Conclusie
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
2.4 Bij de regeling van belanghebbendes aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2014 was de inkomensafhankelijke combinatiekorting toegepast.
2.5 Bij de regeling van belanghebbendes aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2016, die na de uitspraak van de Rechtbank in de onderhavige zaak plaatsvond, heeft belanghebbende contact gehad met een medewerkster van de Inspecteur, [A] , die van plan was van de aangifte af te wijken. Op haar vraag of de omgangsregeling in 2016 ten opzichte van 2015 was gewijzigd, heeft belanghebbende [A] geantwoord dat dat niet het geval was. Nadat belanghebbende haar op haar verzoek de uitspraak van de Rechtbank had gestuurd, heeft [A] de definitieve aanslag voor 2016 geregeld, waarbij de inkomensafhankelijke combinatiekorting is toegepast.
2.6 Op de website van de Belastingdienst is gepubliceerd dat recht bestaat op de inkomensafhankelijke combinatiekorting indien het kind doorgaans ten minste drie hele dagen per week in elk van de huishoudens verblijft, dat met drie hele dagen drie keer 24 uur per week wordt bedoeld, en dat aan deze eis wordt voldaan als het kind om de week bij de ene en de andere ouder verblijft.
geheledagen per week, ook niet als beide weken samen worden beschouwd.
kalenderjaarniet is toegestaan. Daarvan is hier echter geen sprake.
vrijwelgelijke mate als het verblijf bij de moeder, vooral omdat het regelmatig is.
3.Het geding in cassatie
BNB1988/212 oordeelde de Hoge Raad dat kinderen niet kunnen worden geacht tot het huishouden van de belastingplichtige te behoren als hun verblijf te bijkomstig is. [21]
BNB1999/8 volgt dat onder ‘niet te bijkomstig verblijf’ moet worden begrepen de situatie dat het kind ‘in gelijke dan wel vrijwel gelijke mate in het huishouden van de belastingplichtige heeft verbleven’. [22] Dat criterium moet op zijn beurt weer worden verstaan als ‘doorgaans tenminste 3 tot 3,5 per week verblijf’ bij de belastingplichtige:
BNB2002/7 oordeelde de Hoge Raad dat niet wordt voldaan aan het ‘doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week’-criterium ingeval een kind, bezien over een heel kalenderjaar, slechts
gemiddeld3 tot 3,5 dag per week bij de belastingplichtige heeft verbleven:
doorgaanstenminste 3 tot 3,5 dag per week in elk van beide huishoudens moet hebben verbleven (het kwantitatieve criterium).
BNB1999/8 en HR
BNB2002/7 is de term ‘doorgaans’ niet nader toegelicht.
BNB1999/8 en HR
BNB2002/7 opgenomen kwantitatieve criterium aldus dat daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat niet met jaarlijkse gemiddelden mag worden gekomen tot een in gelijke mate verblijven, maar dat het verblijfschema regelmatigheid en bestendigheid moet kennen. [58]
BNB2003/184 [66] , een zaak die de nodige gelijkenissen met de onderhavige zaak vertoont, is reeds op deze vraag ingegaan.
BNB2003/184 daarover:
BNB2003/184 de aanslag over het latere jaar geautomatiseerd was afgedaan, was daarvan geen sprake. In de onderhavige zaak is dat echter niet het geval. [76]
BNB2003/184, dat belanghebbende er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de Inspecteur van zijn standpunt was teruggekomen dat belanghebbende geen recht had op de iack en alsnog een voor belanghebbende positief standpunt had ingenomen dat de iack in belanghebbendes geval – ook voor het jaar 2015 – zou worden toegepast.