Conclusie
novum; evident onredelijk? Beleidsvrijheid inspecteur? Betekenis HR
BNB2022/8
1.Overzicht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenheeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard, maar heeft de ingangsdatum van sectorindeling 33 niet bepaald op 1 mei 2017, zoals de belanghebbende voorstaat, maar op 1 oktober 2018, i.e. slechts één maand eerder dan de datum die de Inspecteur voorstond. De Inspecteur heeft volgens het Hof beleidsvrijheid bij de bepaling van de ingangsdatum van een wijziging in de sectorindeling. Uit het beleidsbesluit van 11 januari 2012 volgt dat hij daarbij hetzelfde beleid voert als bij ambtshalve vermindering van aanslagen. Onderdeel van dat beleid is dat als nieuwe rechtspraak de aanleiding voor de ambtshalve vermindering is, alleen vermindering wordt verleend ter zake van belastingbedragen die nog niet onherroepelijk vaststaan ten tijde van die rechterlijke uitspraak, in casu de Hofuitspraak van 18 december 2018. Gelet op de bezwaartermijn van zes weken, gaat het dan in casu om premie-afdrachten van na 5 november 2018. Op die datum kon de belanghebbende nog aangifte doen en loonheffingen afdragen voor de maand oktober 2018, zodat het beleid van de Inspecteur meebrengt dat teruggaaf kan worden verleend van de sinds 1 oktober 2018 te veel afgedragen premie en dat de sectorindeling wordt gewijzigd per 1 oktober 2018.
Harderwijk-uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. Hij heeft beoordeeld of de gevolgen van het beleid voor de belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de ermee te dienen doelen, waarbij twee belangrijke oriëntatiepunten zijn (i) de aard en het gewicht van de bij het besluit betrokken belangen en (ii) de ingrijpendheid van het besluit en de mate waarin het fundamentele rechten van de belanghebbende aantast. Het Hof acht de gevolgen van het bestreden besluit voor de belanghebbende (meer premiekosten en extra kosten voor tussentijds aanpassen van de administratie) niet onevenredig aan de met dat besluit te dienen publieke doelen (het zwaarwegende belang van rechtszekerheid), waarbij meeweegt dat de belanghebbende die gevolgen niet alleen aan het beleid heeft te wijten, maar ook aan haar eigen verzuim om in beroep te gaan tegen de afwijzing van haar eerdere verzoek om herindeling.
cassatievoert de belanghebbende twee klachten aan. Volgens klacht (i) volgt uit HR
BNB2022/8 dat de aanspraak op terugbetaling van door onjuiste sectorindeling teveel betaalde premies een bezitting is als bedoeld in art. 1 Protocol Pro I EVRM (eigendomsgrondrecht) die alleen kan worden ontnomen als daarvoor specifieke en dwingende redenen bestaan, hetgeen niet het geval is, nu de belanghebbende al vanaf mei 2017 haar werkzaamheden in sector 33 verricht. Volgens dat arrest moet de inspecteur onjuiste sectorindelingen zoveel mogelijk herstellen en de gevolgen van onjuiste indeling zoveel mogelijk ongedaan maken. Het Hof gaat dus ten onrechte uit van beleidsvrijheid van de Inspecteur. Ook laat het Hof ten onrechte meewegen dat de belanghebbende eerder om herindeling had kunnen vragen, want dat doet volgens HR
BNB2022/8 niet ter zake. Het Hof negeert ook de in de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) genoemde terugwerkdatum van 29 juni 2018.
moestcorrigeren en nog steeds met veronachtzaming van de rechtszekerheid van de premieplichtige in diens
nadeelde sectorindeling vijf jaar terugwerkend kan wijzigen. Rechtszekerheid (voor uitsluitend de fiscus) is dus geen zwaarwegend belang.
