Conclusie
1.De feiten
hof). [1]
[A]) zijn opgericht in 2005 door [eiser 1] (hierna:
[eiser 1]), [eiser 3] (hierna:
[eiser 3]), [eiser 5] (hierna:
[eiser 5]) en [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). [A] B.V. was enig aandeelhouder/bestuurder van [B] B.V. en [C] B.V. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 5] waren (indirect) bestuurder van [A] door middel van hun persoonlijke holdingvennootschappen (respectievelijk: [eiseres 2] B.V., [eiser 3] B.V. en [eiser 5] B.V.). Daarnaast was tot 18 november 2005 [betrokkene 1] medebestuurder. Vanaf 18 november 2005 tot 1 juni 2010 was [D] B.V (met als bestuurder [betrokkene 1] ) medebestuurder van [A] . [A] was gespecialiseerd in het leggen van snelle internetverbindingen. Zij legde onder meer UMTS en GSM straalverbindingen aan op bijzondere locaties zoals kerktorens en vuurtorens, zowel indoor als outdoor.
[E]).
[betrokkene 2]).
curator).
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
[eiseressen 2 + 4 + 6]) bij dagvaarding van 23 juli 2015 in rechte betrokken en gevorderd dat de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de
rechtbank), bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[betrokkene 1 + D]) door [eiseressen 2 + 4 + 6] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 3 februari 2016, [2] naar aanleiding van de vordering van [eiseressen 2 + 4 + 6] dat hen wordt toegestaan [betrokkene 1 + D] in vrijwaring op te roepen, in welk verband de curator zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen geen aanleiding te zien om de hoofdzaak en de procedure in vrijwaring separaat te behandelen, zoals door de curator was verzocht, en de beslissing omtrent de kosten in het incident aan te houden totdat in de hoofzaak zal worden beslist.
eindvonnis) heeft de rechtbank: in de hoofdzaak in conventie de vorderingen afgewezen, de curator in de proceskosten veroordeeld en het vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard; in de hoofzaak in reconventie de curator veroordeeld tot opheffing van alle ten laste van [eiseressen 2 + 4 + 6] gelegde conservatoire (derden-)beslagen binnen een week na betekening van het vonnis, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; in de vrijwaringszaak de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. [6]
het in artikel 2:248 lid 2 BW Pro bedoelde vermoeden dat de gevoerde administratie in het tweede halfjaar van 2010 of het niet tijdig deponeren van de jaarrekening over 2009 in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het faillissement". De
grieven 4, 5, 6, 8, 9 en 11 in het principaal hoger beroepkomen in onderling verband en samenhang gezien op tegen dit oordeel en het daaraan verbonden gevolg dat de vordering ex art. 2:248 BW Pro is afgewezen. Indien die grieven zouden slagen, dient op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep door het hof te worden onderzocht of sprake is geweest van schending van de boekhoudplicht of de publicatieplicht. Omdat die vraag systematisch gezien voorafgaat aan de vraag of kennelijk onbehoorlijk bestuur de oorzaak van het faillissement is geweest, zal het hof eerst die vraag beantwoorden.
De vorderingen van de curator ter zake de aansprakelijkheid van geïntimeerden voor het faillissementstekort beperken zich uitdrukkelijk niet tot de periode van na 1 juni 2010." Ook het daarna sub 57 tot en met 62 gestelde wijst daarop.
NJ2008/91 (Blue Tomato).
het in artikel 2:248 lid 2 BW Pro bedoelde vermoeden dat de gevoerde administratie in het tweede halfjaar van 2010 of het niet tijdig deponeren van de jaarrekening over 2009 in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het faillissement". Anders dan de rechtbank tot uitgangspunt neemt, impliceert de schending van artikel 2:10 BW Pro dat over de gehele line sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dienen [eiseressen 2 + 4 + 6] aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan die onbehoorlijke taakvervulling (dus niet beperkt tot het voeren van een ondeugdelijke administratie, al dan niet voor of na 1 juni 2010) een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Vgl. HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189,(Bobo Holding/König).
