Conclusie
middelklaagt dat het hof ten onrechte en/of onbegrijpelijk gemotiveerd medeplegen bewezen heeft verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging zou niet (zonder meer) kunnen blijken dat de rol van de verdachte van voldoende gewicht is geweest en dat sprake is geweest van een samenwerking welke zag op het medeplegen van een gekwalificeerde diefstal.
als verklaring van aangever [betrokkene 1] :
als bevindingen van verbalisanten:
als verklaring van getuige [betrokkene 3] :
als verklaring van getuige [betrokkene 3] :
als bevindingen van verbalisant:
als bevindingen van verbalisant:
als verklaring van getuige [betrokkene 5] :
als bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] :
NJ2015/390 m.nt. Mevis met betrekking tot de aan een bewezenverklaring van medeplegen te stellen eisen overwogen:
NJ2016/411 m.nt. Rozemond), nog een overweging aan de voorgaande overwegingen toegevoegd:
NJ2016/420 m.nt. Rozemond. Daarin was de verdachte veroordeeld wegens een ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’. Uw Raad verwierp het middel dat opkwam tegen ’s hofs oordeel dat sprake was van ‘medeplegen’:
NJ2016/412 m.nt. Rozemond onder
NJ2016/420, bleef een veroordeling wegens een ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’ eveneens in stand. Uw Raad overwoog:
NJ2014/511 m.nt. Mevis. De verdachte in deze zaak was veroordeeld wegens ‘diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’. Uw Raad overwoog in dat arrest:
NJ2015/391 m.nt. Mevis had het hof vastgesteld dat drie personen gemaskerd de juwelierszaak op de Zaanse Schans hadden overvallen. De verdachte was niet één van deze drie, maar werd toch wegens medeplegen veroordeeld. Uw Raad casseerde deze veroordeling:
NJ2016/411 m.nt. Rozemond worden afgeleid, van belang welke medeplichtigheidsgedragingen aan de vaststelling van het medeplegen hebben bijgedragen, maar evenzeer de wijze waarop het hof deze gedragingen in de motivering van het medeplegen heeft verwerkt. Cassatie ligt in de rede als een motivering ontbreekt [6] of de motivering erop wijst dat het medeplegen naar het oordeel van het hof reeds met de medeplichtigheidsgedraging(en) gegeven was. [7]
NJ2016/420 m.nt. Rozemond en HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2873. Het is ook een samenstel van medeplichtigheidsgedragingen dat naar het mij voorkomt van meer gewicht is dan in HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637,
NJ2015/391 m.nt. Mevis. Aanwezigheid bij het delict en daarbij op de uitkijk staan is een bijdrage die zwaarder weegt dan enkele ‘betrokkenheid’ bij een voorverkenning, een gedraging die op de keper en geïsoleerd beschouwd niet eens per definitie medeplichtigheid oplevert. Daar komt bij dat de bestuurder van de scooter in de onderhavige zaak daadwerkelijk de gezamenlijke vlucht mogelijk heeft gemaakt, terwijl in de zaak van de Zaanse Schans sprake was van een verdachte die de beoogde vluchtauto zou besturen, maar waarbij het feitelijk niet is gekomen tot het helpen bij de vlucht. Ook zo bezien was de daadwerkelijk bijdrage van de verdachte in die zaak van minder gewicht dan de bijdrage van de scooterbestuurder in de onderhavige zaak.
NJ2016/414. Daarin oordeelde Uw Raad dat de door het hof blijkens zijn bewijsoverweging in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet zonder meer voldoende waren om te kunnen aannemen dat de verdachte de diefstallen had medegepleegd. Daarbij nam Uw Raad mede in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgde ‘dat door de bewoner van de woning voorafgaand aan de diefstallen een zwarte auto met daarin drie jongens met een Marokkaans uiterlijk in zijn straat is gezien’; een andere getuige ‘heeft gezien dat drie mannen van vermoedelijk Noord-Afrikaanse/Marokkaanse afkomst via het slaapkamerraam de woning verlieten, terwijl de verdachte zeer donker getint dan wel negroïde is en de verdachte direct na de strafbare feiten als bijrijder in een auto zat met drie verdachten die wel aan het signalement voldeden’. In die zaak bestond de contra-indicatie dus uit de omstandigheid dat de verdachte, anders dan de drie personen met wie hij in de auto werd aangetroffen, niet voldeed aan het signalement van de drie door de getuigen waargenomen personen. Naar het mij voorkomt kunnen ook bewijsmiddelen waaruit zou volgen dat er een kans van één op drie is dat de betrokkenheid van de verdachte niet verder gaat dan medeplichtigheid als een contra-indicatie voor een bewezenverklaring van (alleen) medeplegen worden aangemerkt.
NJ2016/420 over twee arresten waarin de procesopstelling van de verdachte is meegewogen dat ‘de veronderstelling (zou) kunnen zijn dat een inbraak in een woning of een bedrijf door meerdere personen een gemeenschappelijke onderneming is waarbij de gedragingen van de verdachten bewust op elkaar zijn afgestemd om een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken. Wanneer een verdachte meegaat in zo’n doelgerichte dadergroep, kan hij in beginsel als medepleger van de inbraak worden aangemerkt, tenzij aannemelijk is dat hij slechts een specifieke rol heeft gespeeld die is beperkt tot medeplichtigheids-gedragingen (op de uitkijk staan, de vluchtauto besturen). Wanneer de verdachte daarover geen verklaringen of ongeloofwaardige verklaringen aflegt en de bewijsmiddelen ook geen duidelijkheid verschaffen over zijn specifieke rol, kan de veronderstelling worden gevolgd dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een samenwerkingsverband dat was gericht op een gemeenschappelijk doel dat ook door de verdachte werd nagestreefd’. In deze benadering lijkt (eveneens) leidend te zijn dat aan de procesopstelling gevolgen mogen worden verbonden voor zover deze niet in strijd zijn met wat uit de bewijsmiddelen blijkt. Die strijd ontstaat als uit de bewijsmiddelen zou blijken dat één van de drie slechts medeplichtig was.
NJ1949/308. Ook in dat arrest ging het om een keuze tussen medeplegen en medeplichtigheid. Het tweede middel meende dat het medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kon volgen. A-G Langemeijer achtte het middel gegrond, Uw Raad verwierp het cassatieberoep. Röling ging uit van de situatie waarin A-G Langemeijer gelijk zou hebben gekregen. Het hof zou dan volgens hem ‘in een lastig parket kunnen geraken. Gesteld dat onschuld (…) met reden zou kunnen worden uitgesloten, dan ware er toch de reden-loze keuze nodig uit de twee alternatieven: medeplegen of medeplichtigheid. Of zou het Hof, als de ezel tussen de twee hooibergen, zijn strafrechtelijke honger niet gestild zien, en in arren moede moeten vrijspreken van beide (…)? Ware hier niet redelijker dan zodanige oplossing, en eerlijker dan de nu gekozene, de vaststelling dat verdachte schuldig was aan medeplegen althans medeplichtigheid?’