Conclusie
Inleiding
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Oordeel van het hof
Feit 1
De Surinamer [[slachtoffer 1]] had de Marokkaan [client] gepakt en ging hem met de vuist slaan. De Surinaamse man was sterk en ging hem slaan en niemand haalde ze uit elkaar. (...) lk denk dat de Marokkaan 5 seconden niet bij kennis was. Toen vluchtte de Marokkaan weg.”
deurvan de kebabzaak is geschoten. Ten onrechte. Uit het dossier blijkt dat er een inschot is in een
raamvan de kebabzaak en dat dit raam een aantal ramen verwijderd is van de deur. Dit is een belangrijke vaststelling, omdat de rechtbank deze fout naar het lijkt wel meegenomen heeft in haar visie met betrekking het doel (opzet) van cliënt en daarmee ook tot de voorbedachte raad.
uitde richting van de aangever heeft geschoten, maakt dat bezwaarlijk gesteld kan worden dat hij op de aangever heeft willen schieten. Van vol opzet is dan ook geen sprake.
nietdoor dit schot geraakt. De kogel is (zoals reeds benoemd) uiteindelijk in de schoen van een omstander – [getuige 3] – terecht gekomen.
nietde intentie om aangever om het leven te brengen:
Mede gelet op het lage kaliber van mijn wapen lag het niet voor de hand dat het schot op [slachtoffer 1] dodelijk zou kunnen zijn als hij in zijn benen was geraakt.”
nietkan worden vastgesteld.
Toen ik schoot, stond ik stil en kon ik goed richten. Buiten was meer ruimte; er waren minder mensen dichtbij elkaar. Andere mensen stonden bij ons in de buurt toen ik schoot. (...)”
nietnaar beneden is geschoten. Het sluit het door client gegeven scenario dat naar beneden is geschoten in elk geval niet uit.
naar benedenheeft geschoten, is de plaats waar de kogel uiteindelijk terecht is gekomen. [getuige 3] heeft een huls in zijn schoenzool aangetroffen die (naar alle waarschijnlijkheid) afkomstig is uit het wapen waarmee client heeft geschoten. Het feit dat de kogel in een schoen van [getuige 3] terecht is gekomen, maakt het zeer waarschijnlijk dat (bewust) naar beneden is geschoten. En niet eens op de benen, maar zelfs laag richting de voeten. [getuige 3] stond/liep immers op straat en bevond zich bovendien
zeer dichtbij aangever op het moment dat het schot werd gelost. Dit blijkt uit de bewegende camerabeelden die aan de verdediging zijn verstrekt. Op minuut 00:05:57 is te zien dat de rechtervoet van [getuige 3] wordt geraakt en dat aangever precies op dat moment zeer dicht langs [getuige 3] heen rent. Dat [getuige 3] op dit moment in zijn schoen wordt geraakt is te zien aan de wijze waarop hij zijn rechtervoet opeens beweegt (deze draait opeens naar binnen). Even later (op minuut 00:06:10) beweegt [getuige 3] deze zelfde voet en kijkt hij naar zijn schoen alsof hij hier iets aan voelt.
op het momentdat hij voor de tweede keer schoot. Wat de verdediging betreft heeft de rechtbank dit op basis van het dossier niet kunnen vaststellen. Verschillende getuigen verklaren weliswaar dat aangever door client achterna werd gerend en ook de beelden geven blijk van een achtervolging op bepaalde momenten, echter, geen enkele getuige verklaart dat client
op het moment van schietenaan het rennen is en ook op de beelden is niet te zien dat cliënt rent op het moment waarop het schot wordt gelost, immers op het moment dat er geschoten wordt is client niet in beeld.
Toen ik schoot, stond ik stil en kon ik goed richten.” Hoewel het niet op de beelden is waar te nemen (tijdens het schot is client immers niet in beeld), is hierop wel een situatie te zien waarin het goed mogelijk is dat client stil stond tijdens het schieten. Immers, als client op minuut 00:05:47 vanaf de achterkant (tweede ingang) van de kebabzaak wegrent en aangever enkele momenten daarna (op minuut 00:05:52 t/m 00:05:55) via de voorkant naar buiten rent, links afslaat en nog een keer links af wil slaan (op minuut 00:05:55), lijkt hij client (op het moment dat aangever voor een tweede keer links af wil slaan) daar te zien staan waardoor hij zich omdraait en de andere kant op gaat rennen. Het zou goed kunnen dat cliënt, zoals hij heeft verklaard, op dat moment stil staat, omdat hij al eerder naar deze plek toe is gerend (op minuut 00:05:47). Wanneer aangever de andere kant op wegrent, daarbij rakelings langs [getuige 3] rent en op welk moment [getuige 3] in zijn schoen wordt geraakt (00:05:57), zien we client
daarnapas in beeld komen (00:05:58), rennend achter aangever aan. Het is dan ook goed mogelijk dat client stilstaand het schot heeft gelost (hij stond daar immers al) en
daarnade achtervolging van aangever (verder) heeft ingezet.