"genoeg geld onderweg was om debiteuren[het hof begrijpt: crediteuren]
te kunnen voldoen"en dat er genoeg geld was op de G-rekening om de Belastingdienst te kunnen voldoen en het plan was om alles netjes af te wikkelen en de vennootschappen daarna te ontbinden.
gehele linievaststaat en dus niet beperkt is tot het door [eiseressen 2 + 4 + 6] gestelde wegsluizen van werkkapitaal door een van de medebestuurders. Voor een succesvol beroep op disculpatie is nodig dat [eiseressen 2 + 4 + 6] daarvan (kennelijk onbehoorlijk bestuur over de gehele linie) geen verwijt valt te maken. Waarom dat zo is, hebben zij niet onderbouwd gesteld. Ten aanzien van het wegsluizen van werkkapitaal kan overigens worden vastgesteld dat [eiseressen 2 + 4 + 6] niet hebben gesteld welke actie zij hebben ondernomen om de gevolgen hiervan voor de vennootschap te verminderen. Niet blijkt dat [betrokkene 1] is gesommeerd tot terugstorting al dan niet gevolgd door (dreiging met) een kort geding. Ook hebben [eiseressen 2 + 4 + 6] niet zelf het onttrokken bedrag teruggestort in afwachting van acties tegen [betrokkene 1] . Het hof verwijst verder nog naar wat het in rov. 4.14 hierover heeft overwogen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
arrest). Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen.
onvoldoende aanknopingspunten heeft om aan te nemen dat:
.” [61]
faillissementsdatumniet voldeed aan artikel 2:10 BW Pro”, zoals bedoeld in het subonderdeel. Op dit laatste ‘hangt’ het oordeel van het hof in rov. 4.4-4.10 niet (het hof is ook niet uitgegaan van de hier door het subonderdeel voorgestane onjuiste rechtsopvatting), en bij die stand van zaken bestond er voor het hof ook geen aanleiding daarop nog weer nader in te gaan. [64]
faillissementsdatumniet voldeed aan artikel 2:10 BW Pro”, zoals bedoeld in het subonderdeel. Op dit laatste ‘hangt’ het oordeel van het hof in rov. 4.4-4.10 niet (het hof is ook niet uitgegaan van de hier door het subonderdeel voorgestane onjuiste rechtsopvatting), en bij die stand van zaken bestond er voor het hof ook geen aanleiding daarop nog weer nader in te gaan.
enkelwenste te baseren op gebreken in de administratie daterend van na 1 juni 2010.” Dat blijkt uit de tweede zin van nr. 56 van de memorie van grieven, die het hof niet citeert in het arrest. De eerste, wel geciteerde zin van nr. 56 van de memorie van grieven “ziet nu juist niet op het bewijsvermoeden, maar op de vorderingen van de Curator voor het overige.” [79] Ook nrs. 57-62 van de memorie van grieven “kunnen de uitleg die het Hof geeft aan de stellingen van de Curator niet onderbouwen, want deze onderdelen zien enkel op de verwijten die de Curator de bestuurders inhoudelijk maakt, niet op de schending van de boekhoudplicht”, aldus nog steeds het subonderdeel.
onvoldoende aanknopingspunten heeft om aan te nemen dat:
enkelwenste te baseren op gebreken in de administratie daterend van na 1 juni 2010.”
schadevergoedingsvorderingen op grond van art. 2:9 BW Pro en/of art. 6:162 BW Pro; [88] , [89]
elkspecifiek onderdeel daarvan (bestaande uit concreet handelen van een of meer bestuurders in die hoedanigheid) dekt, ook los van de vastgestelde schending van art. 2:10 BW Pro en/of art. 2:394 BW Pro. Illustratief is dat arrest uit 2007 waarvan de kernoverweging ook onder 3.16 hiervoor is weergegeven, die dus voortbouwt op dat arrest uit 2006. Het daar bedoelde concrete handelen (neerkomend op nalaten waar handelen aangewezen was) dat door de curator aan de aangesproken bestuurders verweten wordt, kwalificeert immers niet op voorhand als onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur ex art. 2:248 BW Pro, nu de Hoge Raad het mogelijk acht dat de bestuurders feiten en omstandigheden stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten op zichzelf beschouwd “geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert”, ook al is het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW Pro dus geactiveerd door schending van art. 2:10 BW Pro en/of art. 2:394 BW Pro. [116]
Koster/Van Nie q.q.[HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329,
NJ1989/676, A-G] een gevolg van is - dat deze woorden zo moeten worden opgevat, dat de bestuurder zich niet kan disculperen door te wijzen op de geslaagde onderdelen van het door hem gevoerde bestuursbeleid. De woorden ‘ook voor het overige’ strekken ertoe te verhinderen dat een aangesproken bestuurder zich erop beroept ‘overigens wel goed te hebben bestuurd, de overschrijding van de publicatietermijn daargelaten’.
nietmede een belangrijke oorzaak van het faillissement was.
alleafzonderlijke bestuurshandelingen als ‘onbehoorlijk’ hebben te gelden. Alleen voor het geheel genomen geldt dit onweerlegbare bewijsvermoeden. Wanneer een student een onvoldoende haalt voor een tentamen, laat dat onverlet de mogelijkheid dat hij bepaalde vragen juist - wellicht zelfs briljant - heeft beantwoord. Kortom, de frase ‘ieder der bestuurders, ook voor het overige’ betekent dat het gevoerde bestuur van alle bestuurders over het geheel genomen als ‘onvoldoende’ moet worden beoordeeld.
