Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
tempus regit actum); naderhand ingetreden feiten (zoals een mogelijk nadien opgebouwde band met Nederland) hebben daar geen invloed op. Het destijds gerechtvaardigde onderscheid kan niet met terugwerkende kracht alsnog ongerechtvaardigd zijn. De ex-post-benadering van de CRvB vindt geen steun in de recht-spraak van het EHRM of het HvJ EU en verdraagt zich niet met het verzekeringskarakter van de AOW, nu de belanghebbende geen premies heeft betaald in de litigieuze periode; hij was immers niet verzekerd. Ook overigens heeft de CRvB de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever op het gebied van de sociale zekerheid miskend, aldus de SVB.
wide margin of appreciationheeft, zoals het sociale-verzekeringsrecht, waarbinnen de wetgever genoodzaakt is categorieën te onderscheiden, moet de rechter terughoudend zijn en de systeemkeuze van de wetgever in beginsel respecteren, tenzij die keuze manifest onredelijk is omdat het systeem zelf niet deugt (discrimineert) in het licht van de doelstelling van het stelsel. Die
systeemkeuze moet binnen de (ruime) beoordelingsvrijheid van de wetgever blijven; aan individuele toetsing komt het EHRM in beginsel niet toe.
defaultinvulling van het criterium inwonerschap, dat niet op basis van de gewone inwonerschaps-criteria ingevuld kan worden bij gebrek aan woonplaats in de normale zin (aan wal). Woonplaats is een onverdacht criterium voor sociale zekerheidsrechten en -plichten. Nationaliteit speelt pas een rol als er op basis van
feitelijkinwonerschap niet uit valt te komen in welk land de betrokkene woont. Het gaat dus niet zozeer om onderscheid naar nationaliteit, maar in de eerste plaats naar ingezetenschap. Dat is geen onvervreemdbare persoonlijke eigenschap zoals sekse of ras, zodat voor onderscheid naar dat criterium geen
very weighty reasonsvereist zijn. De daarmee ruime beoordelingsvrijheid van de Besluitgever brengt dan mee dat zolang het onderscheidingscriterium op zichzelf proportioneel (adequaat) is en de groep als geheel niet discrimineert, de rechter niet hoeft na te gaan of de categorisering in elk individueel geval de doelstelling van de regeling precies realiseert, als de regeling als geheel maar een voldoende mate van
fitheeft (niet teveel
overinclusivenessof
underinclusivenessvertoont). De CRvB heeft mijns inziens ten onrechte, nadat hij de regeling op zichzelf in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel had geoordeeld, beoordeeld of de uitsluiting in de specifieke situatie van de belanghebbende wel proportioneel was. Het EHRM-arrest
Wessels-Bergervoetmaakt dat niet anders, nu dat arrest wél een rechtstreeks en primair onderscheid naar een verdacht criterium (geslacht) betrof, zodat in die zaak de groepsafbakening in abstracto al niet deugde, en overigens ook niet in enige eerdere periode gerechtvaardigd was geweest.
Wieland en Rothwangl. De eerste vraag in die zaak, over art. 94(2) Vo. 1408/71 (samentellen van pre-Verordeningstijdvakken), is mijns inziens in belanghebbendes zaak niet van belang. Art. 94(2) Vo. 1408/71 kan er niet toe leiden dat de periode 1 mei 1964 - 1 juni 1968, toen Portugal geen lid was van de EU en de belanghebbende bovendien geen verzekerde tijdvakken vervulde op het grondgebied van enige lidstaat, alsnog wordt aangemerkt als verzekerd.
acte clairof
éclairé. Het verdient daarom mijns inziens aanbeveling belanghebbendes zaak aan te houden tot na beantwoording door het HvJ EU van de vragen van de CRvB in de zaak
Wieland en Rothwangl.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM. De rechtvaardiging bestond volgens de Rechtbank destijds in de tijdelijkheid van het wonen en werken aan boord van Nederlandse zeeschepen en de ongewenstheid van het laten ontstaan van korte verzekeringstijdvakken.
wide margin of appreciationniet overschreden. De SVB merkte op, met verwijzing naar een eerdere uitspraak van de CRvB, dat deze zelf heeft geoordeeld:
Wessels-Bergervoet [6] ging over onderscheid naar geslacht waarvan niet bleek dat het op enig moment wél geoorloofd was geweest.
