Conclusie
eerste middel, gelezen in samenhang met de toelichting, klaagt ten aanzien van feit 4 dat artikel 342, tweede lid, Sv is geschonden, nu de verklaring van de aangeefster niet voldoende wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, althans dat het oordeel van het hof dat aan het in artikel 342, tweede lid, Sv genoemde bewijsminimumvereiste is voldaan, ondeugdelijk is gemotiveerd.
[slachtoffer 1]
tweede middelklaagt ten aanzien van feit 1 dat artikel 342, tweede lid, Sv is geschonden, nu de verklaring van de aangeefster niet voldoende wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, althans dat het oordeel van het hof ondeugdelijk is gemotiveerd.
[slachtoffer 2]
modus operandikunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. [14] De opvatting dat bij de bewijsvoering slechts van zogenoemd schakelbewijs gebruik gemaakt kan worden indien de aan dat bewijs ontleende
modus operandisteunt op de aan meer dan één ander bewezenverklaard feit ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, vindt geen steun in het recht. [15] Evenmin steun in het recht vindt de opvatting dat voor een bewijsvoering met gebruik van schakelbewijs moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. [16] Anders gezegd: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.
modus operandi, de beschreven handelingen te weinig onderscheidend en kenmerkend zijn, dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat [slachtoffer 3] een andere lezing geeft van het misbruik, terwijl daarnaast de wijze waarop en de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] , zoals opgenomen in bewijsmiddel 19, een gissing betreft. Ik meen dat ik kort kan zijn over deze klachten omdat de steller van het middel de door het hof genoemde factoren geïsoleerd benadert, terwijl het hof een groot aantal verschillende factoren die op essentiële punten overeenkomen in samenhang heeft bezien. Het hof heeft daarbij zowel acht geslagen op de context, op de inhoud van verschillende verklaringen en de door het hof vastgestelde feitelijke omstandigheden. Het gebruik van de verklaring van [slachtoffer 1] , die heeft verklaard dat zij een keer bij [slachtoffer 2] de badkamer inliep en daar ook haar vader aantrof waarbij zij “merkte aan de hele sfeer dat er iets was”, moet dan ook eveneens in samenhang bezien worden met de andere gebezigde bewijsmiddelen en is in zoverre dan ook redengevend. Van een ontoelaatbare gissing is geen sprake, in aanmerking genomen dat zij heeft verklaard over gevoelens die bij haar opkwamen toen zij haar vader met haar (pleeg)zus aantrof in een badkamer en zij wist dat haar vader stopte met misbruik als iemand stampend de trap afkwam. [18] Gelet op de selectie- en waarderingsvrijheid stond het het hof bovendien vrij om ten aanzien van de opbouw van het misbruik enkel een parallel te trekken met hetgeen [slachtoffer 3] heeft verklaard.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 7 steunt op onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen, althans dat de bewijsmiddelen deze bewezenverklaring niet kunnen dragen, in het bijzonder voor wat betreft de bewezenverklaarde periode van het tweede cumulatief bewezenverklaarde.
locus delicti, faalt reeds omdat een bewezenverklaarde pleegperiode niet inhoudt dat de verdachte zich gedurende die hele tijd schuldig heeft gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten. [22] Daarbij wijs ik er nogmaals op dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte binnen de bewezen verklaarde pleegperiode meermalen in Rotterdam en/of Uden en/of Veghel ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn dochter.
vierde middelklaagt ten aanzien van de bewezenverklaring voor de feiten 2, 3, 5, 6, 8, 9 en 10 dat op basis van de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat sprake was van “door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht”, “misbruik van een kwetsbare positie” en “uitbuiting”, althans dat ‘s hofs oordeel ondeugdelijk is gemotiveerd, dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
hebbenhij, verdachte en zijn mededader telkens een deel van de verdiensten van [slachtoffer 2] uit prostitutiewerkzaamheden ontvangen.
3. Uitbuiting
money transfers(zie met name bewijsmiddel 36 en 37 [42] ). De hoogte van de bedragen verschilden, maar het kon €1500 euro per week betreffen (bewijsmiddel 31 [43] ). De aangeefsters hebben over hun prostitutiewerk verklaard dat dit hun ‘missie’ was, dat zij beloofd hadden om geld aan hun ouders te geven en dat ze niet durfden te stoppen (zie onder meer bewijsmiddel 29 en 40 [44] ). Indien het geld niet werd overgemaakt, dreigde haar vader geen contact meer op te nemen met hen (bewijsmiddel 31 en 42 [45] ). Indien de (pleeg)ouders erachter kwamen dat de aangeefsters vrienden hadden gemaakt op hun werk, moesten zij hun baan opzeggen en bij een andere club aan de slag gaan (zie onder meer bewijsmiddel 30 [46] ). De (pleeg)ouders hadden aan de aangeefsters opgedragen dat zij bij een politiecontrole moesten doen alsof zij nichtjes waren en dat zij moesten verzwijgen dat ze gedwongen werden (bewijsmiddel 30 en 46 [47] ). Ook werd er door de pleegouders aan [slachtoffer 2] verteld dat zij een vriend bij de politie hadden die hen in de gaten hield (bewijsmiddel 46 [48] ).
watincidentel
ereen situationel
ereconnotatie [lijkt] te hebben dan misbruik van overwicht (cursivering van mij, plv. AG)”, waarmee slechts het verschil in karakter wordt benadrukt, zonder dat daarmee gezegd is dat een incidenteel en situationeel karakter het misbruik van een kwetsbare positie uitsluit. De omstandigheid dat de verdachte in Suriname verbleef staat er niet aan in de weg om een uitbuitingssituatie aan te nemen, [49] waarbij ik erop wijs dat ook bewezen is verklaard dat de verdachte ten tijde van zijn verblijf in Suriname telefonisch aanwijzingen en/of instructies gegeven en haar medegedeeld dat zij geld naar hem, verdachte, moest opsturen (zie ook de bewezenverklaringen onder 6. en 10.).
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.