gecontroleerd schotnaar beneden in de richting van de benen van aangever. De schietrichting wijst daar allereerst op en er zijn daarnaast geen omstandigheden aan de orde die op het tegendeel wijzen. Het enkele feit dat client geen geoefend schutter is, kan daaraan in ieder geval niet ten grondslag worden gelegd.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet, is van belang om vast te stellen op welke wijze verdachte heeft geschoten. (...) Verdachte erkent dat hij tweemaal in de richting van slachtoffer heeft geschoten. Hij stelt uitdrukkelijk daarbij op de grond gericht te hebben: Uit het sporenonderzoek blijkt dat op de straatkeilen (...) munitiedelen (...) zijn aangetroffen. Deze onderzoeksresultaten kunnen passen bij de verklaring dat hij naar de grond heeft gericht. Verder forensisch technisch onderzoek dienaangaande ontbreekt echter. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen niet worden vastgesteld op welke wijze is geschoten. (...) Omdat de onderzoeksresultaten die zich in het dossier bevinden kunnen passen bij de verklaring van verdachte dat hij naar de grond heeft geschoten dan wel daarmee niet in strijd zijn en het dossiergeen aanknopingspunten biedt dat dat op andere wijze is gebeurd, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte naar de grond heeft gericht bij het afvuren van de kogels.”
nietmet dodelijke afloop zou raken. Client heeft daarmee weliswaar zeer onvoorzichtig gehandeld, maar erop gerekend dat hij aangever niet in vitale delen van zijn lichaam zou schieten. Bij het ontbreken van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans maar bij de aanwezigheid van zeer onvoorzichtig handelen kan weliswaar sprake zijn van bewuste schuld, maar
nietvan voorwaardelijk opzet.
geensprake is geweest van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans, omdat de verdachte bij het schieten zonder meer is uitgegaan van een goede afloop. De verdachte in kwestie schoot doelbewust laag op de scooter en zij rekende erop dat ze daarmee de scooterrijder niet zou raken. Met het schieten op een rijdende scooter heeft de verdachte verwijtbaar gehandeld en had zij beter moeten weten, maar dat het handelen van de verdachte, te weten het weloverwogen laag schieten, naar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De verdachte werd dan ook vrijgesproken:
nietzozeer zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard:
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk geformuleerde uitgangspunten:
NJ2006/50. De verdachte had geschoten op het woonkamerraam van een bovenwoning, terwijl hij wist dat zijn ex-vrouw en haar zus zich in de woning bevonden. Uit de bewijsmiddelen volgde dat alleen de ex-vrouw op het moment van schieten in de woonkamer was. Haar zus was in de slaapkamer. Het hof veroordeelde de verdachte niettemin voor tweemaal poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Volgens het hof had de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kogel via het plafond of via een ander voorwerp van baan zou veranderen en een persoon zou kunnen raken, met zwaar letsel als gevolg. De Hoge Raad casseerde ten aanzien van het bewezenverklaarde opzet, omdat de aanmerkelijke kans dat de zus door het schot lichamelijk letsel zou bekomen niet uit de bewijsvoering kon volgen nu zij zich in een andere kamer bevond. [3]
NJ2010/250. Het slachtoffer in deze zaak werd midden in de nacht opgezocht door de verdachte bij zijn woning, met wie hij eerder op de avond ruzie had gehad en van wie hij ook doodsbedreigingen had gekregen. Toen het slachtoffer zag dat de verdachte in de richting van zijn woning kwam, draaide hij zijn voordeur op slot en verstopte hij zich vervolgens in de slaapkamer. Op het moment dat de verdachte bij de woning aankwam, klopte hij eerst een paar keur op de voordeur, om na een aantal seconden twee kogels door de deur heen te schieten. Naar het oordeel van het hof had de verdachte hiermee willens en wetens de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer – van wie hij kon verwachten dat deze zich mogelijk achter de deur zou bevinden – dodelijk geraakt zou worden door één van de kogels. Ook deze veroordeling hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke aanmerkelijke kans niet zonder meer uit ‘s hofs bewijsvoering kon volgen, aangezien die bewijsmiddelen onder meer inhielden dat het slachtoffer zich ten tijde van het lossen van de schoten in de slaapkamer bevond, terwijl die slaapkamer niet in het verlengde van de voordeur was gelegen.
