Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
581-code 46901)
ktronica (
SBI-code 47912) ;
SBI-code 7830)
at en klein) vla internet en im- en export van' consumentengoederen (electronica).
581-code’ in plaats van ‘
SBI code’;
ktronica’, terwijl onder het 3e o staat vermeld ’ (electroni
ca) ’; Onder het 3e o staat vermeld ‘(gro
at en klein)’ in plaats van ‘(groot en klein)’.
Bewijsoverwegingen
opzettelijkeen vals KvK-uittreksel betreffende [B] B.V. en een valse “Reference Introduction” als hiervoor genoemd aan de Belastingdienst ter beschikking zijn gesteld leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden.
4.Het eerste middel
Italmoda [1] antwoord gaf op de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag in HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW5410 – in redelijkheid twijfel mogelijk was over de houdbaarheid van het Unierechtelijke uitgangspunt “dat nationale autoriteiten aftrek van voorbelasting ter zake van inkopen voorafgaand aan intracommunautaire leveringen van goederen moeten weigeren wanneer (i) op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot die goederen btw-fraude is gepleegd in het kader van een keten van leveringen en (ii) de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, ook als de nationale wet niet in een weigering op die grond voorziet”. [2]
NJ2018/271 m.nt Reijntjes heeft de strafkamer de onder 4.3 geciteerde overwegingen uit HR 21 april ECLI:NL:HR:2017:638 herhaald. De strafkamer heeft daarmee afscheid genomen van de eerder gehanteerde “subjectieve benadering” en sluit sinds 1 december 2017 aan bij de “objectieve benadering” inzake het pleitbaar standpunt van de belastingkamer. [4]
kunnenworden aangevoerd. [15] Het zijn ook die laatste argumenten die de rechter moet meenemen in zijn beoordeling van de vraag of het ingenomen standpunt pleitbaar is. Het is immers aan de rechter om te zorgen dat het recht juist wordt geïnterpreteerd en toegepast.
in fiscalibus, waarbij de partijen hoofdzakelijk de omvang van het geschil bepalen . [17]
in de rechtspraak erkendpleitbaar standpunt wordt ingenomen, zoals in de onderhavige zaak, hoeft niet te worden onderbouwd waarom het standpunt in algemene zin naar objectieve maatstaven verdedigbaar is. De verdedigbaarheid van het standpunt is met die erkenning reeds gegeven. Wel mag van de verdediging worden verwacht dat wordt onderbouwd waarom het standpunt in de betreffende zaak toepassing vindt. De overige eisen, dat het standpunt ten overstaan van de feitenrechter wordt aangevoerd en dat het wordt voorzien van een ondubbelzinnige conclusie, gelden naar mijn oordeel onverkort. Dat geldt ook voor de in de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde regels inzake de omvang van de motiveringsplicht die op de feitenrechter rust. [18]
bijlage 1opgenomen”.
Pleitbaar standpunt
die aanspraak mag worden geweigerd, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking.
Schoenimport “Italmoda” Mariano Previti), r.o. 62 beantwoordde het HvJ EU deze vraag bevestigend en overwoog daartoe dat:
Middel VI (boete en pleitbaar standpunt)
Italmodazag niet op het geval dat de belastingplichtige zelf btw-fraude heeft gepleegd. Omtrent zodanig geval bestond in de bewezenverklaarde periode naar de toenmalige stand van het recht in redelijkheid geen twijfel. Zo overwoog het HvJ EU reeds in 2006 in de zaak
Kittel en Recolta Recyclingdat justitiabelen “in geval van fraude of misbruik geen beroep [kunnen] doen op het gemeenschapsrecht”. [24] Het door de raadsvrouw van de verdachte ingenomen standpunt levert om die reden geen pleitbaar standpunt op. Dat ligt besloten in de overweging van het hof dat [A] en daarmee de verdachte van deze btw-carrousel “opzettelijk onderdeel [heeft] uitgemaakt” en dat hij “zich in de hoedanigheid van feitelijke leidinggever van een vennootschap […] schuldig [heeft] gemaakt aan belastingfraude”.