NJ2008/91, A-G] dat indien aan een bestuurder met betrekking tot de aannemelijk gemaakte andere faillissementsoorzaken verwijten worden gemaakt, die moeten kwalificeren als kennelijk onbehoorlijk bestuur (waarvoor de Hoge Raad verwijst naar het kernarrest Panmo). De door het hof in zijn oordeel betrokken omstandigheden zijn onvoldoende ernstig en zwaarwegend van aard om in die sleutel te kunnen worden geplaatst. Er is meer nodig dan fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen. Het moet gaan om misbruik, wanneer onverantwoordelijk is gehandeld met de objectief te bepalen wetenschap van benadeling van schuldeisers. (…) Er missen in deze zaak aanknopingspunten voor wetenschap van benadeling. Het hof betrekt in zijn overwegingen beslissingen of handelingen van de bestuurder die wellicht minder zorgvuldig of doordacht zijn, maar zeker niet (kunnen) kwalificeren als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Een bestuurder mag zich hebben bezondigd aan “onzorgvuldig” of “onjuist” bestuur bij het intreden van belangrijke oorzaken van faillissement en zich daarop beroepen om het causale vermoeden te kunnen weerleggen.”
NJ2008/91 (
Blue Tomato) en HR 12 februari 2016,
JOR2016/223 (
The Law). Het gaat bij toepassing van lid 2 dus om wie wat moet aantonen (of beter: aannemelijk moet maken), en in beginsel niet om een daadwerkelijke inhoudelijke kwalificatie (afgezien dan van het feit, dat vast komt te staan dat kennelijk onbehoorlijk is bestuurd, welke kwalificatie op zichzelf echter geen gevolgen heeft en ook niets zegt over de omvang en inhoud van dat kennelijk onbehoorlijk bestuur).” [cursivering in origineel, A-G]
over de gehele lin[i]esprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuuren dienen [eiseressen 2 + 4 + 6] aannemelijk te maken dat
andere feiten of omstandigheden dan die onbehoorlijke taakvervulling (dus niet beperkt tot het voeren van een ondeugdelijke administratie, al dan niet voor of na 1 juni 2010)een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Vgl. HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189,(Bobo Holding/König).” [143] [cursivering in origineel, onderstreping toegevoegd, A-G]
informeletaakverdeling een rol kan spelen bij een beroep op disculpatie als bedoeld in art. 2:248 lid 3 BW Pro en dat dit niet beperkt is tot enkel een
statutairetaakverdeling. Verder is het oordeel van het hof in de laatste twee volzinnen van rov. 4.17 onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, waar het hof overweegt dat de bestuurders niet concreet hebben gesteld wat zij hebben gedaan om de nadelige gevolgen af te wenden. [eiseressen 2 + 4 + 6] heeft aangevoerd wat zij heeft gedaan om de nadelige gevolgen af te wenden, zoals het hof terecht wel heeft onderkend in rov. 4.19. [156] In rov. 4.17 heeft het hof deze omstandigheden ten onrechte achterwege gelaten, aldus nog steeds het subonderdeel.
om toe te zien op het handelen/nalaten van [betrokkene 1] en het voorkomen van eventuele nadelige gevolgen daarvan” [cursivering toegevoegd, A-G], heeft het hof het oog op het in rov. 4.16 onder (i) genoemde vereiste voor een succesvol beroep op disculpatie (“dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is”), waarop het hof ook het oog heeft in rov. 4.18, eerste t/m vierde zin. Voor zover [eiseressen 2 + 4 + 6] zich over dit laatste (dat onder (i) genoemde vereiste) heeft uitgelaten in die door het subonderdeel genoemde vindplaatsen, is dat nr. 98 van de memorie van antwoord; waarop het hof dus ook ingaat in rov. 4.17, laatste zin. Ten aanzien van de andere stellingen van [eiseressen 2 + 4 + 6] in die vindplaatsen bestond er voor het hof dus geen aanleiding daaraan (ook) overwegingen te wijden in rov. 4.17. [165] Voor het overige gaat het subonderdeel dus eveneens uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het daarom feitelijke grondslag. [166]
het bestuurex art. 2:248 BW Pro waarvan (ook) hier uitgegaan moet worden (‘over de hele linie’, etc.). Zoals blijkt uit rov. 4.18 als geheel in lijn met rov. 4.16 (waarin het hof terecht ervan uitgaat dat de aangesproken bestuurder moet aantonen (i) dat die “onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur” (dus: het collectief) niet
