermogen van € 711.946 en ultimo 2013 over € 512.410. Dit betreffen een tweede woning in Spanje ter waarde van € 500.000, bank- en spaartegoeden in Nederland en (in 2012) ‘overige vorderingen en contant geld’ van € 205.935. In de emigratieaangifte IB/PVV 2014 is geen box 3-vermogen (meer) vermeld.
2.6.
In de brief van 17 december 2014 heeft de B.V. naar aanleiding van een vragenbrief van de inspecteur inzake de aangifte Vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2012 het volgende geantwoord:
“- Lening u/g [belanghebbende] € 351.133,--: betreft de in 2013 verkochte eigen woning waarvan een afrekening aan u is toegezonden. Vordering dekt de waarde van de eigen woning niet (meer). Aflossing niet te verwachten.
- Lening u/g [belanghebbende] € 518.717,--: betreft de woning in Spanje. De waarde dekt de vordering. Aflossing bij verkoop te verwachten.
- Lening u/g [naam 1] € 74.171,--: betreft een aan zoon verstrekte lening waarvan de aflossing in 2015 start. Aflossing te verwachten.
- Lening u/g [naam 2] € 6.402,--: na 2012 geheel afgelost.
- Leningen effecten divers; deze leningen worden door de waardedalingen van de effecten niet meer gedekt door waarden van effecten,
- Rekening-courant [belanghebbende] : deze rekening-courant zal op termijn worden ingelost.”
2.7.
Belanghebbende heeft de nota van afrekening overgelegd betreffende de verkoop in 2013 van een woning op het adres [adres 2] in [plaats 2] . Hieruit blijkt dat deze woning is verkocht voor € 485.000 en dat daarop nog een hypothecaire lening bij ING-bank van € 452.081,25 rustte. De overwaarde (na kosten) bedroeg € 32.439,67. Deze overwaarde is niet door belanghebbende aangewend ten behoeve van aflossing van zijn schulden aan de B.V.
2.8.
Naar aanleiding van de aanslagregeling Vpb bij de B.V. voor het jaar 2012 heeft de inspecteur in zijn brief van 14 januari 2015, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, het standpunt ingenomen dat de vorderingen het vermogen van de B.V. blijvend hebben verlaten en dat een winstuitkering van de B.V. aan belanghebbende in aanmerking moet worden genomen. De reden hiervoor was de brief van 17 december 2014 (zie onder 2.6) en het telefoongesprek op 14 januari 2015, waarin duidelijk werd dat de B.V. en belanghebbende desgevraagd geen acties zullen en/of kunnen ondernemen om de vorderingen in te lossen dan wel te zorgen voor voldoende zekerheden zodat de vorderingen volledig gedekt zijn. Dit leidt tot een bruto winstuitkering van € 2.231.015. Omdat de winstreserves van de B.V. ultimo 2012 € 2.002.143 bedroegen, heeft de Vpb-inspecteur de bruto winstuitkering op dat bedrag gesteld.
2.9.
Met dagtekening 15 januari 2015 heeft de inspecteur aan de belastingadviseur van belanghebbende een brief gericht, met kopie aan belanghebbende, waarin voor zover relevant staat:
“De aanslagregeling Vennootschapsbelasting 2012 is inmiddels ter hand genomen en daaruit blijkt nu dat de aangifte Inkomstenbelasting gecorrigeerd moet worden. Door de geautomatiseerde verwerking van aangiften is deze inmiddels afgedaan zonder dat de correctie die voortvloeit uit de vennootschapsbelasting daarin is opgenomen. Deze definitieve aanslag Inkomstenbelasting wordt binnenkort aan uw cliënt gezonden en deze is onjuist. Als de aangifte vennootschapsbelasting is afgerond is ook duidelijk welke gevolgen dit heeft voor de inkomstenbelasting van uw client. Als dit zover is deel ik dat nog aan u mede en leg is een navorderingsaanslag op waarin de correctie is opgenomen.”
2.10.
Met dagtekening 27 maart 2015 is een nihilaanslag IB/PVV 2012 aan belanghebbende opgelegd. De aanslag IB/PVV 2012 is geautomatiseerd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2012 opgelegd.
2.11.
Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 19 mei 2015 het voornemen kenbaar gemaakt over het jaar 2012 inkomstenbelasting te willen navorderen bij belanghebbende in verband met de winstuitdeling. Tevens is bij die brief een vergrijpboete aangekondigd. De inspecteur heeft de winstuitdeling voor 2012 vastgesteld op € 2.002.143. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 25 juli 2015 opgelegd en dit bedrag als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) aangemerkt en € 39.187 aan belastingrente in rekening gebracht. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete van € 249.251 opgelegd.