BNB2022/8 constateerde u dat sectoraansluiting van werkgevers van rechtswege geschiedt en oordeelde u dat dat meebrengt (i) dat de inspecteur een onjuiste sectorindeling in beginsel moet herstellen met een nieuwe indelingsbeschikking en dat hij de gevolgen van zulke onjuistheden zoveel mogelijk ongedaan moet maken en (ii) dat werkgevers een uit de wet voortvloeiende aanspraak - en daarmee de gerechtvaardigde verwachting - hebben van terugbetaling van in de laatste vijf jaar teveel betaalde premies. Die aanspraak is een
possessionin de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM, zodat voor ontneming met terugwerkende kracht een
specific and compelling reasonvereist is. Geen zodanige
reasonachtte u de verwachting van de wetgever dat wijziging
zonderterugwerkende kracht veel werkgevers ertoe zou bewegen die aanspraak nog snel geldend te maken vóór 20 juni 2019. Dat is volgens u niet anders als een werkgever op de hoogte kon zijn van de onjuistheid van zijn indeling en eerder om correctie had kunnen vragen. U lijkt daarmee de analyse in de conclusie te volgen, die inhield dat het vijf-jaar-terug-beleid geen begunstigend beleid, maar interpretatief beleid was omdat (i) de inspecteur bij zijn ‘mededeling’ van sectorindeling even weinig keus had als de werkgever, gegeven de ‘dwingende’ aansluiting ‘van rechtswege’ bij de wettelijke sector, en (ii) de Wfsv geen temporele beperking van herziening ten voordele van de werkgever bevatte: art. 97(4) Wfsv ging alleen over herziening ten nadele, en de voorloper van art. 97(2) Wfsv, art. 13(3) CSV bepaalde expliciet dat “de
rechtsvorderingtot terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie verjaart door verloop van vijf jaren (…)”.
BNB2022/8 dat zij al eerder, in mei en september 2017, om herziening van haar sectorindeling had gevraagd en in de afwijzing daarvan heeft berust door geen beroep in te stellen tegen de afwijzende uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2018. Die uitspraak kreeg daardoor formele rechtskracht zes weken na 28 oktober 2018, dus op 9 december 2018. Belanghebbendes huidige herindelingsverzoek is dan een herhaalde aanvraag in de zin van art. 4:6 Awb Pro, een bepaling die in belastingzaken nauwelijks een rol speelt omdat aanslagen geen beschikkingen op verzoek zijn. Een verzoek om sector(her)indeling lijkt mij echter wél een aanvraag in de zin van de Awb. De Inspecteur kan volgens art. 4:6 Awb Pro een herhaalde aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere afwijzende uitspraak als de verzoeker geen nieuwe feiten aanvoert. De belanghebbende voert geen nieuwe feiten aan, maar alleen de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018, die is gedaan ná het onherroepelijk worden van de afwijzende uitspraak van 28 oktober 2018 op haar bezwaar tegen sector 52. Ook in de context van art. 4:6 Awb Pro is nieuwe rechtspraak geen nieuw feit. De Inspecteur kan dus ook op die basis weigeren om verder terug te gaan dan de datum van die eerdere niet-aangevochten en daarmee onherroepelijk geworden uitspraak op bezwaar (28 oktober 2018), net zoals hij dat kan weigeren op basis van het fiscale ambtshalve verminderingsbeleid, dat alleen voor aanslagen c.a. geldt, maar in casu van overeenkomstige toepassing verklaard blijkt te zijn. Op basis van dat ambtshalve-verminderingsbeleid is het Hof overigens al tot een (iets) eerdere datum gekomen: 1 oktober 2018.
novastelt, het bestuursorgaan toch gehouden is tot heroverweging als weigering van heroverweging ‘evident onredelijk’ is. Over de vraag wanneer dat het geval is, kan men lange verhalen schrijven en dat is dan ook gedaan (zie 5.B hieronder), maar dat is in casu niet nodig. De belanghebbende heeft geen bijzondere redenen gesteld waarom zij het er na de bezwaarafwijzing op 28 oktober 2018 bij heeft laten zitten en daartegen geen beroep heeft ingesteld. Uit de civiele en bestuursrechtspraak volgt dat zelfs als de sectorindeling onmiskenbaar onjuist zou zijn, dat gegeven op zichzelf nog niet zou nopen tot heroverweging: ook dan is nog een afweging nodig tussen de betrokken belangen, waaronder het belang van de premieheffer om niet bestookt te worden met inhoudelijk te beoordelen repetitieve (her)indelingsverzoeken. Belanghebbendes sectorindeling was overigens kennelijk niet ‘onmiskenbaar onjuist’, nu zij alleen als gevolg van een beroep op het gelijkheidsbeginsel ter zake van onjuist overgangsrechtelijk indelingsbeleid in de vaksector Horeca terecht kwam.
