Conclusie
als aangifte van [aangeefster] namens [A]:
als verhoor van [betrokkene 1]:
als verklaring van verdachte:
NJ2009/120 in lijn met eerdere rechtspraak [1] het volgende overwogen:
de kans zeer groot is(mijn cursivering) [5] dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren, en de verdachte, alvorens de brandbare stoffen tot ontsteking te brengen, door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde”. Anders dan in het eerstgenoemde geval (het arrest van 17 maart 2009) liet de Hoge Raad de veroordeling in stand.
afgewenddoor het activeren van het brandalarm en achteraf bezien zich geen gevaar heeft voorgedaan, doet in het geheel niet af aan de begrijpelijkheid van het (impliciete) oordeel van het hof dat gevaar te
duchten wasvoor de personen die in de zorginstelling aanwezig waren en dit gevaar ten tijde van de brandstichting voorzienbaar was. [10]
NJ2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.3) [15] zou betekenen dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim drie maanden is overschreden en dit volgens de gebruikelijke maatstaf tot strafvermindering moet leiden.
zesmaanden (o.m.) in zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. [16] Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Blijkens het detentieoverzicht op naam van de verdachte was hij al sinds september 2019 niet meer preventief gehecht. Wel kan, denk ik, in cassatie ervan worden uitgegaan dat de verdachte door het bevel van het hof tot dadelijke uitvoerbaarheid van de opgelegde tbs met voorwaarden, ingevolge één van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarden in een forensisch psychiatrische kliniek, dan wel in een zogenoemde ‘overbruggingsplek’, is opgenomen voor klinische behandeling. Het komt mij voor dat een dergelijke klinische opname in een zaak waarin ten aanzien van de verdachte nog geen onherroepelijke uitspraak is gewezen zich – in dit verband – laat vergelijken met een voorlopige hechtenis. Mede gelet op de ratio die achter de bovengenoemde (kortere) inzendtermijn van zes maanden ligt, zou ik mij daarom goed kunnen voorstellen dat de Hoge Raad in een geval als het onderhavige eveneens deze zesmaandentermijn tot uitgangspunt neemt en in de onderhavige zaak hanteert, hetgeen alsdan betekent dat de inzendtermijn in casu met ruim vijf maanden is overschreden. [17]