2.12.
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de rente- en boetebeschikking. Het bezwaar tegen de boetebeschikking is bij uitspraak van 4 juni 2021 gegrond verklaard. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de rentebeschikking bij diezelfde uitspraak ongegrond verklaard.
2.13.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2016 aangifte IB/PVV 2014 gedaan. Daarin is aangegeven dat belanghebbende per 19 maart 2014 is geëmigreerd naar Spanje. Op 4 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de aanslagregelaar IB/PVV en de gemachtigde van belanghebbende. Onderwerp van dit gesprek is de aangifte IB/PVV 2014 en de fiscale gevolgen van de emigratie naar Spanje. In verband met de emigratie is met dagtekening 22 juni 2018 conform de ingediende aangifte IB/PVV 2014 een conserverende aanslag aan belanghebbende opgelegd met betrekking tot het jaar 2014 ter zake van een te conserveren inkomen in box 2 van € 2.281.071, zijnde het eigen vermogen van de B.V. zoals aangegeven in de aangifte Vpb 2014. Met dagtekening 22 juni 2018 is tevens de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd.
2.14.
De inspecteur heeft per e-mailbericht van 12 november 2020 het voornemen kenbaar gemaakt over het jaar 2014 inkomstenbelasting te willen navorderen bij belanghebbende in verband met de winstuitdeling. De navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is gebaseerd op de hoogte van de winstreserves van de B.V. ultimo 2013. Met dagtekening 29 december 2020 wordt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd. In de navorderingaanslag IB/PVV 2014 heeft de inspecteur een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen van € 2.022.908 en € 106.167 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.15.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de rentebeschikking. Dit bezwaar is bij uitspraak van 30 maart 2022 gegrond verklaard. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 gelet op artikel 2.17 Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) verminderd tot een aanslag naar een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.011.454. De rentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.
2.16.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de bijbehorende rente- en boetebeschikking vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de bijbehorende rentebeschikking vernietigd, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 6.500 aan belanghebbende, bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 99 voor de behandeling van de beroepen aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
  • i) Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV 2012 en 2014 gedaan?
  • ii) Heeft de inspecteur terecht een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen in de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 omdat in 2012 sprake was van een winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende?
  • iii) Zo nee, heeft de inspecteur terecht een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen in de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 omdat in 2014 sprake was van een winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende?
Indien het hof tot bevestigende beantwoording komt van vraag (ii) of vraag (iii), is gelet op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende in geschil (iv) of de inspecteur bevoegd was om na te vorderen.
Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat de rechtbank de boetebeschikking terecht heeft vernietigd, zodat deze geen onderdeel van het geschil in hoger beroep is.
3.2.
De inspecteur concludeert in principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 betreft, primair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.001.071, dan wel bevestiging van de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2014, subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 676.615, dan wel vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 686.997 en meer subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.675, dan wel vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 57.742.
3.3.
Belanghebbende concludeert in principaal hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
(i) Omkering en verzwaring van de bewijslast
4.1.
De inspecteur heeft in de pleitnota aangevoerd dat de jaarmutatie van de schuldenpositie in de jaren 2012 en 2014 significant is geweest, te weten € 91.351 in 2012 en € 115.484 in 2014. Als alleen de jaarmutaties in de heffing zouden worden betrokken, dan is er volgens de inspecteur sprake van het niet doen van de vereiste aangiften. Die jaarmutaties – te kwalificeren als inkomen uit aanmerkelijk belang – zijn namelijk in relatieve en absolute zin aanzienlijk te noemen ten opzichte van de aangiften IB/PVV 2012 en 2014. Het niet doen van de vereiste aangifte leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Ook ten aanzien van de door belanghebbende gestelde claim stelt de inspecteur dat omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is. In de pleitnota en tijdens het onderzoek ter zitting van het hof heeft (de gemachtigde van) belanghebbende toegelicht dat belanghebbende in de beginjaren 2000 vanuit privé heeft geïnvesteerd in projecten en ondernemingsactiviteiten van zijn zoon. Die investeringen hadden de vorm van een lening, maar deze lening is niet formeel vastgelegd in een leningovereenkomst. De projecten en ondernemingsactiviteiten van belanghebbendes zoon zijn mislukt, zodat de lening niet aan belanghebbende kon worden terugbetaald. De zoon van belanghebbende voelt zich nog steeds verplicht die lening ooit terug te betalen. De inspecteur stelt dat deze claim van belanghebbende op zijn zoon, voor zover deze claim enige reële waarde vertegenwoordigt, in het box 3-vermogen van belanghebbende opgenomen had moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, zijn ook in zoverre kennelijk niet de vereiste aangiften gedaan, aldus de inspecteur.