5.Het vierde middel
6.Het tweede middel
Feit 1 Opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting
[B]’
(i) [A] is na waarschuwingen van de Belastingdienst zaken blijven doen met [betrokkene 1]: het hof heeft overwogen dat op 2 november 2011 aan de verdachte door de Belastingdienst een waarschuwingsbrief is uitgereikt. Die brief hield in dat de verdachte zorgvuldig moest zijn met het kiezen van zijn leveranciers om te voorkomen dat hij betrokken zou raken bij btw-fraude. De verdachte is gevraagd nieuwe leveranciers/afnemers te melden bij de Belastingdienst (bewijsmiddel 6). Nadat [A] op 19 mei 2014 een factuur heeft ontvangen voor de levering van softwarepakketten, meldt de verdachte de leverancier [C] B.V. (hierna: “ [C] ”) aan bij de Belastingdienst. [betrokkene 1] is bestuurder van [C] . De Belastingdienst heeft vervolgens op 22 mei 2014 aan [A] gemeld dat het btw-nummer van [C] weliswaar actief is, maar dat zeer recentelijk het bedrijfsadres executoriaal is verkocht zodat bedrijfseconomische activiteiten op het genoemde adres moeilijk uitvoerbaar lijken. Ook na deze concrete waarschuwing is [A] zaken blijven doen met [betrokkene 1] , zelfs nadat op 9 juli 2014 het btw-nummer van [C] niet langer actief is (bewijsmiddelen 7 en 8). [A] gaat vanaf augustus 2014 tot en met december 2014 goederen afnemen van [B] B.V., waarvan [betrokkene 1] blijkens het valse uittreksel van de Kamer van Koophandel bestuurder zou zijn (bewijsmiddelen 12, 14, 16 en 17).
(ii) [A] heeft zaken gedaan met “branchevreemde” bedrijven:ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde was [A] blijkens het KvK-uittreksel een groothandel in computers, randapparatuur en software (bewijsmiddelen 1 en 2). [C] hield zich blijkens het KvK-uittreksel (bewijsmiddel 9) bezig met de interieurreiniging van gebouwen. Daarnaast was [C] geregistreerd als een niet-gespecialiseerde groothandel in consumentenartikelen, een detailhandel in consumentenelektronica via postorder en internet en een bedrijf dat zich bezighield met payrolling. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [betrokkene 1] aan hem voorstelde om – nadat het btw-nummer van [C] was ingetrokken – zaken te doen met een reisbureau dat op [betrokkene 1] naam stond. De verdachte heeft dit naar eigen zeggen geweigerd omdat dit een “branchevreemd” bedrijf betrof dat niet – zoals [A] – in computers, randapparatuur, en software handelde. De verdachte heeft vervolgens het voorstel van [betrokkene 1] , die hij ontmoette in een café en die op hem overkwam als aardige ondernemer met lef, geaccepteerd om via de onderneming [B] B.V. zaken met hem te doen (bewijsmiddel 1). De bedrijfsactiviteiten van [B] , ten aanzien van welk bedrijf op het valse uittreksel dat in de administratie van [A] is opgenomen [betrokkene 1] wordt vermeld, bevatte naast een schoonmaakbedrijf als bedrijfsactiviteiten niet-gespecialiseerde groothandel in consumentenartikelen, detailhandel via postorder en internet in consumentenelektronica en payrolling (bewijsmiddel 12). Het hof heeft overwogen dat deze omschrijving van bedrijfsactiviteiten voor de verdachte naar het oordeel van het hof als even branchevreemd moeten hebben gegolden als de activiteiten van het reisbureau van [betrokkene 1] , waarmee de verdachte geen zaken wenste te doen, of die van het bedrijf [C] , dat volgens het betreffende uittreksel uit het KvK-register evenmin computer hardware en software leverde.
