Conclusie
Nummer23/03507 CW
Inhoudsopgave
ConclusieNu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren.
BeslissingDe rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.”
In paragraaf 6 van deze vordering wordt nader ingegaan op dit wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting.
Deze benadering wijkt af van de visie die in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij de huidige wet is ontvouwd over misdrijven voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek in zijn algemeenheid niet van betekenis zal kunnen zijn. Daar wordt valsheid in geschrift immers uitdrukkelijk genoemd als een misdrijf waarbij DNA-onderzoek niet of nauwelijks een rol van betekenis kan spelen.
‘in het licht van alle relevante factoren, zoals met name de aard en de ernst van het hem ten laste gelegde strafbare feit, de bijzondere omstandigheden van dat strafbare feit, het mogelijke verband van dat strafbare feit met andere lopende procedures, en de gerechtelijke antecedenten of het persoonlijke profiel van de betrokkene’. [22]
nietvan betekenis zal kunnen zijn) wijst er echter al op dat de uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft. Die beperkte reikwijdte volgt verder uit de keuze van de wetgever om twee maatstaven in de wet op te nemen die bij de beoordeling of de uitzonderingsgrond zich voordoet in aanmerking zijn te nemen, te weten de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd. Andere factoren dan de genoemde kunnen dus niet bijdragen aan het oordeel dat de uitzonderingsgrond van art. 2 lid 1 onder Pro b Wet DNA-V van toepassing is.
het feitis gepleegd, terwijl uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat hierbij juist
de persoon van de veroordeeldecentraal staat. Kort samengevat is de maatstaf van de aard van het misdrijf in het bijzonder toegesneden op het misdrijf en de maatstaf van de ‘bijzondere omstandigheden’ op de persoon van de veroordeelde.
in zijn algemeenheidniet van betekenis zal kunnen zijn, omdat bij sommige misdrijven
doorgaansgeen celmateriaal wordt achtergelaten. [44] In de Kamerstukken worden in dit verband verschillende misdrijven genoemd, waarbij steeds wordt volstaan met de vermelding van de strafbepaling. In dat verband worden in algemene zin meineed, valsheid in geschrift, schuldheling en verduistering genoemd.
I Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van art. 2 lid 1 onder Pro b Wet DNA-V, doordat de rechtbank heeft geoordeeld dat het bij de beoordeling van de ‘aard van het misdrijf’ als bedoeld in de genoemde bepaling gaat om een toets in abstracto, terwijl de bepaling een toetsing aan de concrete omstandigheden van het geval vergt.