werknemersverzekeringen wél gerechtvaardigd achtte. De CRvB achtte dat een ander geval:
3.Het geding in cassatie
tempus regit actum); naderhand ingetreden
feitenhebben daar geen invloed meer op. De belanghebbende had in de periode 1 mei 1964 - 1 juni 1968 geen bestendige territoriale band met Nederland, zodat het onderscheid gerechtvaardigd was. Niet-Nederlandse zeelieden zonder woonplaats aan wal en Nederlandse zeelieden zonder woonplaats aan wal waren niet vergelijkbaar voor wat betreft hun band met de Nederlandse rechtssfeer. De mogelijkheid dat zo’n band later opgebouwd wordt of verloren gaat, doet niet af aan (de te respecteren redelijke veronderstelling van) die toen bestaande niet-vergelijkbaarheid. Als er al ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen was, was zij gerechtvaardigd en is zij dat ook nadien gebleven. Een gerechtvaardigd onderscheid kan niet met terugwerkende kracht zijn rechtvaardiging alsnog verliezen. De aan- of afwezigheid van ongerechtvaardigde discriminatie kan niet afhangen van het doen of laten van de desbetreffende schepelingen zonder woonplaats aan wal in een andere tijdspanne. Toekenning van AOW over niet-verzekerde tijdvakken zou juist andere niet-Nederlandse zeelieden discrimineren die zich in de op verzekeringsplicht te beoordelen periode in dezelfde situatie bevonden als de belanghebbende.
ex post-benadering van de CRvB vindt volgens de SVB geen steun in de rechtspraak van het EHRM of het HvJ EU. In de zaak
Wessels-Bergervoet [8] voor het EHRM en de zaak
Verholen [9] voor het HvJ EG moesten vanaf de inwerkingtreding van nieuwe (nondiscriminatie)regels de gevolgen van de oude (nondiscriminatie)regels zoveel mogelijk worden geëlimineerd. Die zaken betroffen dus overgangsrecht: onmiddellijke toepassing van de nieuwe antidiscriminatie
regels. Uit die arresten volgt geenszins dat een onder de oude regels gerechtvaardigd onderscheid door nadien ingetreden
feitenalsnog discriminatoir kan worden. Ook het arrest
Kauervan het HvJ EG ging over iets anders, nl. de invloed van het gemeenschapsrecht op vóór toetreding van Oostenrijk tot de EU ontstane pensioenrechten en biedt evenmin steun aan de
ex post-benadering van de CRvB.
ex post-benadering op grote praktische bezwaren zou stuiten is volgens de belanghebbende niet vol te houden. De CRvB heeft op basis van de beschikbare feiten al kunnen vaststellen dat de belanghebbende zich sinds 1964 in de Nederlandse rechtssfeer bevindt. Voor vergelijkbare beperkende bepalingen (onderscheid tussen man en vrouw) heeft de SVB de praktische bezwaren reeds losgelaten. De belanghebbende heeft zich bij verweer voorts beroepen op EU-recht.
4.De regels
.ten aanzien van echtgenoten van ingezetenen, die krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, welke tussen Nederland en een of meer andere Mogendheden van kracht is, niet ingevolge deze wet verzekerd zijn.”
5.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Verholen [19] van het HvJ EG met een beroep op die richtlijn de doorwerking van de in 5.4 bedoelde uitsluiting bij de latere bepaling van de uitkeringshoogte voorkomen voor zover de korting wegens niet-verzekerd-zijn zag op AOW-uitkeringen verschuldigd geworden ná de implementatietermijn van die richtlijn op 23 december 1984. Daarmee ontstond een verschil in doorwerking van de uitsluiting van AOW-verzekering: vrouwen die zich op EG-recht konden beroepen, kregen geen korting voor niet-verzekerde jaren, andere vrouwen wel. Of het verschil ter zake van de toepassing van de korting tussen die twee groepen vrouwen het gelijkheidsbeginsel schond, kon u niet beoordelen als gevolg van de beperkte cassatiegronden: [20]
toepassing van de kortingniet aan het gelijkheidsbeginsel toetsen:
de uitsluiting van de verzekeringin de betrokken tijdvakken in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
toepassen van de kortingvoor de vast staande niet-verzekerde jaren het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, lag echter buiten uw beoordeling:
voortvloeit uit de uitsluiting van de verzekeringvoor de jaren in geding niet in strijd is met enige internationaalrechtelijke bepaling (r.o. 4.7). Hij maakt niet duidelijk dat de belanghebbende zou zijn gediscrimineerd
bij het toepassen van de kortingin verband met niet-verzekerde jaren, met name niet ten opzichte van welke anderen of op welke grond.
