Conclusie
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 28 augustus 2021, inhoudende, voor zover van belang het volgende.
Standpunt van de verdediging
. Getuige is een vriendin van aangeefster. Zij wordt direct na het voorval op 18 augustus 2021 gebeld door aangeefster met de mededeling dat zij seksueel is aangevallen door verdachte, waarbij de getuige hoorde dat aangeefster huilde.Kort na het voorval
ziet de politie dat aangeefster huilde toen zij haar op straat aantroffen en ook tijdens het informatief gesprek waren die emoties zichtbaar aanwezig. De hevigheid van de emoties bij aangeefster passen niet in het door verdachte geschetste scenario dat aangeefster boos op hem zou zijn omdat zij geen geld kreeg om bepaalde medicijnen (mogelijk een morning-afterpil) te kopen.Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster steun in het forensisch onderzoek, waarbij door de verbalisant en arts een bult is waargenomen op het scheenbeen van aangeefster. Verdachtes verklaring ter terechtzitting van het hof komt erop neer dat deze bult kan zijn veroorzaakt tijdens het fietsen van het station naar de woning waar verdachte die dag verbleef, waarbij de trapper/het pedaal van de fiets waar zij beiden op zaten tegen het been van aangeefster is gekomen. Aangeefster is ter terechtzitting van het hof op dit punt als getuige gehoord en heeft ontkend dat zij zich aan enig deel van de fiets heeft gestoten en daarbij een verdikking heeft opgelopen. Het hof hecht geloof aan de verklaring van aangeefster en gaat daarom voorbij aan de verklaring van verdachte op dit punt.
en voorkwam dat aangeefster aan zijn handelingen kon ontsnappen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster.”
voldoendesteun te bieden aan de tenlastegelegde gedraging(en). Daarvan zal in de regel geen sprake zijn als het steunbewijs alleen de aanwezigheid bevestigt van de verdachte bij de aangever/aangeefster op dezelfde tijd en plaats. [3]
NJ2018/298, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is vereist dat het “steunbewijs betrekking dient te hebben op de tenlastegelegde gedragingen”. In zijn noot onder dit arrest heeft Rozemond opgemerkt dat voldoende is dat “de verklaring van de aangeefster of aangever op concrete punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij die concrete punten ‘specifieke omstandigheden’ van de tenlastegelegde seksuele gedragingen moeten opleveren”. Het moet dan uiteraard wel gaan om een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarbij komt dat een belangrijk vereiste is dat tussen die enige getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. [4] Wanneer daarvan al dan niet sprake is laat zich evenmin in algemene zin beantwoorden; ook daarvoor zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend.
NJ2015/485, m.nt. Borgers (een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) het hof geoordeeld dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaring van de aangeefster was te vinden in de verklaring van haar moeder. Deze verklaring hield in de kern in dat de aangeefster na het opnemen van de telefoon schrok en ging huilen, dat de aangeefster na het telefoontje zei dat zij de verdachte aan de telefoon had, dat zij (de moeder) hoorde dat de telefoon nog een keer overging en, nadat de telefoon op luidspreker was gezet, aan de stem hoorde dat het de verdachte was en dat zij zag dat de aangeefster hysterisch werd en alleen nog maar kon huilen. Van belang is dat het hof toen had gemotiveerd dat en waarom het tot zijn oordeel over het voldoende steunbewijs was gekomen. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand: “In het onderhavige geval kan, mede gelet op die nadere motivering, niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.” [7] Het steunbewijs kan mitsdien onder omstandigheden bestaan uit een door een derde ten tijde van of kort na het plegen van het feit waargenomen emotionele of fysieke reactie van het slachtoffer. [8] Zoals zojuist al tot uitdrukking is gekomen – ik benadruk het nog eens –, verdient het in dergelijke grensgevallen aanbeveling dat het oordeel dat en waarom er voldoende steunbewijs voor de belastende verklaring van de aangever/aangeefster te vinden is in de verklaring van een ander goed te motiveren. [9]
nahet feit. Daarbij komt, aldus de steller van het middel, dat als uitgangspunt dient te worden genomen dat de enkele emoties van een slachtoffer niet als steunbewijs kunnen dienen. Het onder (iii) genoemde forensisch onderzoek kan volgens de steller van het middel de bewezenverklaring van de geweldshandelingen slaan, stompen, duwen en vasthouden van de aangeefster onmogelijk dragen, terwijl het geven van een schop tegen het scheenbeen redelijkerwijs niet kan worden gezien als een middel waarmee het seksueel binnendringen kan worden afgedwongen.