ECLI:NL:PHR:2021:320
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende motivering
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden legde aan de betrokkene een betalingsverplichting op van € 243.755,15 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zaak is verbonden met strafzaken tegen de betrokkene en een medeveroordeelde. De betrokkene stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De kern van het geschil betreft de vraag of de overschrijvingen van de bankrekening van de betrokkene naar de stichting [A], waarvan de betrokkene penningmeester was en de medeveroordeelde voorzitter, daadwerkelijk als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kunnen worden toegerekend. Het hof motiveerde dit uitsluitend op grond van hun bestuursfuncties, wat volgens de Hoge Raad onvoldoende is.
De Hoge Raad benadrukt dat het vermogen van een rechtspersoon niet zonder meer gelijkgesteld kan worden met het vermogen van haar bestuurders. Er moet worden onderzocht of de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het vermogen van de stichting. In deze zaak was niet aannemelijk dat de betrokkene vrijelijk over het vermogen van de stichting kon beschikken.
Daarom is het oordeel van het hof dat de overschrijvingen van € 1.125,- als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vermindert daarom de betalingsverplichting met dit bedrag tot € 242.630,15 en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 242.630,15 wegens onvoldoende motivering.