dieschending is al hersteld doordat (de terugwerkende kracht van) die wet in deze procedure wordt genegeerd omdat HR
BNB2022/8 daartoe noopt. Ook als de WAB niet was ingevoerd, zou de belanghebbende de formele rechtskracht van de uitspraak van 28 oktober 2018 tegengeworpen zijn en zou alleen fiscaal ambtshalve verminderingsbeleid of art. 4:6 Awb Pro haar soelaas hebben kunnen bieden, die echter beide nieuwe rechtspraak uitsluiten als
novumdat tot heroverweging noopt. Dan blijft alleen de
escapevan de evidente onredelijkheid over, maar daarvan blijkt niet. Het Hof heeft op dat punt een voorbeeldige evenredigheidstoets uitgevoerd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
Wettelijk kader en beleid
3.Het geding in cassatie
eerste klachthoudt in dat het Hof het recht schendt met sectorindeling 33 pas per 1 oktober 2018 omdat:
BNB2022/8 [5] leert dat het feit dat de premieplichtige eerder om herindeling had kunnen vragen, geen dergelijke ‘specifieke en dwingende reden’ is, terwijl het Hof toch heeft geoordeeld dat de belanghebbende wel op een later moment in de juiste sector wordt ingedeeld;
BNB2022/8 juist leert dat de aanspraak op terugbetaling uit de wet volgt en de inspecteur gehouden is foutieve sectorindelingen zoveel mogelijk te herstellen en de gevolgen van foutieve indeling zoveel mogelijk ongedaan te maken.
tweede klachtstelt dat ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk is omdat:
beleidvan de Belastingdienst art. 65 AWR Pro niet toepasselijk maakt en als dat wel zo zou zijn, het Hof had moeten onderzoeken of de Inspecteur niet al van ambtswege de onjuiste indeling had moeten corrigeren (zie art. 65 AWR Pro juncto paragraaf 23(7) Besluit Fiscaal Bestuursrecht, (b) het Hof een wettelijke regeling waarnaar de wet
nietverwijst, op basis van een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2018 [6] alsnog van toepassing verklaart en zo met een omweg toestaat dat belanghebbendes bezit over de periode februari 2018 tot en met 1 oktober 2018 wordt aangetast, hoewel blijkens r.o. 4.5 van die Hofuitspraak niet is komen vast te staan dat er beleid bestaat ten aanzien van terugwerkende kracht en (c) het Hof met zijn verwijzing naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2018 de uitspraak van ditzelfde Hof van 18 december 2018 [7] miskent.
verweerstelt de Staatssecretaris dat het Hof op goede gronden 1 oktober 2018 als ingangsdatum van de sectorwijziging heeft aangewezen. Het Hof is in r.o. 4.1 t/m 4.7 uitgegaan van het juiste rechtskader (wet en beleid) en het herzieningsverzoek moest, gelet op HR
BNB2022/8, worden beoordeeld op basis van de wet- en regelgeving zoals deze gold voordat de WAB in werking trad. Ingevolge art. 97(2) Wfsv (oud) was de Inspecteur bevoegd de sectorindeling in het voordeel van de werkgever te wijzigen met een nieuwe indelingsbeschikking en daarbij de ingangsdatum van die wijziging te bepalen. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat de Inspecteur beleidsvrijheid had bij het bepalen van die ingangsdatum. De Belastingdienst voerde het beleid dat de sectorindeling op verzoek van een werkgever kon worden gewijzigd met maximaal vijf jaar terugwerkende kracht. Dat beleid was vastgelegd in een nota van 11 januari 2012 die is gepubliceerd na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur en die als volgt luidde:
BNB2022/8 volgt volgens de Staatssecretaris niet dat het recht op terugbetaling van de teveel betaalde premies over 1 mei 2017 t/m 1 oktober 2018 alleen bij specifieke en dwingende redenen terzijde kan worden geschoven. Dat arrest betrof alleen de vraag of
de terugwerkende kracht van de wijzigingvan art. 97(2) Wfsv het eigendomsgrondrecht schond en hield in dat de inspecteur onjuiste sectorindelingen zoveel mogelijk moet herstellen, maar anders dan de belanghebbende stelt, gaat die verplichting niet verder dan toepassing van het vóór invoering van de WAB geldende rechtskader, waaronder het ambtshalve-verminderingsbeleid.
