Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
verrichtenvan de rechtshandeling in strijd is met de wet (lid 2 en 3) en gevallen waarin de
inhoudof de
strekkingvan de rechtshandeling (bijv. de prestatie waartoe men zich bij overeenkomst heeft verbonden) in strijd is met de wet, om welke reden de rechtshandeling in strijd kan zijn met de openbare orde of de goede zeden (lid 1) [4] . Het onderbrengen van een concreet geval in één van beide categorieën kan problematisch zijn en het is zelfs de vraag of beide categorieën wel van elkaar zijn te onderscheiden [5] . Zoals hierna nog zal blijken, verbiedt de Wav het sluiten van een overeenkomst met een verhaalsbeding als het onderhavige als zodanig niet. De inhoud en de strekking van het beding, namelijk het verhaal van een bestuurlijke boete op een medecontractant, komen wellicht wel in strijd met (de aard en strekking van [6] ) de Wav: dat is in deze zaak het discussiepunt.
per sein strijd te zijn met de openbare orde. Blijkens HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609, NJ 2013/172 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, kan niet langer worden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de overeenkomst tot een door de wet verboden prestatie verplicht, meebrengt dat zij een verboden strekking heeft en dus nietig is, ook niet als beide partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van dat wettelijk verbod. Er is namelijk een groot aantal wettelijke verboden, in het algemeen van publiekrechtelijke aard, bij het opstellen waarvan de (hogere of lagere) wetgever niet de privaatrechtelijke gevolgen voor ogen heeft gehad (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1138). Daarom dient de rechter, indien een overeenkomst verplicht tot een door de wet verboden prestatie, in zijn beoordeling of de overeenkomst op die grond in strijd is met de openbare orde in elk geval te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet, en daarvan in de motivering van zijn oordeel rekenschap af te leggen.
reparatoirvan aard zijn, d.w.z. gericht op herstel van de toestand zoals deze rechtens zou moeten zijn [17] , dan wel
punitief, d.w.z. gericht op leedtoevoeging. Het opleggen van een strafrechtelijke of een bestuurlijke boete behoort ongetwijfeld tot de laatste categorie [18] . De toevoeging van leed aan een overtreder kan een of meer doeleinden dienen, zoals: ‘vergelding’ van overheidswege ter voorkoming van eigenrichting; demonstratie van het belang dat de geschonden norm door een ieder daadwerkelijk wordt nageleefd en dat er niet te spotten valt met hetgeen door de overheid is voorgeschreven (‘normbevestiging’ of bevestiging van het overheidsgezag); het voorkómen van een nieuwe schending van de norm door de dreiging die van een strafsanctie uitgaat (speciale en/of generale ‘preventie’). Een combinatie van doeleinden is mogelijk.
strafrechtelijke sancties in aanmerking komen. De minister verwees naar het criterium van de ‘open’ of ‘besloten’ context, zoals dat in een kabinetsnota in 2008 werd geïntroduceerd [23] . Een open context bestaat in situaties waarin burgers en bedrijven zijn gebonden aan voor iedereen en overal geldende rechtsregels. Een besloten context bestaat in situaties waarin een bestuursorgaan bij de uitvoering van zekere wetten te maken heeft met een afgebakende doelgroep en er tussen dit orgaan en die doelgroep verbindingen bestaan ter uitvoering van de wet of ten behoeve van het toezicht op de naleving van wettelijke bepalingen. In een dergelijke besloten context bestaat een voorkeur voor bestuursrechtelijke sanctionering. Het criterium is niet dwingend, het gaat erom dat “de wetgever steeds zijn keuze goed verantwoordt, aan de hand van de rechtseenheid en rechtsgelijkheid maar ook effectiviteit en efficiency [24] .”
Opneming van bestuurlijke boeten in de Wav
Ontbreken van verwijtbaarheid
Beboetbare feiten en hoogte van de boete
Evenredigheid van de boete
eigenovertreding van het verbod in art. 2 lid 1 Wav Pro. Indien tussen de betrokken Wav-werkgevers onderling geen afspraken hieromtrent zijn gemaakt, kan de beboete Wav-‘werkgever’ in de regel het boetebedrag niet verhalen op de partij die de betrokken vreemdeling feitelijk in dienst heeft genomen. Weliswaar levert het in dienst nemen van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning een onrechtmatige daad op – een handeling in strijd met art. 2 lid 1 Wav Pro −, maar dat wil nog niet zeggen dat de handeling onrechtmatig is jegens een ander die óók wordt aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van de Wav. In de rechtspraak wordt aangenomen dat het in dienst nemen van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in beginsel niet een toerekenbare tekortkoming van de opdrachtnemer oplevert in zijn verplichtingen jegens de opdrachtgever [61] . Verhaal van een aan de opdrachtgever opgelegde bestuurlijke boete op de opdrachtnemer (aannemer/onderaannemer) zou alleen mogelijk zijn indien deze verhaalsmogelijkheid uitdrukkelijk is overeengekomen [62] . Dit veronderstelt dat een dergelijke overeenkomst niet
a priorinietig wordt geacht op de voet van art. 3:40 BW Pro [63] .
