Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte het feit heeft “medegepleegd” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel kunnen de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring op dit onderdeel niet dragen.
(i) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 28 september 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
tezamen en in vereniging met een anderopzettelijk hennep heeft geteeld, onvoldoende met redenen omkleed. [7]
tweede middelbevat de klacht dat de strafoplegging gelet op art. 359, vijfde lid, Sv en art. 359, zesde lid, Sv onbegrijpelijk is, aangezien de factoren die hebben geleid tot de opgelegde straf en tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf die straf niet kunnen dragen.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.