4.2.
Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast. De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.
4.3.
Het hof is gelet op hetgeen hierna onder 4.14 wordt overwogen van oordeel dat de inspecteur ook zonder omkering en verzwaring van de bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat voor wat betreft de
jaarmutatiesin 2012 en 2014 sprake is van een onttrekking c.q. winstuitdeling. De vraag of de schuld op een later moment dan het moment van verstrekken als een onttrekking moet worden aangemerkt, betreft een rechtskundige vraag. Daarvoor speelt de omkering en verzwaring van de bewijslast geen rol. Het hof zal die vraag hierna afzonderlijk beantwoorden. Gelet op het voorgaande kan de vraag of de inkomenscorrectie ter zake van de jaarmutatie in 2012 en 2014 leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, in het midden blijven.
(ii) en (iii) Navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014
4.4.
De kern van deze zaak is onder welke omstandigheden een geldverstrekking ‘omhoog’, dat wil zeggen een geldverstrekking van de B.V. aan haar (enig) aandeelhouder, na het moment van verstrekking als een onttrekking moet worden gezien. Richtinggevend daarbij is hetgeen de Hoge Raad daarover in het arrest van 13 januari 2023 [1] (hierna: het arrest van 13 januari 2023) heeft overwogen. Partijen verschillen in essentie van mening over de vraag hoe rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest van 13 januari 2023 moet worden uitgelegd en dan meer specifiek of het begrip ‘prijsgeven’ materieel of formeel moet worden opgevat. Kort samengevat stelt de inspecteur zich op het standpunt dat in gelieerde verhoudingen een materiële benadering van het begrip ‘prijsgeven’ moet worden gehanteerd. Belanghebbende staat een formeel-juridische benadering van het begrip ‘prijsgeven’ voor. In de literatuur [2] bestaat discussie of een materiële benadering voldoende is voor ‘prijsgeven’ (standpunt inspecteur), of dat daarvoor een formeel-juridische gebeurtenis nodig is (standpunt belanghebbende). Dit geeft het hof aanleiding om nader op deze materie in te gaan.
4.5.
In het arrest van 13 januari 2023 overweegt de Hoge Raad, voor zover hier van belang:
“3.4.2. Geldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap
[voetnoot 5: Vgl. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761].
3.4.3.
Ook na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft
[voetnoot 6: Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, rechtsoverweging 3.5].
3.4.4.
Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn
[voetnoot 7: Vgl. HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, rechtsoverweging 4.3]. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving
[voetnoot 8: Vgl. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, rechtsoverweging 4.3, en het aldaar genoemde arrest HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193, rechtsoverweging 5.1].
3.4.5
De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.
3.5.1
Voor zover middel 2 zich richt tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, slaagt het. Het Hof heeft hetgeen hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen, miskend doordat het – mede gelet op de daarover door partijen ingenomen standpunten – bij zijn oordelen ten onrechte geen onderscheid heeft aangebracht tussen (a) onttrekkingen die plaatsvinden op het moment waarop een vennootschap geldmiddelen ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, en (b) onttrekkingen die pas later plaatsvinden doordat een vennootschap de rechten die haar op grond van een overeenkomst van geldlening als schuldeiser toekomen, naderhand vrijwillig prijsgeeft. Voor zover het Hof het oog heeft gehad op de hiervoor onder (b) bedoelde onttrekkingen, dat wil zeggen onttrekkingen die plaatsvinden na het verstrekken van de geldlening, had het Hof moeten vaststellen en moeten motiveren dat en tot welk bedrag de BV rechten die haar als schuldeiser toekomen, in 2010 vrijwillig heeft prijsgegeven. Zo’n vaststelling en motivering ontbreken echter in de bestreden uitspraak. Uit de hiervoor in 2.2.2 weergegeven omstandigheden die het Hof bij zijn oordelen in aanmerking heeft genomen, volgt namelijk niet dat de BV rechten die haar aanvankelijk als schuldeiser toekwamen, in 2010 heeft prijsgegeven. Evenmin volgt uit de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden, zoals hiervoor in 2.2.2 weergegeven, dat een vermogensverschuiving naar belanghebbende is geschied met de bedoeling hem als aandeelhouder te bevoordelen, noch dat de BV en belanghebbende zich bewust waren of hadden moeten zijn van die vermogensverschuiving en bevoordelingsbedoeling. Daarmee heeft het Hof hetzij hetgeen hiervoor in 3.4.4 is overwogen miskend, hetzij zijn oordelen onvoldoende gemotiveerd.”