De achtergrond van het verzoek om correctie van de sectorindeling: HRBNB2022/8 en Hof Arnhem-LeeuwardenV-N2019/14.8
BNB2022/8. [12] In die zaak had de belanghebbende op 29 augustus 2018 correctie van haar sectorindeling gevraagd met ingang van 1 januari 2013, dus vijf jaar terug. Nadien, op 20 juni 2019, was echter art. 97(2) Wfsv ingevoerd, dat met terugwerkende kracht naar 29 juni 2018 de vijfjaarsverjaringstermijn voor indelingscorrectie en premieteruggaaf afschafte. De vraag was of die ontneming van de vijfjaarsverjaringstermijn het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol Pro I EVRM schond. De conclusie in die zaak hield onder meer het volgende in:
4. Sectoraansluiting ‘van rechtswege’; ‘mededeling’ bij beschikking; formalisering van de materiële premieschuld/vordering
5.Relevante regelgeving
De wet financiering sociale verzekeringen
waardoor de werkgever is bevoordeeld. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.”
De datum waarop de aansluiting op grond van een beschikking als bedoeld in de eerste zin, wijzigt, kan in afwijking van artikel 96, eerste en tweede lid, niet gelegen zijn voor de datum waarop de werkgever om herziening heeft verzocht of de inspecteur ambtshalve heeft geconstateerd dat de indeling niet juist is, tenzij sprake is van een herziening op grond van het vierde lid.
Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt niet in behandeling genomen indien deze is ingediend op of na 29 juni 2018, 17.00 uur.
waardoor de werkgever is bevoordeeld. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.”
novain beginsel beleidsvrije afwijzing van heroverwegingsaanvragen door bestuursorganen te normeren. Die conclusie betreft een weigering door het Uwv om een onherroepelijke boetebeschikking te herzien en houdt onder meer het volgende in: [14]
8. Het toetsingskader – de betekenis van art. 4:6(2) Awb voor bestuur en rechter
novainhoudelijk in te gaan op een herhaalde aanvraag als zij daartoe aanleiding zien. De rechter kan het bestuur daartoe echter niet verplichten. Het gaat om een bevoegdheid van het bestuur; niet van de rechter. Die laatste heeft zichzelf toch enigszins binnenspel gemanoeuvreerd door te oordelen (zie 8.6 hieronder) dat hij zich er ook bij afwezigheid van
novawél mee kan bemoeien in gevallen waarin het bestuursorgaan ‘evident onredelijk’ handelt door het verzoek af te wijzen alleen omdat
novaontbreken. De invulling van dat ‘evident onredelijk’-criterium in de bestuursrechtspraak wordt in onderdeel 10 hieronder besproken.
novazijn aangevoerd, maar ook of het evident onredelijk is om heroverweging te weigeren. De Afdeling overwoog als volgt over deze wending in zijn
ne bis in idem-rechtspraak: [18]
oftoegang ontstaat tot een inhoudelijke herbeoordeling hangt immers af van die inhoudelijke herbeoordeling. Is het evident onredelijk om inhoudelijke heroverweging van een beschikking te weigeren, dan staat daarmee ook vast dat die beschikking inhoudelijk heroverwogen moet worden. (…).
Haviltex [20] -beoordeling van het individuele geval: alle voor de beoordeling van de (on)redelijkheid van de concrete weigering relevante feiten en omstandigheden moeten meegewogen worden. Het is dus niet verrassend dat de rechtspraak weinig algemeen hanteerbare criteria biedt. (…).
