Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing
mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden, en dat de rechter die na verwijzing over de zaak oordeelt, de hiervoor bedoelde (wijziging van) feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken. Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkómt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken juridische of feitelijke gegevens. [9]
In het dictumvan zijn beschikking van 19 juni 2020 heeft de Hoge Raad de toen bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 vernietigd. Bij cumulatie van vorderingen of verzoeken is een partiële vernietiging in het dictum op zich mogelijk. [25] In dit geval heeft de Hoge Raad de appelbeschikking vernietigd en ‘het geding’ verwezen naar het gerechtshof Amsterdam, ter verdere behandeling en beslissing. Dat lag naar mijn mening ook voor de hand, omdat na verwijzing nog onderzoek moest worden gedaan naar de behoeftigheid van de vrouw en naar een eventuele terugbetalingsverplichting. In zoverre was er sprake van samenhang tussen de kinder- en de partneralimentatie. [26] De verwijzingsrechter dient bij de verdere afdoening uitleg te geven aan de uitspraak van de Hoge Raad.
klacht onder 2.1 en 2.2houdt in dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, door niet zelf alle voor de partneralimentatie relevante feiten vast te stellen aan de hand van het debat in de procedure na cassatie en verwijzing. Door in rov. 2.11 te verwijzen naar de draagkrachtberekeningen die het gerechtshof Den Haag had gemaakt heeft het gerechtshof Amsterdam volgens de vrouw miskend dat de (verwijzings)rechter in alimentatiezaken zelf de feiten moet vaststellen. Dit betekent volgens de vrouw dat het gerechtshof Amsterdam óók acht had moeten slaan op hetgeen zij in het geding na verwijzing had aangevoerd over in die draagkrachtberekeningen nog niet meegenomen inkomsten uit verhuur en over een verschuiving (voor de inkomstenbelasting) van de woonlasten van box 1 naar box 3. [28]
subonderdeel 2.3geldt de noodzaak van een nieuwe vaststelling van behoefte en draagkracht in dit geval temeer, omdat de alimentatiebeslissing van het gerechtshof Den Haag op onvolledige gegevens berustte. Op blz. 2 van zijn beschikking van 24 juli 2019 op het verzoek van de vrouw tot herstel van die beschikking heeft dat gerechtshof overwogen dat het hof in zijn beschikking van 27 februari 2019, gezien de gebrekkige informatie van partijen, zelf is gaan rekenen op basis van gegevens die het hof in het dossier had aangetroffen en uit de toelichting had begrepen. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
klacht onder I (a en b), gericht tegen de laatste volzin van rov. 2.13, houdt in dat het hof de door de Hoge Raad in rov. 3.2.2 van zijn beschikking van 19 juni 2020 geformuleerde regels heeft miskend, althans zijn beslissing ten aanzien van de terugbetalingsverplichting ontoereikend heeft gemotiveerd. Anders dan het hof in deze volzin overweegt, gaat het volgens de vrouw niet slechts om matiging van de terugbetalingsplicht. De Hoge Raad schrijft immers voor dat de rechter, beslissend op een wijzigingsverzoek of beslissend in hoger beroep, slechts behoedzaam gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om de hoogte van de alimentatie te wijzigen met ingang van een tijdstip dat vóór de datum van zijn uitspraak ligt. Dit vereist volgens de vrouw een andere toetsing dan het hof heeft toegepast. De motiveringsklacht van subonderdeel I.b is nader uitgewerkt in de
klachten onder II (a – f).Deze gaan meer in detail in op de vraag of het gerechtshof Amsterdam zich een verkeerde voorstelling heeft gemaakt van de omvang van de terugbetalingsverplichting van de vrouw en (onder II.d) van de duur van het dienstverband bij haar nieuwe werkgever.
verschuldigdepartneralimentatie in het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019, missen zij feitelijke grondslag. Op grond van de eindbeschikking van het gerechtshof Amsterdam bedraagt de alimentatieverplichting van de man in het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 afgerond € 73.258,-. [33] De alimentatiebetalingen die de vrouw feitelijk van de man heeft ontvangen over dit tijdvak kunnen hiermee worden vergeleken.
veronderstellenderwijsuitgaat van een terugbetalingsverplichting. Volgens rov. 2.13 heeft het hof het terug te betalen bedrag niet kunnen vaststellen omdat geen duidelijkheid is verkregen over de precieze bedragen die partijen over en weer hebben betaald. Dit brengt mee dat bij de beoordeling van dit cassatieberoep als hypothetische grondslag heeft te gelden dat het ten hoogste gaat om een terugbetalingsverplichting van € 27.462,03 (het door de man gestelde, maar door de vrouw betwiste bedrag). [34]
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
opnieuw rechtdoende”, de partneralimentatie vast te stellen op dit bedrag. [41] Deze stellingen van de vrouw kunnen niet anders worden begrepen dan dat het gerechtshof Den Haag volgens haar destijds bij de vaststelling van de door de man aan haar te betalen partneralimentatie is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, en dat daardoor de partneralimentatie is vastgesteld op lagere bedragen dan waarom zij had verzocht. Aldus diende het gerechtshof Amsterdam, rekening houdend met de nieuwe informatie, te beoordelen of de (opnieuw vast te stellen) draagkracht van de man de eerder door de vrouw verzochte partneralimentatie toelaat. Dit heeft het hof ook gedaan.