Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,
verweerders in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- op grond van artikel 1: 265g lid 1 BW een/de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang als volgt te wijzigen in die zin dat de omgang tussen de dochter en haar moeder wordt opgeschort;
- te bepalen dat de GI, indien de dochter kenbaar maakt weer contact met haar moeder te willen hebben, de frequentie, omvang, duur en voorwaarden van die omgang vaststelt en
- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Een verzoekschrift met deze strekking was door de GI al bij de rechtbank ingediend, maar ten tijde van de zitting bij het hof daar nog niet mondeling behandeld.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.ivoert aan dat de GI – in weerwil van rechterlijke uitspraken – de regie heeft genomen met betrekking tot de omgangsregeling. Het hof sanctioneert volgens het subonderdeel ten onrechte de eigenrichting en dat is in strijd met een goede rechtspleging.
Subonderdeel 2.iibetoogt dat het hof niet op de essentiële stellingen van de moeder heeft gerespondeerd dat de dochter in het gedrang komt doordat de GI de regie pakt, terwijl de rechter die niet aan de GI heeft gegeven. De beslissing is daarnaast onvoldoende gemotiveerd en dus in strijd met art. 24 Handvest Pro van de grondrechten van de EU in samenhang met art. 12 IVRK Pro en de Richtlijnen Kindvriendelijke Justitie. Moeder is ten onrechte de omgang ex art. 1:377a BW ontzegd en er is sprake van schending van elementaire mensenrechten, zoals art. 6 en Pro 8 EVRM, art. 24 en Pro 47 EU Handvest en art. 9, lid 3, IVRK.
(a) de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
(b) de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
(c) het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
(d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Subonderdeel 3.iklaagt dat het hof had moeten responderen op de stelling van moeder dat het hof onvoldoende specialistische kennis in huis heeft om het gesprekje met de dochter op waarde te duiden. Het hof heeft dat niet gedaan en geoordeeld dat het gesprekje de eigen vrije mening van de dochter is, waardoor de rechtsoverwegingen onvoldoende gemotiveerd zijn, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 3.iivoert aan dat het oordeel ook in strijd is met de fundamentele rechten van de dochter en moeder (art. 6 EVRM Pro, art. 9, lid 3, IVRK en art. 24 Handvest Pro), want de stem van het kind is onvoldoende gehoord. De juiste randvoorwaarden om de vrije mening van het kind te laten horen zijn niet gecreëerd. Het terugsturen van de geschreven brief van de dochter aan de rechter door de rechtbank naar het huisadres van de vader, heeft ervoor gezorgd dat de situatie van de dochter niet meer veilig is en er geen sprake is van een vrije meningsuiting.
Subonderdeel 3.iiiherhaalt nogmaals dat de specialistische kennis bij het hof ontbreekt om te beoordelen of de dochter wel haar eigen mening heeft gevormd.
Subonderdeel 5.ibetoogt dat het hof door feitelijk vast te stellen dat “er zorgen bestaan over de omgang van [de dochter] met moeder” en “dat moeder [de dochter] bij zaken voor volwassenen betrekt” hoewel de moeder dit gemotiveerd heeft betwist, het hof niet is ingegaan op een essentiële stelling en het oordeel een motiveringsgebrek oplevert.
Subonderdeel 5.iiklaagt dat het hof in rov. 5.10 niet als feit had mogen vaststellen dat de moeder de dochter bij zaken voor volwassen betrekt nu de moeder dat heeft bestreden en de GI dat dus had moeten bewijzen. Uit de uitspraak van het EHRM Y.C. tegen UK [17] volgt immers ook dat ingrepen in family life gebaseerd moeten zijn op feiten. Nu de vaststelling in rov. 5.10 en 5.11 daaraan niet voldoet, is sprake van strijd met art. 8 EVRM Pro in samenhang met art. 6 EVRM Pro.
volgens de GIde moeder de dochter bij zaken voor volwassenen betrekt. Dit volgt uit de processtukken van de GI. Anders dan de moeder stelt heeft zij zich tegen deze stelling niet verweerd met de stelling dat deze rapporten vals zijn en berusten op speculaties. Het hof hoefde het verweer van moeder hier dan ook niet bij te betrekken. Het onderdeel faalt dan ook.
equality of arms. Ook voert het onderdeel nog aan dat het hof enkel op basis van het gesprek met de dochter heeft geoordeeld dat het belang van de dochter zich verzet tegen het onderzoek. Dit is volgens het onderdeel veel te beperkt, want als blijkt dat de dochter niet veilig kan zeggen dat de dochter bij de moeder wil zijn dan is het onthouden van een onderzoek in strijd met het belang van de dochter.
equality of armsgeweld werd aangedaan: de rapportage van de RvdK bepaalt in de praktijk in hoge mate de uitkomst en er is te weinig mogelijkheid voor kritische tegenspraak. Ruimere mogelijkheden voor contra-expertise werden bepleit. Naar aanleiding hiervan is art. 810a Rv. in de wet opgenomen. [20]