“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Stichting [A]
Het hof heeft bij arrest van heden ten aanzien van de echtgenoot van veroordeelde, zijnde medeveroordeelde [medeverdachte] , overwogen dat aannemelijk is dat hij zonder legitieme reden of toestemming betalingen uit het vermogen van de stichting heeft verricht voor privédoeleinden. Evenals de rechtbank overweegt het hof dat deze conclusie niet zonder meer in het geval van veroordeelde kan worden getrokken. Vast staat immers dat (alleen) medeveroordeelde [medeverdachte] het beheer had over de betreffende rekeningen van de stichting en derhalve in staat was om de gewraakte betalingen te verrichten. Veroordeelde heeft van deze betalingen geprofiteerd, maar op grond van het procesdossier wordt onvoldoende duidelijk in hoeverre veroordeelde van deze betalingen wetenschap had, dan wel in welke mate zij dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
Het hof acht, op grond van voorgaande, onvoldoende aannemelijk dat veroordeelde zich jegens de stichting schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
[betrokkene 1]
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 11 maart 2019 (parketnummer 21-002310-16) ter zake van het medeplegen van verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Uit het strafdossier – in het bijzonder op grond van de bewijsmiddelen zoals die zijn gebezigd in voornoemd arrest van 11 maart 2019 - en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof als uitgangspunt voornoemd arrest van 11 maart 2019 en het in het kader van het onderzoek opgemaakte proces-verbaal bevindingen analyse geldstromen. De politie heeft aan de hand van het verrichte financiële onderzoek de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel becijferd op € 286.994,73. Het openbaar ministerie en de verdediging zijn in de gelegenheid gesteld zich over de hoogte van dit bedrag uit te laten.
(…)
Oordeel van het hof
(…)
Overschrijvingen
In het genoemde financiële onderzoek heeft de politie aangegeven dat sprake is van overschrijvingen van de rekeningen van [betrokkene 1] tot een bedrag van € 103.262,74. Zowel het openbaar ministerie als de verdediging heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gezien de berekeningen van de politie gaat het hof uit van een bedrag aan overschrijvingen van € 103.262,74.
De politie heeft voorgaand bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.
(…) De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de overschrijvingen naar [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en de stichting [A] eveneens niet aan te merken zijn als wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien deze gelden ook niet ten goede kwamen aan veroordeelde en medeveroordeelde.
(…)
Ten aanzien van de stichting [A] overweegt het hof dat veroordeelde penningmeester van deze stichting was, terwijl medeveroordeelde voorzitter was. Gezien het feit dat veroordeelde en medeveroordeelde bestuurders van deze stichting waren, acht het hof aannemelijk dat de overschrijvingen naar de stichting [A] ten voordele van veroordeelde en medeveroordeelde kwamen. Het hof rekent dit deel van de overschrijvingen, zijnde een bedrag van € 1.125,- dan ook mee als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel.”