Toetsing van wetgeving (abstract) of van individuele toepassing (concreet) aan het discriminatieverbod
überhauptop basis van individuele situaties van verzekerden getoetst moet worden; of onderzocht moet worden of een op redelijke en objectieve veronderstellingen gegronde rechtvaardiging (onvoldoende band met Nederland) in een individueel geval ook daadwerkelijk opgaat.
Ždanoka v. Latvia [34] en
Ādamsons c. Lettonie, [35] betroffen uitsluiting uit het passieve kiesrecht van bepaalde personen; in de eerste zaak de personen die na 13 januari 1991 (de dag waarop communisten een mislukte staatsgreep deden in de Baltische staten) actief hadden geparticipeerd in de activiteiten van de Communistische Partij; in de tweede zaak alle voormalige KGB-agenten. In beide gevallen werd geklaagd over schending van art. 3 Protocol Pro I EVRM (recht op vrije en geheime verkiezingen). In het eerste geval volstond het Hof met abstracte toetsing (dus zonder dat de gerechtvaardigdheid van de afwijkende behandeling in elk individueel geval beoordeeld hoeft te worden) omdat de uitsluiting als het ware zichzelf verklaarde door de afbakening van de uitgesloten groep in het licht van de ratio van de uitsluiting:
Ādamsons c. Lettonie) daarentegen toetste het EHRM concreter. Hoewel bij toetsing aan art. 3 Protocol Pro I EVRM met minder individualisering volstaan kan worden dan bij toetsing aan art. 8 (persoonlijke levenssfeer) en art. 11 (vereniging en vergadering) EVRM, is het nooit de bedoeling geweest om de eis van individualisering te laten vallen. Een wettelijke uitsluiting die geen individuele toetsing toelaat kan door
overinclusivenessde proportionaliteitseis schenden:
Ždanoka, waarin « la catégorie des personnes inéligibles » door de wetgever « clairement et précisément » was omschreven, kon daarom in
Ādamsonsniet volstaan worden met nagaan of de betrokkene tot de wettelijk omschreven groep behoorde, nu die wettelijke afbakening niet adequaat was (« ce groupe est défini d’une manière trop générale »), maar moest individueel gedrag beoordeeld worden (zoals ook in
Ždanoka, op grond van de in die zaak wél adequate categorisering).
Burden and Burden v. UK [36] betrof toetsing van de vrijstellingen in de Britse successiewet aan art. 14 EVRM Pro (discriminatieverbod). Twee samenwonende zusters voorzagen dat de langstlevende van hen het huis waarin zij woonden zou moeten verkopen om de bij het overlijden van de ander verschuldigde erfbelasting te kunnen betalen. Voor gehuwden en als-in-een-huwelijk-samenwonenden gold een vrijstelling die de langstlevende in staat stelde in het voorheen gemene huis te blijven wonen. De zusters konden van die vrijstelling geen gebruik maken en achtten zich daardoor gediscrimineerd. (De kamer van) het EHRM benadrukte dat belastingsystemen onvermijdelijk onderscheid maken tussen verschillende groepen belastingplichtigen en dat bij implementatie altijd grensgevallen zullen ontstaan. Hij achtte de
wide margin of appreciationniet overschreden:
Stec and others v. UK [38] uit 2006 betrof zo’n verdacht onderscheid in een sociale-zekerheidszaak. Het VK maakte onderscheid naar geslacht bij de duur van uitkeringen tot compensatie van verlies aan verdiencapaciteit door een bedrijfsongeval of beroepsziekte. De
Grand Chamberzette het toetsingskader uiteen en overwoog dat zij in sociale-zekerheidszaken bij toetsing aan art. 14 EVRM Pro
junctoart. 1 Protocol Pro I EVRM in beginsel de
policy choicevan de nationale wetgever zal respecteren, behalve als die
manifestly without reasonable foundationis:
Stec a.o.sloot aan bij de pensioneringsdatum, die (vroeger) uiteenliep voor mannen en vrouwen. Het EHRM toetste of het onderscheid
unreasonablewas dan wel viel binnen de
margin of appreciation(de term ‘
wide’ bleef achterwege). Het EHRM geeft de wetgever dus ook bij toepassing van verdachte onder-scheidingscriteria enige beoordelingsvrijheid, en hij laat toe dat een door maatschappelijke ontwikkelingen geleidelijk ontoelaatbaar wordend onderscheid naar geslacht ook geleidelijk wordt opgeheven, mede in verband met vergaande economische consequenties:
Luczak v. Poland [39] ging over een Fransman van Poolse afkomst die in Polen boer werd. Uitsluitend op basis van zijn nationaliteit werd hij uitgesloten uit het Poolse speciale sociale-zekerheidsstelsel voor boeren. Het EHRM achtte hier de
margin of appreciation(opnieuw ontbrak de aanduiding
wide) wél overschreden bij gebrek aan zichtbare
weighty reasons:
Andrejeva v. Latviabetrof mevrouw Andrejeva
,die sinds 1954, toen zij twaalf jaar was, in Letland (tot 1991 een Sovjetrepubliek) woonde. Van 1 januari 1973 tot 21 november 1990 werkte zij in Letland voor instellingen gevestigd buiten Letland (Kiev en Moskou). In 1991 werd zij stateloos omdat de Sovjetunie ophield te bestaan. In 1997 vroeg zij de Letse evenknie van de SVB om haar staatspensioen te berekenen. Voor niet-Letten werd alleen rekening gehouden met werkperioden ‘in Letland’, waarbij werken in Letland voor instellingen gevestigd buiten Letland niet meetelde als ‘werken in Letland’. Voor Letten daarentegen telden ook mee werkperioden buiten Letland. Bij Andrejeva telde de genoemde periode daarom niet mee. Beslissend was niet de nationaliteit in de werkperiode, maar die ten tijde van de aanvraag; als Andrejeva zich alsnog liet naturaliseren tot Letse, zou zij over de genoemde periode alsnog recht verkrijgen op staatspensioen. Het Hof overwoog:
broad’) beoordelingsvrijheid:
Carson [40] werd door het EHRM in
Grand Chamberbeslist. Die zaak betrof dertien Britten die waren gaan wonen in landen (Zuid-Afrika, Canada en Australië) waarmee het Verenigd Koninkrijk (VK) geen bilaterale afspraken had over sociale zekerheid. De klagers hadden perioden in het VK gewoond en gewerkt waarin zij premies hadden betaald aan het Britse
National Insurance Fund. Het staatspensioen uit dit fonds was voor inwoners waardevast, terwijl voor buiten het VK wonende Britten geen indexatie gold, tenzij zij woonden in een land waarmee het VK wederzijdse sociale-zekerheidsafspraken had gemaakt waarvan indexatie onderdeel was. De klagers achtten zich gediscrimineerd op grond van hun status van niet-inwoners. Opnieuw overwoog het EHRM dat sociale-zekerheidswetgeving om praktische redenen mag categoriseren. Zulke wetgeving wordt onder art. 14 EVRM Pro in beginsel niet op individuele effecten, maar op systeem beoordeeld:
Stec and Others, cited above, §§ 50-67;
Burden, cited above, §§ 58-66;
Andrejeva v. Latvia[GC], no. 55707/00, §§ 74-92, ECHR 2009-...). Much is made in the applicants' submissions (…) of the extreme financial hardship which may result from the policy not to up-rate pensions and of the effect that this might have on the ability of certain persons to join their families abroad. However, the Court is not in a position to make an assessment of the effects, if any, on the many thousands in the same position as the applicants and nor should it try to do so. Any welfare system, to be workable, may have to use broad categorisations to distinguish between different groups in need (see
Runkee and White v. the United Kingdom,nos. 42949/98 and 53134/99, § 39, 10 May 2007). As in the cases cited above, the Court's role is to determine the question of principle, namely whether the legislation as such unlawfully discriminates between persons who are in an analogous situation.”
7.Abstract of concreet toetsen in belanghebbendes zaak?
wide)
margin of appreciationtoekomt, waarbij categorisering als onvermijdelijk wordt beschouwd en waarbij in beginsel het
systeemgetoetst wordt op verenigbaarheid met het discriminatieverbod en niet de individuele effecten. De
margin of appreciationis beperkter naarmate de wetgever onderscheid meer baseert op een verdacht criterium, waaronder ook nationaliteit valt, maar ook dan heeft de sociale-zekerheidswetgever enige beoordelingsvrijheid; wel moet hij de door hem onderscheiden groepen justitiabelen afbakenen op basis van in het licht van de ratio van de regeling relevante criteria: de categorisering moet voldoende
fitvertonen tussen het doel van de regeling en de definitie van de normaddressaat: weinig
underinclusiveness; weinig
overinclusiveness. Is er onvoldoende
fit, zoals in de zaak
Ādamsons, dan lijkt het EHRM over te stappen op individuele beoordeling. Uit de zaken
Luczaken
Carson a.o.volgt voorts dat uitsluiting van een bepaalde groep van bepaalde sociale-zekerheidsregelingen meer aanvaardbaar is als die groep niet door middel van premie- of belastingbetaling bijdraagt of heeft bijgedragen aan de financiering ervan, en minder aanvaardbaar is als die groep wél bijdraagt of heeft bijgedragen aan die financiering.
default modeals alle andere, voor woonplaatsbepaling preponderante woonplaatscriteria niet werken omdat de betrokkene geen woon
plaatsheeft, maar de wereldzeeën bevaart. Nationaliteit is dan het enige overblijvende criterium dat duidelijk wijst op een duurzame band van persoonlijke aard met een bepaald land.