aan hem(dus: persoonlijk) te wijten is en (ii) dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden), alsook uit rov. 4.17 en 4.19, acht het hof een succesvol beroep op art. 2:248 lid 3 BW Pro door een of meer
individuele bestuurders(hier ieder van [eiseressen 2 + 4 + 6] , door wie “een beroep op disculpatie [is] gedaan”: zie rov. 4.16, slotzin) niet op voorhand onmogelijk, ook al is (het bewijsvermoeden van) art. 2:248 lid 2 BW Pro dus van toepassing. [169]
het bestuur(dus: het collectief) ex art. 2:248 BW Pro, waarop het hof terugvalt in rov. 4.18, tweede en derde zin,
aan hem(dus: persoonlijk) géén verwijt gemaakt kan worden. [174] Daaraan staat volgens het hof niet in de weg dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur ex art. 2:248 BW Pro ‘over de hele linie’ vaststaat, waarover onder meer in rov. 4.13, voorlaatste zin. Dat het hof, kort gezegd, in rov. 4.14 in verbinding met rov. 4.13 en 4.15 dus de fout ingaat inzake de volle werking van art. 2:248 lid 2 BW Pro wat betreft de mogelijkheid voor de aangesproken bestuurders tot ontzenuwing van het daarin neergelegde bewijsvermoeden, laat het voorgaande inzake rov. 4.16-4.20 en art. 2:248 lid 3 BW Pro onverlet.
Kamerstukken II1980/81, 16 631, nr. 3, p. 5).” [cursivering in origineel, A-G]
‘ook voor het overige’ex art. 2:248 BW Pro vaststaat, nu in de systematiek van art. 2:248 BW Pro de disculpatieregeling van art. 2:248 lid 3 BW Pro niet een geïsoleerde is maar voortbouwt op “de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur” zoals bedoeld in art. 2:248 leden Pro 1 en 2 BW die (bij een meerhoofdig bestuur) ten grondslag ligt aan de in beginsel collectieve, hoofdelijke aansprakelijkheid van de aangesproken bestuurders ex art. 2:248 BW Pro - wat rov. 3.4.2 dus ook laat zien. [185] Ik neem daarbij in aanmerking dat de Hoge Raad dus nog maar kort daarvoor overwoog, in het arrest uit 2013 zoals genoemd in rov. 3.6.2, [186] onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 2:248 BW Pro [187] en eerdere rechtspraak: [188] dat in art. 2:248 lid 2 BW Pro is bepaald dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW Pro en/of aan de plicht van art. 2:394 BW Pro tot het tijdig openbaar maken van de jaarrekening onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur ex art. 2:248 BW Pro oplevert, omdat het niet voldoen aan deze verplichting(en), gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt, erop wijst dat het bestuur zijn taak ‘ook voor het overige’ niet behoorlijk vervult. De verwijzing in rov. 3.6.2 naar dat eerdere arrest uit 2013 ziet, blijkens het in rov. 3.6.2 behandelde, op overwegingen in dat arrest waarvan ook die zo-even weergegeven overweging deel uitmaakt. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat deze verwijzing door de Hoge Raad in dat (in rov. 3.6.2 genoemde) eerdere arrest uit 2013 naar de wetsgeschiedenis van art. 2:248 BW Pro ziet op een vindplaats [189] die direct voorafgaat aan de vindplaats waarnaar de Hoge Raad verwijst in die slotzin van rov. 3.8, [190] waarin wordt vooropgesteld dat in geval van schending van art. 2:10 BW Pro en/of art. 2:394 BW Pro “de wet uit deze feiten - die dus tekortkomingen van het bestuur vormen die op zich zelf steeds als onbehoorlijk bestuur moeten worden gekwalificeerd - af[leidt] dat het bestuur zijn taak ook in het algemeen niet behoorlijk vervuld heeft”. Dat is een rode draad in deze wetsgeschiedenis. [191] Daarbij verdient nog opmerking dat, zoals de Hoge Raad al in 2006 overwoog, [192] een schending van art. 2:10 BW Pro (waarover die slotzin van rov. 3.8 overigens niet zegt) van een andere en, omdat een behoorlijk bestuur zonder een deugdelijke boekhouding veelal niet goed mogelijk is, ernstiger orde is dan schending van de eveneens in art. 2:248 lid 2 BW Pro gesanctioneerde publicatieplicht van art. 2:394 BW Pro, wat onverlet laat dat niet blijkt dat de wetgever met het oog op de ingevoerde verscherpte aansprakelijkheid van art. 2:248 BW Pro schending van de publicatieplicht van art. 2:394 BW Pro van minder belang heeft geacht dan schending van de boekhoudplicht van art. 2:10 BW Pro.