NJ2013/112, m.nt. Keijzer, waarin de verdachte schoten had gelost op de ruit van een café. De verdachte werd vervolgd voor poging tot moord van vier personen die zich op dat moment in het café bevonden. Door de verdediging was in hoger beroep aangevoerd dat er vanwege de dubbele ramen objectief gezien geen aanmerkelijke kans op dodelijk letsel was. De toenmalige A-G Knigge staat in zijn conclusie vóór dit arrest stil bij de verhouding tussen enerzijds de jurisprudentiële eis dat de kans op het dodelijk gevolg objectief gezien aanmerkelijk moet zijn geweest en anderzijds het leerstuk van de (relatief) ondeugdelijke poging. Hij werpt daarin onder meer de vraag op of voor de aannemelijkheid van de kans ingeval van voorwaardelijk opzet, net als bij de vraag naar de deugdelijkheid van een poging, moet worden geabstraheerd van ‘toevallige’ omstandigheden, zoals in dit geval de aanwezigheid van dubbele beglazing. Aan een beantwoording van deze vraag kwam de Hoge Raad hier echter niet toe, omdat het hof in dit geval niet voor de weg van abstrahering had gekozen, maar de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop had gestoeld op de concrete omstandigheid dat kort daarvoor een gat in de desbetreffende ruit was geslagen, en er aldus volgens het hof een grote tot zeer grote kans bestond dat de afgevuurde kogel – de verdachte bleek een ongeoefend schutter – door het reeds ontstane gat het cafe zou zijn ingegaan en een slachtoffer dodelijk had kunnen treffen. Het hof meende daarom dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte één van de genoemde vier personen dodelijk zou raken. De Hoge Raad kwam tot een vernietiging van dit oordeel, niet zozeer vanwege de wijze waarop het hof de aanmerkelijke kans had geconstrueerd, maar wegens het feit dat de bewezenverklaring niet aansloot op de bewijsoverwegingen van het hof; het hof had vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte één van de genoemde vier personen dodelijk zou raken, maar had vervolgens bewezenverklaard de poging tot moord ten aanzien van alle vier personen.
NJ2016/41, m.nt. Mevis slaagde eveneens een bewijsklacht aangaande de aanmerkelijke kans. De verdachte in kwestie had tijdens voetbalrellen een ‘Napolitaanse vuurwerkbom’ op een ME-bus gegooid, waarin op dat moment een agent zat. De verdachte werd vervolgd voor poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In hoger beroep was namens de verdachte onder meer aangevoerd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar letsel, nu een ME-bus een gepantserd voertuig is dat niet zomaar is te beschadigen. Het hof stapte daaroverheen en overwoog dat de verdachte wist wat voor soort vuurwerkbom hij gegooid had en dat hij, “door dergelijk zwaar vuurwerk op een ME-bus te gooien zonder zich ervan te vergewissen of er iemand in dat voertuig zat”, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door de ontploffing van die bom op de bus zwaar lichamelijk letsel voor een inzittende het gevolg kon zijn. De Hoge Raad kwam tot de slotsom dat deze omstandigheden onvoldoende grond vormen voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet en dat het hof dit oordeel, mede gelet op het verweer van de verdediging, nader had moeten motiveren.