Luczak v. Poland(zie 6.13) en
Andrejeva v. Latvia(zie 6.14). Anders dan Luczak en Andrejeva, was de belanghebbende immers
feitelijkgeen inwoner (hij was juist
niet‘permanently resident’) en droeg hij niet bij door premiebetaling. Luczak was Pools ingezetene en droeg als zodanig bij aan de financiering van het sociale-zekerheidsstelsel voor boeren (r.o. 55); Andrejeva was inwoner van Letland en bovendien staatloos, waardoor dat land de enige staat was waarmee zij stabiele juridische banden had, terwijl van haar ‘social tax’ was geheven “regardless of national origin or place of birth” (r.o. 88). Aan boord van een weliswaar Nederlands zeevaartuig wonende vreemdelingen zijn
feitelijkjuist géén inwoner en hebben juist niet bijgedragen aan de financiering van de AOW. Bij schepelingen/vreemdelingen zonder woonplaats aan wal is het niet onredelijk te veronderstellen dat zij geen of hoogstens een zeer zwakke band met Nederland hebben (slechts de toevallige thuishaven van het schip waarop zij werken), en een sterkere band met hun nationaliteitsstaat. Juist hun nationaliteit lijkt voor hen de enige duurzame band van persoonlijke aard met enig land te zijn; een zeer adequaat criterium dus.
Carson and others,ter zake van wie het EHRM opmerkte (r.o. 86; zie 6.15) dat zij niet konden klagen over hun uitsluiting uit de Britse uitkeringsindexering, onder meer niet omdat zij “as non-residents do not contribute to the United Kingdom’s economy; in particular, they pay no United Kingdom tax to offset the cost of any increase in the pension (…).” Zoals opgemerkt, achtte het Hof, andersom, in de zaak
Luczakdiens uitsluiting ongerechtvaardigd onder meer omdat “the applicant, (…), supported the farmers' scheme through the payment of taxes, as did any Polish national.”
very weighty reasonsvereist zijn. Het is voor een nationaal sociale-zekerheidsstelsel juist een adequaat criterium. De vraag is dan ook zelfs of ingezetenen en niet-ingezeten die niet bijdragen aan dat stelsel
überhauptvergelijkbaar zijn (zie de zaak
Carson a.o.in onderdeel 6.15 hierboven). Het Hof van Justitie van de EU acht inwoners en niet-inwoners voor de directe belastingen in beginsel geen gelijke gevallen. [46] Nu nationaliteit in casu fungeert als meest subsidiair woonplaatsaanwijzend criterium (c.q. als woonplaatsvervangend criterium bij gebrek aan woonplaats), komt de Besluitgever een ruime beoordelingsvrijheid toe en komen wij aan individuele beoordeling niet toe als de groepsafbakening correct is (proportioneel in het licht van de legitieme doelstelling van de regeling: relevant en
inclusive). Zolang het wettelijke onderscheid de groep of categorie als geheel niet discrimineert, hoeft de rechter niet na te gaan of de bestreden regeling ook proportioneel is in het licht van de individuele omstandigheden van het geval (zie 6.8,
Ždanoka v. Latvia, r.o. 114, en 6.15,
Carson a.o. v. UK, r.o. 62).
Stec and others, Luczaken
Andrejevadat een
margin of appreciationbestaat, zij het een smallere, en dat de toets nog steeds op categorieniveau wordt aangelegd, zij het strenger. Zolang de wettelijke onderscheiding op zichzelf proportioneel is in het licht van het legitieme doel en niet discrimineert jegens de groep, kan de taak van de rechter beperkt worden tot onderzoek of de justitiabele behoort tot de groep. Zoals gezegd (7.10): nationaliteit is in casu een adequaat criterium voor de bepaling van een duurzame band van persoonlijke aard met enig land.
under- of
overinclusivenessvertoonde). Door individueel te toetsen creëert de CRvB juist een lastig te rechtvaardigen onderscheid: zoals Van Everdingen in USZ 2014/205 schreef onder de uitspraak van de CRvB:
8.Toepassing: toetsing in abstracto van de regeling aan het gelijkheidsbeginsel
Wessels-Bergervoetacht ik niet van belang, nu het in die zaak ging om een groepsafbakening die op zichzelf al manifest rechtstreeks en uitsluitend discrimineerde naar het verdachte criterium geslacht, hetgeen niet op enig moment gerechtvaardigd of adequaat voor het beoogde doel werd geacht.
