Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, onder aftrek op grond van artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in dat verband tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
middelkeert zich tegen de bewijsconstructie met de klacht dat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv Pro. De (steun)verklaring van de moeder van de aangever berust in wezen op de informatie die zij twee of meer dagen na het gestelde incident van de aangever zelf heeft gekregen. Nu zowel de aangifte (bewijsmiddel 1) als de getuigenverklaring van de moeder van de aangever (bewijsmiddel 2) zijn gestoeld op dezelfde bron (de aangever), is niet voldaan aan het voorgeschrevene in artikel 342 lid 2 Sv Pro, althans betreft het hier een grensgeval. In ieder geval had het hof zijn beslissing nader moeten motiveren, aldus begrijp ik het middel en de toelichting.
unus testis-klacht moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende worden vooropgesteld. Overeenkomstig het voorschrift van artikel 342 lid 2 Sv Pro – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel hierover nader heeft gemotiveerd. [1]
unus testis-gevallen sterk casuïstisch van aard. [2] Desalniettemin kunnen er uit deze veelheid aan rechtspraak nog twee andere vooropstellingen worden afgeleid die van belang zijn voor de beoordeling van het middel. [3] Ten eerste geldt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedraging. Wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten wordt bevestigd in andere bewijsmiddelen, mits afkomstig van een andere bron, kan dat eveneens voldoende zijn. [4] Ten tweede geldt dat niet is vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt. In andere woorden: de link tussen delict en dader hoeft niet ook bevestigd te worden door het steunbewijs. Dat alleen de aangever de verdachte aanwijst als dader hoeft aan een bewezenverklaring niet per se in de weg te staan. [5]
NJ2012/279 m.nt. Reijntjes, verdedigde ik omstandig het standpunt dat het door artikel 342 lid 2 Sv Pro voorgeschreven bijkomende bewijsmateriaal zich dient te kenmerken door zijn vermogen om te discrimineren tussen enerzijds het scenario waarop de tenlastelegging is gestoeld, oftewel de lezing van de aangever, en anderzijds het door de verdediging voorgestane scenario, oftewel de lezing van de verdachte. Ik heb echter niet de indruk dat de Hoge Raad mij in dit standpunt onomwonden is gevolgd of zich hierdoor heeft laten inspireren. Hoewel ik persoonlijk niet op mijn schreden ben teruggekeerd, zal ik hieronder trachten de weg te begaan die de Hoge Raad is ingeslagen.
“een klap van [verdachte][de verdachte]
heeft gehad”. Meer exact: (1) dat hij is geslagen en (2) dat het de verdachte was die hem die klap heeft gegeven. Dit stelt ook het middel, en zo bekeken zou de bewezenverklaring moeten afstuiten op de
unus testis-regel.
“hem[haar zoon]
zelf met een blauw-geel gekleurd oog heeft gezien”. Dat is een eigenstandige zintuigelijke waarneming van de getuige, anders dan de weergave van een emotie, en is in die zin niet op één bron terug te voeren. [8] Met de vooropstellingen hierboven onder punt 8 en 9 in het achterhoofd is het niet onbegrijpelijk dat het hof deze waarneming van de moeder als steunbewijs heeft aangemerkt.
“net nadat het gebeurd was”. Ook dat is relevant. Wanneer een getuige kort na het tenlastegelegde feit (van de aangever) op de hoogte raakt van de toedracht van een en ander, en – zoals in casu – eigen waarnemingen doet omtrent de fysieke toestand van het slachtoffer/de aangever, hoe sterker de aanwijzing dat het incident heeft plaatsgehad zoals gerelateerd. Ook de periode van een kleine vijf weken die verstreken is tussen het incident op 25 januari 2014 en de datum van het daadwerkelijk afleggen van de getuigenverklaring door [getuige] , te weten 27 februari 2014, is mijns inziens niet lang. [9]
“afgelopen maandag[24 februari 2014]
zei dat hij zere ribben had”. En dat de aangever haar die dag
“belde om te vertellen dat ik moest zorgen voor geld, want hij was nu al twee keer in elkaar geslagen door [verdachte] .”Kortom, de aangever blijft ook een maand na de tenlastegelegde klap tegen het hoofd consistent in zijn verhaal. Vanzelf spreekt dat het oordeel over het betrouwbaarheidsgehalte van de verklaringen van de aangever onderscheiden moet worden van het oordeel over het steunbewijs. [10] Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de omstandigheid dat een aangever/slachtoffer consistent verklaart over (de toedracht) van een delict, in zijn algemeenheid wel enig gewicht in de schaal kan leggen bij de uiteindelijke oordeelsvorming van de rechter over de aanwezigheid van voldoende steun(bewijs). [11] Dat het hof hier heeft gemeend dat de verkochte klap op 25 januari 2014 niet uit de lucht komt vallen, is ook tegen deze achtergrond bezien niet onbegrijpelijk.