4.6.
De Hoge Raad stelt in het arrest van 13 januari 2023 voorop dat bij een geldverstrekking ‘omhoog’ onderscheid moet worden gemaakt tussen twee momenten waarop een onttrekking kan plaatsvinden: (i) het moment waarop de vennootschap de geldmiddelen ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt (r.o. 3.4.2) en (ii) een later moment (r.o. 3.4.3). Partijen zijn het erover eens dat de feiten in de onderhavige zaak, behoudens voor zover het de toename van de rekening-courantschuld in 2012 en 2014 betreft, moeten worden getoetst aan r.o. 3.4.3 van het arrest van 13 januari 2023. Zoals reeds eerder benoemd verschillen partijen echter van mening over de vraag hoe het begrip ‘prijsgeven’ in r.o. 3.4.3 van het arrest van 13 januari 2023 moet worden uitgelegd.
4.7.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van ‘prijsgeven’ indien de schuldeiser (de B.V.) geen beroep doet op mogelijkheden om zijn rechten veilig te stellen waar een onafhankelijke derde dat wel zou doen (het ‘onzakelijk stilzitten’). Dit prijsgeven vindt volgens de inspecteur in zo’n geval haar oorzaak in de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Volgens de inspecteur dient deze materiële benadering in een 100%-aandeelhoudersrelatie het uitgangspunt te zijn en is geen formele gebeurtenis nodig, zoals een kwijtschelding of een liquidatie. De inspecteur vindt steun voor zijn opvatting in het Kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst van 13 juni 2023, KG:003:2023:1. Voor wat betreft het moment van de onttrekking moet volgens de inspecteur worden gekeken naar het moment waarop de schuldeiser (de B.V.) wetenschap krijgt dat de schuldenaar (belanghebbende) de geleende gelden niet (meer) kan of zal aflossen. Afhankelijk van de toerekening van de wetenschap van de B.V. dient de onttrekking in het onderhavige geval in jaar 2012 ofwel in het jaar 2014 plaats te vinden. Voor wat betreft het jaar 2012 heeft de inspecteur aangevoerd dat tijdens de aanslagregeling Vpb 2012 bij de B.V. duidelijk is geworden dat belanghebbende de geleende gelden niet (meer) kan of zal aflossen. Met betrekking tot het jaar 2014 heeft de inspecteur erop gewezen dat belanghebbende in maart 2014 naar Spanje is geëmigreerd en dat de B.V. met de brief van 17 december 2014 bovendien op de hoogte is gekomen van de negatieve inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende en het gegeven dat belanghebbende de geleende gelden niet (meer) kan en zal aflossen.
4.8.
Belanghebbende leidt uit het arrest van 13 januari 2023 af dat alleen bij formeel prijsgeven van de vorderingen een onttrekking kan worden geconstateerd. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2019 [3] (hierna: het pensioenarrest) komt belanghebbende tot de conclusie dat het enkele stilzitten van de B.V. onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van prijsgeven. Uit het pensioenarrest kan volgens belanghebbende worden afgeleid dat voor prijsgeven in elk geval ook een handelen van de B.V. is vereist. Bovendien volgt uit het arrest van 13 januari 2023 dat de (in)solvabiliteit van de directeur-grootaandeelhouder / belanghebbende geen rol meer speelt bij het oordeel dat sprake is van prijsgeven, aldus belanghebbende.
4.9.
In het pensioenarrest overwoog de Hoge Raad over het prijsgeven van aanspraken uit een pensioenregeling het volgende:
“2.3.1. Het Hof heeft de enkele omstandigheid dat belanghebbende geen actie heeft ondernomen toen de BV de in 2013 verschuldigde pensioentermijnen van het in dat jaar ingegane pensioen niet had betaald, voldoende geacht voor het oordeel dat belanghebbende de hele aanspraak had prijsgegeven. Daarbij heeft het Hof miskend dat dit enkele stilzitten van belanghebbende onvoldoende is om aan te nemen dat belanghebbende de aanspraak op pensioen heeft prijsgegeven.”
4.10.
