De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam waarin aan betrokkene een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd van €261.763,13. De verdediging voerde onder meer aan dat de gemaakte kosten van 7% in mindering moesten worden gebracht en dat de overschrijding van de redelijke termijn moest worden gecompenseerd.
Het hof verwierp het kostenverweer wegens gebrek aan onderbouwing en motiveerde onvoldoende de compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof hanteerde een standaardvergoeding van €500 per halfjaar overschrijding, maar trok dit bedrag af van het materiële voordeel dat betrokkene had kunnen genereren door beschikking over het vermogen.
De advocaat-generaal concludeerde dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat de maatstaf voor vergoeding van immateriële schade onjuist was toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had en vernietigde het arrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft. De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot het bij ontnemingszaken geldende maximum van €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij ontnemingszaken grote vrijheid heeft om kosten in mindering te brengen, maar dat een gemotiveerd en gespecificeerd verweer vereist is. Ook wordt benadrukt dat de standaardvergoeding van €500 per halfjaar niet als maatstaf kan gelden. De zaak wordt zelf afgedaan door de Hoge Raad, waarbij het beroep voor het overige wordt verworpen.