Byankov [22] of
Kühne & Heitz-omstandigheden; zie 15.11 t/m 15.14 hieronder),
12.Ambtshalve vermindering van onherroepelijke aanslagen en fiscale boeten
NJ1995/73 op dat de overweging dat van een verplichting tot aanslagvermindering slechts sprake kan zijn als de heffende instantie tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist waren, niet betekent dat bestuursorganen steeds verplicht zijn om onmiskenbaar onjuiste besluiten te corrigeren. Zo’n automatisme zou niet te rijmen zijn met het uitgangspunt dat een onherroepelijke beschikking in beginsel voor juist moet worden gehouden. Het komt er, naast de onmiskenbare onjuistheid van de beschikking, op aan of de heffende overheid in redelijkheid tot de weigering van vermindering of teruggaaf kon komen, na weging van de betrokken belangen en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat is een zeer terughoudende toets. [24] Ook mijn ambtgenoot Snijders concludeerde (…) dat onmiskenbare onjuistheid op zichzelf nog niet leidt tot een verplichting tot ambtshalve herziening van een aanslag waarvan heroverweging tot geen andere conclusie zou kunnen leiden dan dat hij onjuist is: [25]
novaen evidente onredelijkheid van niet-heroverweging (‘neen, tenzij’). Het enige nadeel ten opzichte van het art. 4:6 Awb Pro-regime is dat geen toegang tot de rechter bestaat, behalve ter zake van aanslagen c.a. in de inkomstenbelasting. (…).
15.Beantwoording van de vragen
evergreen, nl. de relativering van de formele rechtskracht van niet (tijdig) aangevochten beschikkingen, (…).
jede Konsequenz, die, zoals bekend,
zum Teufel führt.
[...] /Staat [35] (1995) drie redenen (voor de burgerlijke rechter) om uit te gaan van de rechtmatigheid van niet (meer) aangevochten beschikkingen: [36] (i) competentieverdeling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter, ook met het oog op voorkoming van tegenstrijdige uitspraken, [37] (ii) specialisatie: beoordeling van beschikkingen van bestuursorganen is de specialiteit van de bestuursrechter; niet die van de burgerlijke rechter, en (iii) rechtszekerheid, die gediend is met relatief korte termijnen voor bezwaar en beroep.
ius vigilantibus esten dat de burger een eigen taak en verantwoordelijkheid heeft om zijn uitkeringsinstantie tijdig in kennis te stellen van omstandigheden die zijn recht op uitkering beïnvloeden en om te reageren op zijns inziens onjuiste beschikkingen die hem aangaan. (…).
Het ambtshalve-verminderingsbeleid op basis van art. 65 AWR Pro (in casu van overeenkomstige toepassing)
6.Beoordeling van de middelen
BNB2022/8 (zie 4.5 hierboven) constateerde u dat sectoraansluiting van werkgevers van rechtswege plaatsvond en oordeelde u dat dat meebrengt (i) dat de inspecteur een onjuiste sectorindeling in beginsel moet herstellen door afgifte van een nieuwe indelingsbeschikking en dat hij de gevolgen van zulke onjuistheden zoveel mogelijk ongedaan moet maken en (ii) dat werkgevers een uit de wet voortvloeiende aanspraak - en daarmee de gerechtvaardigde verwachting - hebben van terugbetaling van in de laatste vijf jaar teveel betaalde premies, wat een
possessionoplevert in de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM, zodat voor ontneming met terugwerkende kracht daarvan een
specific and compelling reasonvereist is. Zo’n
reasonachtte u niet voorhanden. De verwachting van de wetgever dat wijziging zonder terugwerkende kracht naar de aankondigingsdatum (29 juni 2018, 17.00 uur) van art. 97(2) Wfsv per 20 juni 2019 veel werkgevers ertoe zou bewegen die aanspraak nog snel geldend te maken vóór 20 juni 2019 was niet zo’n reden die schending van het eigendomsgrondrecht kon rechtvaardigen. Dat is volgens u niet anders als een werkgever op de hoogte kon zijn van de onjuistheid van zijn indeling en eerder om wijziging had kunnen vragen. U verwees de zaak naar de feitenrechter ‘om opnieuw te laten beoordelen of belanghebbende recht heeft op indeling in sector 10 met ingang van 1 januari 2013 of een latere datum’.
rechtsvorderingtot terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie verjaart door verloop van vijf jaren (…)”. Beleid dat een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend terugvorderingsrecht beperkte tot vijf jaar kon dus zelfs als buitenwettelijk rechts
beperkendworden beschouwd, ook al was onder de Wfsv een ‘mededeling’ nodig om het uit de wet voortvloeiende vorderingsrecht om te zetten in een afdwingbare rechtsvordering.