Enerzijds kan uit het pensioenarrest worden afgeleid dat het stilzitten van een schuldeiser (de B.V.) onvoldoende is om aan te nemen dat die schuldeiser (de B.V.) haar rechten geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven. Het afzien van handelen waar de schuldeiser (de B.V.) in derdenverhoudingen wel zou hebben gehandeld (het ‘onzakelijk stilzitten’), kan in die visie geen prijsgeven inhouden en dus niet tot een onttrekking leiden. [4] Voor dit standpunt pleit dat de Hoge Raad de problematiek van eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen (lening) altijd formeel-juridisch lijkt te benaderen. [5] Zo wordt ter beantwoording van de vraag of een geldverstrekking als eigen vermogen (kapitaal) of als vreemd vermogen (lening) heeft te gelden, als hoofdregel een formeel criterium aangelegd, zodat in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de fiscale gevolgen. Een geldlening zal alleen fiscaal als eigen vermogen (kapitaal) worden behandeld als sprake is van één van de drie uitzonderingen: de schijnlening, de deelnemerschapslening en de bodemloze-putlening. [6] Een lening kan onzakelijk zijn of onzakelijk worden, maar het blijft in fiscale zin een lening en geen kapitaal. Het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2014 [7] over de onzakelijke lening kan een belangrijke indicatie zijn dat de formeel-juridische benadering de juiste is [8] . Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een recente uitspraak [9] overwogen dat het afzien van (actief) handelen van de schuldeiser niet zonder meer tot de conclusie leidt dat sprake is van prijsgeven. Zie in vergelijkbare zin de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2025 [10] en de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 juni 2023 [11] .
4.11.
Anderzijds kan uit het pensioenarrest worden afgeleid dat met “het
enkelestilzitten” wordt bedoeld dat stilzitten nog steeds kan leiden tot de constatering dat sprake is prijsgegeven, maar dat een dergelijk oordeel een uitgebreide motivering van de feitenrechter behoeft, waarbij bijkomende omstandigheden aanwezig moeten zijn. Indien de schuldeiser (de B.V.) geen beroep doet op mogelijkheden om zijn rechten veilig te stellen waar een onafhankelijke derde dat wel zou doen (het ‘onzakelijk stilzitten’), dan kan het stilzitten door de B.V. worden geplaatst in de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. [12] Voor deze opvatting pleit dat het voorkomt dat heffing ter zake van geheel of gedeeltelijk oninbaar geworden vorderingen van de B.V. op de aandeelhouder oneindig wordt uitgesteld door het formeel prijsgeven van de vorderingen achterwege te laten en de B.V. te laten voortbestaan. [13] In de literatuur wordt eveneens de optie opgeworpen dat het onzakelijk stilzitten ertoe kan leiden dat een zakelijke lening onzakelijk wordt [14] ofwel dat het onzakelijk stilzitten gelijkgesteld kan worden met het verstrekken van een bodemloze-putlening (r.o. 3.4.2 van het arrest van 13 januari 2023) voor het bedrag dat een derde als aflossing op de lening zou hebben afgedwongen [15] . Het hof stelt echter voorop dat deze stellingen niet door partijen zijn betrokken en dat het hof zich dus ook niet zal uitlaten over de vraag of deze situaties zich in de onderhavige zaak voordoen.
4.12.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat onduidelijk is of het ‘onzakelijk stilzitten’ voldoende is voor de conclusie dat sprake is van prijsgeven in de zin van r.o. 3.4.3 van het arrest van 13 januari 2023. Het hof zal dus een keuze moeten maken voor het volgen van de materiële benadering (standpunt inspecteur) of de formeel-juridische benadering (standpunt belanghebbende). Hoewel voor beide benaderingen iets te zeggen valt, komt het hof gelet op hetgeen is overwogen onder 4.10 en 4.11 tot de conclusie dat in het onderhavige geval de formeel-juridische benadering moet worden gevolgd. Dit houdt aldus in dat pas sprake is van prijsgeven wanneer de vorderingen in formeel-juridische zin tenietgaan, bijvoorbeeld door kwijtschelding of liquidatie. Tussen partijen is niet in geschil is dat de B.V. in 2012 en 2014 geen actieve handelingen heeft verricht waaruit formeel prijsgeven kan worden afgeleid.
4.13.
Het voorgaande betekent dat het standpunt van de inspecteur dat in 2012 ofwel 2014 een onttrekking heeft plaatsgevonden ter grootte van de totale schuld van belanghebbende aan de B.V. (primair standpunt) dan wel het gedeelte van die schuld waarvoor verhaalsmogelijkheden bestaan (subsidiair standpunt), en dat deze onttrekking in dat jaar een winstuitdeling vormt, faalt. Het hof komt hierdoor toe aan het meer subsidiaire standpunt van de inspecteur dat voor wat betreft de toename van de rekening-courantschuld in 2012 en 2014 sprake is van onttrekkingen c.q. winstuitdelingen in de betreffende jaren.
4.14.
Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt van de inspecteur overweegt het hof als volgt. De inspecteur heeft onbetwist gesteld dat de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de B.V. in 2012 en 2014 is toegenomen met € 91.351 respectievelijk € 115.484. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële positie van belanghebbende in de jaren 2012 en 2014 zodanig was dat ten tijde van de toename van de rekening-courantschuld vaststond of zo goed als zeker was dat belanghebbende de bijgeschreven bedragen niet kon of zou aflossen. Belanghebbende beschikt – afgezien van zijn aanspraak op de winstreserves in de B.V. – over onvoldoende inkomen en vermogen om zijn forse schulden aan de B.V. af te lossen. Er is gelet op de leeftijd van belanghebbende ook geen toekomstig vooruitzicht waaruit een eventuele terugbetalingscapaciteit kan ontstaan. Verder heeft belanghebbende de bij de verkoop van zijn woning in 2013 vrijgekomen gelden niet aangewend ter aflossing van zijn schulden aan de B.V. (zie onder 2.7). Daarbij merkt het hof op dat belanghebbende weliswaar heeft gesteld dat in 2020 een bedrag van € 342.944,39 is afgelost, maar dat de inspecteur daar onweersproken tegenover heeft gezet dat deze aflossing niet heeft geleid tot een daling van de schuldenpositie omdat rubriek 645, dat behoort tot de weergave van de schuldenpositie van belanghebbende, in 2020 is gestegen met eenzelfde bedrag. Voor wat betreft de door belanghebbende bepleite claim op zijn zoon wegens een in het verleden verstrekte lening, stelt het hof vast dat niets bekend is geworden over de omvang van de claim / lening en het realiteitsgehalte van een eventuele terugbetaling. Dit betekent dat voor wat betreft de jaarmutaties in 2012 en 2014 sprake is van een onttrekking (zie r.o. 3.4.2 van het arrest van 13 januari 2023). Belanghebbende heeft overigens inhoudelijk niet bestreden dat aan de vereisten voor het als winstuitdeling in aanmerking nemen van die onttrekking is voldaan (zie r.o. 3.4.4 van het arrest van 13 januari 2023). Dit betekent dat in 2012 en 2014 sprake was van winstuitdelingen door de B.V. aan belanghebbende ter grootte van de toename van de rekening-courantschuld. Het hof zal deze winstuitdelingen gelet op de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 vaststellen op de helft van de jaarmutaties, aldus op € 45.675 (voor 2012) en € 57.742 (voor 2014).
(iv) Bevoegdheid tot navordering
4.15.
Omdat het hof tot het oordeel komt dat de inspecteur terecht reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen in de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014, omdat in desbetreffende jaren sprake was van een onttrekking c.q. winstuitdeling van de B.V. aan belanghebbende, wordt toegekomen aan het voorwaardelijk ingestelde incidentele hoger beroep van belanghebbende. Belanghebbende stelt zich kort samengevat op het standpunt dat de inspecteur niet bevoegd was om na te vorderen over de jaren 2012 en 2014. Het hof overweegt met betrekking tot het incidentele hoger beroep van belanghebbende als volgt.
Met betrekking tot het jaar 2012
4.16.
Belanghebbende stelt zich kort samengevat op het standpunt dat de inspecteur met de brief met dagtekening 15 januari 2015 onvoldoende indicatie heeft gegeven van wat hij op het moment van het ontdekken van de ‘fout’ wilde heffen. Eerst op 19 mei 2015 wordt belanghebbende geïnformeerd over de aard van de correctie. Belanghebbende zoekt aansluiting bij rechtspraak die als uitgangspunt heeft dat navordering bij de in artikel 16 AWR Pro bedoelde misslag mogelijk is met een schriftelijke aankondiging vooraf dat de aanslag een misslag bevat, waarbij met voldoende scherpte wordt aangegeven waaruit die misslag bestaat. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat uit interne correspondentie van de Belastingdienst (pagina 12 van bijlage 15 bij het verweerschrift in eerste aanleg) volgt dat het op 23 februari 2015 nog mogelijk was de aanslagregeling voor 2012 tegen te houden en een primitieve aanslag met correctie op te leggen. Dit betekent dat de inspecteur de aanslagregeling had kunnen tegenhouden, maar dit bewust niet heeft gedaan. Er is in zo’n geval geen sprake van een (kenbare) fout, zodat de inspecteur niet de bevoegdheid tot navordering heeft.
4.17.
De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende tijdig op de hoogte is gebracht van het feit dat de aanslag IB/PVV 2012 niet juist was vastgesteld voordat hij die aanslag IB/PVV 2012 had ontvangen. Subsidiair stelt de inspecteur dat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2012 zodanig heeft ingevuld dat sprake is van kwader trouw, omdat belanghebbende wist dat hij zijn schuld aan de B.V. niet ‘kan en zal’ terugbetalen.