9.EU-recht
Wieland en Rothwangl): [48]
Wieland en Rothwangl,moet afwachten.
niet‘op het grondgebied van een andere lidstaat’ vervuld. Hij werkte en woonde uitsluitend aan boord van een Nederlands schip.
nietverzekerd was). Die bepaling zorgt slechts dat breuken in de opbouwperiode als gevolg van migratie geen negatieve invloed hebben op de toegang tot en de
pro rataberekening van het pensioenrecht in de lidstaat van pensioenaanvraag: tijdvakken die verzekerd waren in een Staat die toen nog geen lid was, mogen na toetreding niet genegeerd worden als de toegang tot of de hoogte van het pensioen afhangt van een minimum aantal aaneengesloten verzekerde tijdvakken (wachtperioden). Zelfs als dat van belang zou zijn voor de belanghebbende (
quod non: hij heeft in de litigieuze periode immers juist géén verzekerde tijdvakken op het grondgebied van enige andere Staat vervuld), dan nog zou hij daar niets aan hebben, nu AOW-pensioen op grond van nationaal recht reeds volledig naar rato van verzekerde jaren wordt uitgekeerd en geen wachtperioden als toegangsvoorwaarde kent.
Kauervan het HvJ EU gaat mijns inziens slechts over samentelling van tijdvakken voor de toegang tot of de
pro rataberekening van pensioen, en zet niet met terugwerkende kracht niet-verzekerde tijdvakken om in wél verzekerde tijdvakken. Het hieronder (9.29-9.31) te bespreken arrest
Verholenlijkt dat wél te doen, maar dat arrest betreft in wezen onmiddellijke werking van een verbod op discriminatie naar (onveranderd) geslacht, terwijl het bij de belanghebbende gaat om de overgang, in 1986, van een toegestane ongelijke behandeling van derdelanders (Portugezen vóór toetreding) naar een verboden ongelijke behandeling van Unieburgers (Portugezen na toetreding). Dat in 1986 dat verbod intrad, bracht niet mee dat het voorheen toegestane onderscheid tussen niet-Unieburgers en Unieburgers alsnog met terugwerkende kracht verboden werd vóór 1986, toen de verkeersvrijheden überhaupt niet van toepassing waren.
Wieland en Rothwanglaf te wachten. Met name de rol van primair EU-recht (vraag 2 van de CRvB) is echter wellicht geen
acte clairof
éclairé. Ik werk daarom het EU-rechtelijke beoordelingskader hieronder uit.
pro ratatoekenning). De tijdvakken die een lidstaat
als verzekerdin aanmerking moet nemen, veranderen daardoor niet, maar in andere Staten vervulde tijdvakken kunnen wel van invloed zijn op de hoogte van het ouderdomspensioen dat
over die verzekerde jarenmoet worden toegekend. In andere Staten vervulde tijdvakken kunnen breuken in de verzekeringsperiode door grensoverschrijding opvullen indien het ontstaan van het recht op of de hoogte van de (pro rata) uitkering afhangt van een minimum aantal aaneensluitende
verzekerdetijdvakken. Van der Steen beschrijft dit effect als volgt: [52]
nietmeegeteld als verzekerd in Duitsland (art. 46 Vo Pro. 1408/71, thans art. 52 Vo Pro. 883/2004; zie 9.11). [55]
Paraschi [56] over dezelfde bepaling in Vo. 1408/71:
Belbouabging over de vraag of een in Algerije geboren Fransman, die vanaf 26 mei 1961 in Duitsland werkte, via art. 94(2) Vo. 1408/71 (thans art. 87(2) Vo. 883/2004) kon bewerkstelligen dat voor de wachttijd voor aanspraak op een Duits mijnwerkerspensioen de jaren mee zouden tellen waarin hij als Frans onderdaan in Frankrijk had gewerkt, hoewel op 1 juli 1962 (onafhankelijkheid Algerije) zijn Franse nationaliteit was veranderd in de Algerijnse. Vo. 1408/71 (thans Vo. 883/2004) eist, zoals boven bleek, dat de werknemer onderdaan is van een lidstaat. Het Hof van Justitie overwoog dat:
Kauer, [59] betrof de vraag of het recht van de Oostenrijkse mevrouw Kauer op Oostenrijks ouderdomspensioen mede werd bepaald door tijdvakken van opvoeding van haar kinderen die zij in België had vervuld vóór toetreding van Oostenrijk tot de EU. Had zij die opvoedtijdvakken in Oostenrijk vervuld, dan zouden zij als in Oostenrijk verzekerde tijdvakken hebben gegolden. De vraag of de in België vervulde tijdvakken als verzekerd golden, was kennelijk van belang voor de
pro rataberekening en voor de ‘opening’ van haar uitkeringsrecht (zie 9.11): uit de landeninformatie van het Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie blijkt dat voor aanspraak op Oostenrijks ouderdomspensioen ‘qualifying periods’ van minstens 180 maanden vervuld moeten zijn. [60]
Kauerwordt dat bepaald door nationaal recht:
pro rataberekening van die uitkering. Ook na 1 januari 1994 zou het voor buitenlanders met in het buitenland vervulde opvoedingstijdvakken onaantrekkelijker zijn om in Oostenrijk te werken dan voor Oostenrijkers. Oostenrijkers zouden over de periode ná toetreding
pro rataeen hoger recht op bouwen dan niet-Oostenrijkers. De vóór toetreding vervulde perioden zouden voor de migranten immers geen positieve invloed hebben op de opbouw van ouderdomspensioen in de periode na toetreding.