NJ2017/198, m.nt. Rozemond lijkt hun daarin te steunen. De verdachte had het slachtoffer in de buik gestoken met een mes. Achteraf bleek dat het slachtoffer een steekwerend vest droeg. De verdachte had met zoveel kracht gestoken dat het mes het vest alsnog had doorboord. De verdediging had aangevoerd dat, door de specifieke omstandigheid dat het slachtoffer een steekwerend vest bleek te dragen, geen uitspraak kon worden gedaan over de aanmerkelijke kans dat de steek een dodelijke wond kon veroorzaken. Het hof ging daar niet in mee en oordeelde dat het met kracht met een mes steken in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, een aanmerkelijke kans op de dood oplevert en dat de verdachte die kans bewust had aanvaard. Dat oordeel hield stand in cassatie. De Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat de toegebrachte verwonding nadien niet levensbedreigend bleek te zijn omdat het slachtoffer op het moment van steken een steekwerend vest droeg, niet tot een ander oordeel leidt, reeds omdat het hof had vastgesteld dat de verdachte met zodanige kracht had gestoken dat het steekwerende vest door de messteek was doorboord. Daaraan voegde de Hoge Raad nog het volgende toe (rov. 2.3):
aanmerkelijke kansbestond op de dood van dan wel zwaar lichamelijk letsel bij de aangever (cursivering door mij, A-G). Daartoe heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte heeft geschoten met een .22 kaliber wapen en een kogel met een zeer kleine doorsnee van 5,56 millimeter, dat de kogel enkel door de buitenste gasplaat is gedrongen en door de binnenste glasplaat is gestopt, en dat verder niet is onderzocht of er überhaupt een kans bestaat dat een kogel van een dergelijk kaliber door dubbelglas kan dringen en vervolgens zwaar lichamelijk of dodelijk letsel kan veroorzaken, laat staan of deze kans aanmerkelijk te achten is. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw te kennen gegeven niet het verweer te voeren dat sprake is van een ondeugdelijke poging, omdat die informatie niet beschikbaar is, en heeft zij benadrukt dat het gaat over de vraag of sprake is van een aanmerkelijke kans. Voorts is namens de verdachte bepleit dat hij bewust uit de richting van de aangever heeft geschoten en dat hij ten tijde van het schieten op het raam wist dat hij – met het wapen dat hij hanteerde – het raam niet zou kunnen doorboren.
III.Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3Strafbaar feit
Immateriële schade:
€ 5.000,00aan immateriële schade.
Reden voor behandeling
Immateriële schade
Nadat tijdens een voetbalwedstrijd in een duel onenigheid was ontstaan, heeft een tegenstander hem een kopstoot tegen zijn kaak gegeven, als gevolg waarvan hij ernstig letsel heeft opgelopen. De tegenstander is voor dit feit reeds strafrechtelijk veroordeeld. Door de kopstoot had hij de volgende letsels: 3 beschadigde tanden, een gekneusde kaak, oorsuizen en minder gehoor aan de linkerzijde (tinnitus), hoofdpijnklachten, vermoeidheidsklachten en psychische problemen. Hij kampt nog dagelijks met fysieke en psychische klachten. Hij is onder behandeling geweest van de huisarts, het ziekenhuis, de tandarts en psychologen. De Ktr. is van oordeel dat voldoende vaststaat dat hij ten gevolge van de kopstoot diverse lichamelijke klachten heeft gekregen, waarbij met name de tinnitus-klachten (oorsuizen) weer tot psychische klachten hebben geleid. Met name vanwege de nog steeds aanwezige tinnitus en de daaruit voortvloeiende klachten, welke langdurig van aard zijn, acht de Ktr. een voorschot op het smartengeld op zijn plaats.”
Tijdens een verkeersruzie is hij mishandeld. De verdachte heeft hem meermaals tegen het hoofd geslagen; verdachte heeft hierdoor een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit en heeft hem ernstig (blijvend) letsel toegebracht, namelijk gehoorschade in de vorm van chronische tinnitus. Dit heeft een enorme impact op zijn persoonlijke leven gehad en ook 3 jaar na het incident wordt hij nog regelmatig met de gevolgen van het incident geconfronteerd.
€ 5.000,00.”
Immateriele schade:
Benadeelde partijen
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen
€ 5.222,04 (vijfduizend tweehonderdtweeëntwintig euro en vier cent) bestaande uit € 222,04 (tweehonderdtweeëntwintig euro en vier cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 3.611,38 (drieduizend zeshonderdelf euro en achtendertig cent) bestaande uit € 1.111,38 (duizend honderdelf euro en achtendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
NJ2019/379, m.nt. Vellinga bedoelde gevallen waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Indien ik de toelichting op het middel goed begrijp, onderscheiden de stellers van het middel dan de volgende drie gevallen waarin sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’:
NJ2019/468, m.nt. Vellinga, onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. In die zaak ging het om een inbraak in een woning. De Hoge Raad overwoog dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken, maar dat daarvoor dan wel is vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Onder verwijzing naar dit arrest menen de stellers van het middel dat het hof in de voorliggende zaak heeft nagelaten vaststellingen te doen over de gevolgen die het bewezenverklaarde hebben gehad voor [slachtoffer 1].
NJ2019/468, m.nt. Vellinga – betogen dat het hof nadere vaststellingen had moeten doen omtrent de gevolgen die het bewezenverklaarde heeft gehad voor [slachtoffer 2], meen ik dat deze deelklacht niet opgaat om de hiervoor in randnummer 50 genoemde reden.
Slotsom