4.18.
Het hof stelt voorop dat de wetgever met de introductie van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: AWR) in 2010 niet heeft willen breken met de voorheen ontwikkelde jurisprudentie waarin is geoordeeld dat navordering wel kan plaatsvinden indien voorafgaand aan de ontvangst van de aanslag de belastingplichtige al op de hoogte is gebracht van een fout bij het vaststellen van de aanslag. [16] Daarbij is van belang of de inspecteur met voldoende scherpte de misslag heeft kenbaar gemaakt. In dit geval heeft de inspecteur in een brief van 15 januari 2015 kenbaar gemaakt dat de binnenkort te ontvangen aanslag onjuist was. De inspecteur heeft daarbij verwezen naar de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2012. Op 14 januari 2012 heeft de inspecteur in het kader van de aanslagregeling vennootschapsbelasting 2012 aan gemachtigde zijn standpunt uiteengezet dat de vorderingen niet meer geheel kan worden geïncasseerd en dat de geldmiddelen de vennootschap blijvend hebben verlaten en dat in de inkomstenbelasting een voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) in aanmerking moet worden genomen. Met beide brieven in samenhang gelezen, heeft de inspecteur met voldoende scherpte uiteengezet om welke reden de te ontvangen aanslag onjuist is. Navordering is in dat geval geoorloofd.
Met betrekking tot het jaar 2014
4.19.
Ten aanzien van het jaar 2014 heeft belanghebbende aangevoerd dat de inspecteur evenmin bevoegd was om na te vorderen omdat een nieuw feit ontbreekt. Alle relevante informatie was in ieder geval vóór 11 juni 2014 aanwezig bij de Belastingdienst en daarmee ook bij de aanslagregelaar voor de inkomstenbelasting.
4.20.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een nieuw feit, omdat belanghebbende in de brief van 6 augustus 2020 heeft aangegeven dat er een terugbetalingsverplichting is, maar dat dit niet inhoudt dat belanghebbende vindt dat (nog) sprake was van een reële lening. Als gevolg van die brief is besloten om na te vorderen over 2014. Subsidiair stelt de inspecteur dat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2014 zodanig heeft ingevuld dat sprake is van kwader trouw, omdat belanghebbende wist dat hij zijn schuld aan de B.V. niet ‘kan en zal’ terugbetalen.
4.21.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van het jaar 2014 sprake was van een nieuw feit. Hierbij neemt het hof in overweging dat de primitieve aanslag IB/PVV 2014 met dagtekening 22 juni 2018 is opgelegd. De discussie omtrent de schuldenpositie van belanghebbende speelde al sinds eind 2014 / begin 2015, zodat de inspecteur zich ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2014 bewust van was dat in 2014 sprake kon zijn van een winstuitdeling door de B.V. aan belanghebbende. Hierbij betrekt het hof ook het feit dat op 4 mei 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de aanslagregelaar en de gemachtigde van belanghebbende over de aangifte IB/PVV 2014 en de fiscale gevolgen van de emigratie naar Spanje. De door de inspecteur benoemde brief van 6 augustus 2020 heeft slechts geleid tot een verandering van inzicht omtrent dezelfde feitelijke gegevens. Dit levert geen grond voor het opleggen van een navorderingsaanslag op. [17]
4.22.
Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een nieuw feit, dient het hof te beoordelen of sprake is van kwader trouw. Ingevolge artikel 16, lid 1, tweede volzin, AWR is navordering ondanks het ontbreken van een nieuw feit mogelijk ter zake van een feit ten aanzien waarvan belanghebbende te kwader trouw is. Dit wil zeggen indien belanghebbende ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. [18] Onder opzet wordt mede begrepen voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de belastingplichtige zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangifte onjuist was, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangifte te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen. [19] Indien een belastingplichtige bij het doen van aangifte gebruik maakt van de diensten van een derde, dient de kwader trouw van die derde aan de belastingplichtige te worden toegerekend. [20]
4.23.