openingvan het recht op uitkering of bij de berekening van de
pro-rata-uitkering, en niet meebrengt dat een vóór inwerkingtreding van EU-recht in Oostenrijk niet verzekerd tijdvak alsnog als in Oostenrijk verzekerd gaat gelden. Het Hof vervolgt zijn arrest dan ook met verwijzing naar art. 94(1) Vo. 1408/71 (thans art. 87(1) Vo. 883/2004). Daaruit maak ik op dat het Hof niet bedoelt dat de Belgische opvoedtijdvakken als
in Oostenrijkverzekerende tijdvakken moeten worden beschouwd, maar slechts dat zij voor de Oostenrijkse wachttijdbeoordeling en de pro rata berekening gelijkgesteld moeten worden met in het buitenland verzekerde tijdvakken. De beslissing houdt dus niet meer in dan dat Oostenrijk migranten discrimineerde doordat inwonerschap voldoende was voor verzekering van opvoedtijdvakken, behalve voor migranten, die aan extra voorwaarden moesten voldoen.
RSV2002/180) daarentegen lijkt
Kauerop te vatten als inhoudende dat de Belgische tijdvakken niet alleen (op grond van Vo. 1408/71 (thans Vo. 883/2004)) meetellen voor de opening van het recht op uitkeringen of de pro rata berekening, maar óók (op grond van primair EU-recht) als
in Oostenrijkverzekerde tijdvakken moeten worden beschouwd voor de vaststelling van de hoogte van het Oostenrijkse ouderdomspension. Ook Van der Steen maakt uit
Kauerkennelijk op dat de Belgische opvoedjaren niet alleen voor de wachttijd meetellen, maar ook als
in Oostenrijk verzekerdgelden: burgers die hun lidstaat verlaten houden volgens hem recht op de sociale voordelen die zij zouden hebben ontvangen als zij waren blijven wonen in die lidstaat: [63]
Verholen [64] houdt wél in dat EU-recht invloed kan hebben op een vóór de toepasselijkheid van dat recht geldende uitsluiting van AOW-verzekering op grond van geslacht. In die zaak overwoog het HvJ EU dat de gevolgen van oudere, met een nieuwe EU-Richtlijn onverenigbare nationale wetgeving niet in het heden mogen doorwerken:
Verholen: [65]
Verholenin dat in wezen de op art. 6 AOW Pro gebaseerde, destijdse uitsluiting van verzekering met een omweg getoetst wordt aan EU-recht dat ten tijde van die uitsluiting niet gold, en gaat het dus om de in cassatie toetsbare invloed van EU-recht op art. 6 AOW Pro. Art. 13 AOW Pro onderscheidt slechts naar verzekeringsduur en houdt slechts een werktuigelijke korting in. Wie zegt dat die bepaling discrimineert, zegt mijns inziens in wezen dat er bij de bepaling van de verzekeringsduur wordt gediscrimineerd, dus dat art. 6 AOW Pro en de daarop gebaseerde Besluiten discrimineren.