BNB2022/8. Zij kan zich op basis van HR
BNB2022/8 dus rechtstreeks op de wet beroepen en is in beginsel niet afhankelijk van ambtshalve-verminderingsbeleid dat beperkt wordt doordat nieuwe rechtspraak geen herzieningsgrond is. Weliswaar is/was een ‘mededeling’ van indeling door de Inspecteur vereist voor de
rechtsvorderingtot teruggaaf, maar het
vorderingsrechtvloeide rechtstreeks uit de wet voort en de Inspecteur kon niet weigeren de ‘mededeling’ van de ‘dwingende’ indeling ‘van rechtswege’ af te geven. Het Hof is mijns inziens daarom ten onrechte uitgegaan van beleidsvrijheid van de Inspecteur bij het ‘mededelen’ van correcte indeling vanaf de correcte, rechtstreeks uit de wet en de soort werkzaamheden voortvloeiende datum, die tot vijf jaar terug kon liggen. Dat leidt echter niet tot cassatie omdat de eerdere afwijzing van belanghebbendes eerdere verzoek om sectorindeling op 9 december 2018 onherroepelijk werd.
BNB2022/8 heeft de belanghebbende weliswaar in beginsel recht op herindeling tot vijf jaar terug,
i.e.tot de datum die zij voorstaat (1 mei 2017) en daarbij doet in beginsel niet ter zake wat de aanleiding is voor een verzoek om correcte aansluiting. Werkgevers hadden immers zonder meer aanspraak op vijf jaar terugwerkende correcte indeling en terugbetaling, zo volgt uit HR
BNB2022/8. Er bestond geen herindelings-verzoektermijn van zes weken na een indelingsbeschikking van de Inspecteur, maar een
verjaringstermijn van vijf jaren ter zake van een vorderingsrecht, en belanghebbenden mochten er dus zonder meer vanuit gaan dat zij vijf jaar de tijd hadden om dat vorderingsrecht te effectueren, net zoals de fiscus vijf jaar over herziening ten nadele mocht en mag doen. De rechtszekerheid van de debiteur (de fiscus) is in zoverre geen relevante overweging bij een aan de crediteur ter beschikking staande verjaringstermijn.
BNB2022/8 dat zij al eerder, in mei en september 2017, om indeling in sector 33 had gevraagd en in de uiteindelijke afwijzing daarvan heeft berust door geen beroep in te stellen tegen de afwijzende uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2018. Die weigering en die uitspraak op bezwaar kregen aldus formele rechtskracht op het moment waarop de beroepstermijn tegen die onjuiste uitspraak verliep,
i.e.zes weken na 28 oktober 2018, dus op 9 december 2018.
novastelt, het bestuursorgaan toch gehouden is tot heroverweging als weigering van heroverweging ‘evident onredelijk’ is. Over de vraag wanneer zo’n weigering evident onredelijk is, kan men lange verhalen schrijven en dat is dan ook gedaan in de boven (5.6) geciteerde conclusie, maar dat is in casu niet nodig.
dieschending is al hersteld doordat (de terugwerkende kracht van) die wet in deze procedure wordt genegeerd op grond van HR
BNB2022/8. Ook als die wet niet was ingevoerd, zou de belanghebbende de formele rechtskracht van de uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2018 tegengeworpen zijn en zou alleen fiscaal ambtshalve verminderingsbeleid of art. 4:6 Awb Pro haar soelaas hebben kunnen bieden, die echter beide nieuwe rechtspraak uitsluiten als
novumdat tot heroverweging noopt. Dan blijft alleen de
escapevan de ‘evidente onredelijkheid’ van weigering van heroverweging over, maar van evidente onredelijkheid blijkt niet. Het Hof heeft op dat punt een voorbeeldige evenredigheidstoets uitgevoerd.