Naar het oordeel van het hof is wel sprake van kwade trouw en daarbij acht het hof het volgende van belang. Het hof stelt vast dat belanghebbende zich ten tijde van het indienen van de aangifte IB/PVV 2014 – op 11 juli 2016 – ervan bewust was dat de aangroei van de rekening-courantschuld in 2014 niet (meer) kan en zou worden terugbetaald. De schuld van belanghebbende aan de B.V. was eind 2013 al fors, te weten € 2.263.655. Belanghebbende beschikte over onvoldoende inkomen en vermogen om de toename in 2014 van de rekening-courantschuld aan de B.V. af te lossen. In de aangifte IB/PVV 2013 is weliswaar vermogen (een tweede woning in Spanje en wat bank- en spaartegoeden) en een eigen woning aangegeven, maar ten aanzien van die woningen is komen vast te staan dat de gelden die zijn vrijgekomen bij de verkopen daarvan niet zijn aangewend ter aflossing van de schuld aan de B.V. (vgl. hetgeen is overwogen onder 4.14). Er was gelet op de leeftijd van belanghebbende ook geen toekomstig vooruitzicht waaruit een terugbetalingscapaciteit zou kunnen ontstaan. Hierbij verwijst het hof tevens naar hetgeen is overwogen omtrent de vermeende claim van belanghebbende op zijn zoon (zie onder 4.14). Verder is het hof van oordeel dat uit de feiten volgt dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijk kans bestond dat de ingediende aangifte IB/PVV 2014 onjuist was. Reeds eind 2014 is de discussie ontstaan over de forse schuld van belanghebbende aan de B.V. Het hof leidt uit de brief van (de gemachtigde van) belanghebbende van 17 december 2014 (zie onder 2.6) af dat belanghebbende zich ervan bewust was dat hij de schuld niet geheel of gedeeltelijk (meer) kon of zou terugbetalen. Belanghebbende was aldus ervan op de hoogte dat de toename van de rekening-courantschuld in 2014 als een winstuitdeling moest worden aangemerkt. Door desondanks bij het invullen van de aangifte IB/PVV 2014 geen winstuitdeling aan te geven voor het bedrag van de toename van de rekening-courantschuld in 2014, heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthouden of verstrekt. Dit maakt dat belanghebbende in zoverre te kwader trouw heeft gehandeld. Het hof is aldus van oordeel dat de inspecteur voor het jaar 2014 bevoegd was om na te vorderen voor zover het de toename van de rekening-courantschuld betrof.
Tussenconclusie
4.24.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, maar alleen voor de beslissingen omtrent de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 en de bijbehorende beschikkingen belastingrente.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.25.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.26.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [21] Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
4.27.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (afgerond) twee maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.28.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500, waartoe de minister wordt veroordeeld.
Ten aanzien van het griffierecht
4.29.
Aangezien de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd vanwege het door de inspecteur ingestelde hoger beroep, ziet hof geen aanleiding om van de inspecteur griffierecht te heffen.
Ten aanzien van de proceskosten
4.30.
Het hof veroordeelt de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, omdat een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend.
4.31.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) [22] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 226,75.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen omtrent de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2014 en de bijbehorende beschikkingen belastingrente;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.675;
  • vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 57.742;
  • vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 226,75.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Zie C.B. Bavinck, WFR 2018/9, E.J.W. Heithuis, WFR 2018/46, G.C. van der Burgt, WFR 2022/168, C.B. Bavinck en R.P.C. Cornelisse in WFR 2023/126 en de noten bij het arrest van 13 januari 2023 van P.G.H. Albert, BNB 2023/40, Redactie Vakstudie Nieuws, V-N 2023/4.7, G.T.K. Meussen, FED 2023/46, J.W.M. Verbaarschot, NLF 2023/0254 en M. Jansen, NTFR 2023/122.
4.Zie de noot van P.G.H. Albert bij het arrest van 13 januari 2023, BNB 2023/40 en de noot van Redactie Vakstudie Nieuws bij het arrest van 13 januari 2023, V-N 2023/4.7.
5.Vgl. E.J.W. Heithuis, WFR 2018/46.
6.Zie Hoge Raad 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744.
8.Vgl. C.B. Bavinck, WFR 2018/9, E.J.W. Heithuis, WFR 2018/46 en G.C. van der Burgt, WFR 2022/168.
9.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:615.
12.Zie de noot van G.T.K. Meussen bij het pensioenarrest, BNB 2019/67, en C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse in WFR 2023/126.
13.Afgezien van de toepassing van de met ingang van 1 januari 2023 ingevoerde regeling met betrekking tot excessief lenen, zie C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse in WFR 2023/126.
14.Zie de noot van P.G.H. Albert bij het arrest van 13 januari 2023, BNB 2023/40 en C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse in WFR 2023/126 en vgl. Hoge Raad 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735.
15.C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse in WFR 2023/126.
16.Hoge Raad 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8475.
17.Zie o.a. Hoge Raad 27 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8152.
18.Hoge Raad 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2160.
19.Hoge Raad 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8092.
20.Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566.
21.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
22.1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.