Verholenaan de orde was, is mijns inziens van andere aard dan onderscheid naar nationaliteit, omdat er door toetreding tot de EU wel iets aan de nationaliteit, maar niet aan het geslacht van de betrokkene verandert: de betrokkene wordt van niet-Unieburger Unieburger. Een vroeger gemaakt onderscheid naar sekse daarentegen blijft ook na toetreding of na inwerkingtreding van secundair EU-recht hetzelfde onderscheid naar sekse, zodat doorwerking van dat onderscheid naar het heden een contemporaine discriminatie naar geslacht oplevert: getoetst aan de regels van
nuis (ook) het onderscheid van
toen(alsnog) een verboden discriminatie. Dat is anders bij onderscheid naar nationaliteit: door de toetreding van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, verandert een toen rechtmatig uitgesloten niet‑Unieburger in een Unieburger. Het verbod op onderscheid naar nationaliteit geldt slechts “[b]innen de werkingssfeer van de Verdragen” (art. 18 VwEU Pro), zodat discriminatie van niet-Unieburgers niet verboden is. Vóór toetreding waren deze onderdanen geen Unieburgers. Vóór toetreding c.q. inwerkingtreding van EU-antidiscriminatiewetgeving waren gediscrimineerde vrouwen echter wel degelijk reeds vrouw. Een vroegere rechtmatige uitsluiting van een toen niet-Unieburger daarentegen wordt mijns inziens niet alsnog nu, na toetreding, een discriminatie van een Unieburger. Het
destijdseonderscheid tussen Unieburgers en niet-Unieburgers is, ook getoetst aan de regels van
nu, thans geen verboden discriminatie; het onderscheid naar nationaliteit is pas een discriminatie geworden op het moment van intreden van het Unieburgerschap.
Verholenbetreft in wezen onmiddellijke werking van een verbod op discriminatie naar (onveranderd) geslacht, terwijl het bij de belanghebbende zou gaan om de overgang, in 1986, van een toegestane ongelijke behandeling van derdelanders (Portugezen vóór toetreding) in een verboden ongelijke behandeling van Unieburgers (Portugezen na toetreding). Dat in 1986 dat verbod intrad, bracht niet mee dat het voorheen toegestane onderscheid tussen niet-Unieburgers en Unieburgers alsnog met terugwerkende kracht verboden werd vóór 1986, toen de verkeersvrijheden überhaupt niet van toepassing waren.
10.Relevantie van de door de CRvB gestelde vragen in belanghebbendes zaak
niet-verzekerde tijdvakken achteraf met terugwerkende kracht alsnog wél verzekerd geraken.
Kaueracht ik niet relevant omdat het er in die zaak om ging in welke tijdvakken kinderen waren opgevoed en er wel degelijk opvoedtijdvakken waren aan te wijzen, zij het niet op Oostenrijks grondgebied, terwijl die buitenlandse jaren bovendien niet alsnog als
in Oostenrijk verzekerdejaren golden, maar slechts meetelden voor de Oostenrijkse wachtperiode van 180 maanden. In belanghebbendes geval daarentegen gaat het er om of hij in een bepaald tijdvak naar Nederlands recht verzekerd was. Dat was hij
niet, en van vervulling in een andere lidstaat (al dan niet
to be) was evenmin sprake (de belanghebbende woonde en werkte immers in de litigieuze periode uitsluitend op een Nederlands schip). De CRvB lijkt dat ook onderkend te hebben in de zaak
Wieland en Rothwanglwaarin hij de boven geciteerde prejudiciële vragen heeft gesteld:
Wieland en Rothwanglstelde, luidde: schendt de destijds correcte uitsluiting van niet-Nederlanders wegens ontbreken van woonplaats aan wal in Nederland thans, na toetreding van de nationaliteitsstaat tot de EU (alsnog) de art. 18 en Pro 45 VWEU? Hoewel ik meen dat ook primair EU-recht slechts van toepassing kan zijn op rechtenopbouw ná toetreding van de desbetreffende lidstaat (zie 9. 24 en 9.26), is dat wellicht geen
acte clairof
éclairé.
Wieland en Rothwanglis het voor dat college niet
clairof
éclarédat in een geval als dat van de belanghebbenden het EU-recht er niet toe kan leiden dat een niet-verzekerd tijdvak – gelegen in een periode waarin het EU-recht niet van toepassing was – achteraf alsnog verandert in een verzekerd tijdvak op grond van hat nadien alsnog ontstaan van voldoende band met Nederland. Dat staat wellicht in de weg aan het zelf afdoen van de zaak. In HR BNB 2014/127 [67] heeft u het HvJ EU immers gevraagd wat te doen als de interpretatie van het EU-recht volgens u duidelijk is, maar een Gerechtshof dat niet vindt en er prejudiciële vragen over gesteld heeft:
Van Dijk).
Van Dijken wellicht tot na de antwoorden in de zaak
Wieland en Rothwangl.
11.Conclusie
Van Dijken wellicht ook van die in de zaak
Wieland en Rothwangl.