3.Bespreking van de prejudiciële vraag
feitelijkverantwoordelijk is voor het inschakelen van de buitenlandse werknemer.
de Staatgesteld dat een beding op grond waarvan de negatieve financiële gevolgen van een bestuurlijke boete voor rekening van een ander worden gebracht, in beginsel nietig moet worden geacht wegens strijd met de openbare orde. Onder bijzondere omstandigheden kan volgens de Staat een uitzondering worden aanvaard. De Staat noemt als relevante gezichtspunten [66] :
uiteindelijkniet in zijn vermogen zal treffen gaat weinig preventieve werking uit: de dader behoeft niet benauwd te zijn voor de gevolgen van zijn daad. Deze problematiek speelde ook in de zaak over de snelheidsboetes [68] . Indien de werkgever op grond van regelen van arbeidsrecht gehouden is het bedrag van eventuele snelheidsboeten telkens voor zijn rekening te nemen, ontbreekt voor de bestuurder van het voertuig de financiële prikkel om zich aan de maximumsnelheid te houden. Er kan onder bijzondere omstandigheden reden zijn om de werkgever, als kentekenhouder publiekrechtelijk aansprakelijk, de mogelijkheid te onthouden om de boete voor een snelheidsovertreding op de werknemer/chauffeur te verhalen, bijvoorbeeld indien de werkgever door onbehoorlijke druk uit te oefenen op de werknemer/chauffeur of anderszins zelf heeft bewerkstelligd dat het gaspedaal te diep werd ingedrukt, kortom: indien de werkgever een ernstig verwijt treft.
in beginselontkennend kunnen worden beantwoord.
per saldogeen nadeel van het illegale handelen ondervindt, omdat hij de hem opgelegde bestuurlijke boete geheel kan verrekenen met de aanneemsom, komt hij ermee weg.
intake-advies heb ik de Hoge Raad daarom voorgesteld de vraag op de voet van art. 393 lid 7 Rv Pro te herformuleren [75] :
opleggenvan bestuurlijke boeten aan iedere ‘werkgever’ in de zin van de Wav staat het beding niet in de weg. In tweeërlei opzicht kan een verhaalsbeding afbreuk doen aan de handhaving van het bepaalde in art. 2 Wav Pro: hetzij omdat een financiële prikkel voor de partij die verhaal zoekt wordt weggenomen om zich actief in te spannen door steeds na te gaan of de benodigde tewerkstellingsvergunning is verleend, hetzij omdat de feitelijke mogelijkheden voor het betrokken bestuursorgaan tot verhaal verminderen. Daartegenover staat dat het verhaalsbeding voor de onderste schakel in de keten van opdrachtgevers (nl. de partij op wie verhaal wordt gezocht) een extra financiële prikkel vormt om de wet na te leven. Dat maakt verhaal op een partij die ‘werkgever’ van dezelfde vreemdeling is in de zin van de Wav aanvaardbaar. Over allerlei voorstelbare tussenvormen, zoals bijv. een beding dat voor 40% of 60% van het boetebedrag verhaal mogelijk maakt, zijn in deze zaak geen prejudiciële vragen gesteld. Evenmin gaat de gestelde vraag over de situatie die zich zou kunnen voordoen wanneer een Wav-‘werkgever’, ter voldoening aan zijn verplichting om controle uit te oefenen op de aanwezigheid van een tewerkstellingsvergunning, een externe boekhouder inschakelt of een extern bewakingsbedrijf dat de toegangscontroles bij de poort van het bedrijfsterrein uitvoert, waarna de ‘werkgever’ – indien er toch een zonder vergunning tewerkgestelde vreemdeling blijkt te zijn – de opgelegde boete wil verhalen als schade wegens een toerekenbare tekortkoming van die boekhouder of van dat bewakingsbedrijf.
Conclusie