(iii) Ondanks (ii) heeft de verdachte de gegevens van [B] B.V. niet gecontroleerd:het hof heeft vastgesteld dat bij een boekenonderzoek van de Belastingdienst bleek dat op drie facturen ten name van [B] in de periode van augustus tot en met november 2014 het logo niet overeenkwam met het logo op de website van het bedrijf en dat de goederen vermeld op de facturen niet op de website van [B] werden aangeboden (bewijsmiddel 18). Het hof heeft voorts overwogen dat de directeur en enig aandeelhouder van [B] op vragen van de Belastingdienst heeft verklaard dat hij het bedrijf [A] niet kent, dat [B] niet handelt in computersoftware/hardware en dat hij de namen [A] , [verdachte] en [betrokkene 1] niet kent en dat deze namen niet in zijn klantenbestand voorkomen (bewijsmiddel 16).
(iv) Ondanks (ii) heeft de verdachte [B] bij de Belastingdienst aangemeld als leverancier en het valse KvK-uittreksel betreffende [B] B.V. en de vals gebleken “Reference Introduction” – die aan [A] c.q. de verdachte is gericht en waarin is opgenomen dat de verdachte en [betrokkene 1] , die daarbij als directeur van de [B] B.V. staat vermeld, elkaar hebben ontmoet op de CeBIT-beurs in 2014 – aan de Belastingdienst doen toekomen:met het ter beschikking stellen van het valse KvK-uittreksel en de vals gebleken “Reference Introduction” aan de Belastingdienst heeft de verdachte informatie aan de Belastingdienst verstrekt die onder meer inhoudt dat hij [betrokkene 1] heeft ontmoet op de CeBIT-beurs terwijl het hof beargumenteerd heeft vastgesteld het niet aannemelijk is dat de verdachte in 2014 op de CeBIT-beurs is geweest en dat hij daar [betrokkene 1] heeft ontmoet. Het hof leidt hieruit – en ook uit de onder (i) en (ii) genoemde omstandigheden – kennelijk onder meer af dat de verdachte wist dat de informatie in de documenten vals was en voorts dat hij met het door hem doorgestuurde valse KvK-uittreksel betreffende [B] B.V. en de vals gebleken “Reference Introduction” schijntransacties heeft willen verhullen en mogelijk maken (zie hiervoor ook onder 5.8).
(v) De verdachte haalde de bestelde softwarepakketten niet op bij een bedrijfspand en stelde daarbij geen vragen: de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de bestelde softwarepakketten niet ophaalde bij een bedrijfspand voorzien van een bedrijfsnaambord “ [B] B.V.”, maar bij de woning van [betrokkene 1] aan het [a-straat 1] te [plaats 4] . Daar ontving hij de bestelde pakketten via een geopend raam op de benedenverdieping van dat adres (bewijsmiddel 1).
(vi) Bij betalingen aan [B] door [A] zijn geen aanvullende vragen gesteld: het hof heeft overwogen dat bij de eerste betaling van [A] de omschrijving “ [B] BV” is gebruikt, dat het bedrag gestorneerd is en dat bij de daaropvolgende betalingen de omschrijving “ [B] Enterprises” is gebruikt, zonder dat er aanvullende vragen zijn gesteld door [A] en dat bij de betalingen van [A] vanaf 20 november 2014 de omschrijving “ [B] Enterprises” is gebruikt in verband waarmee ook geen aanvullende vragen zijn gesteld.
i) Dat de Belastingdienst op 22 mei aan [A] heeft gemeld “dat het btw-nummer van [C] weliswaar actief is, maar dat zeer recentelijk het bedrijfsadres executoriaal is verkocht zodat bedrijfseconomische activiteiten op het genoemde adres moeilijk uitvoerbaar lijken”. Deze omstandigheid zou geen “opgeld” doen, omdat (a) op 22 mei [C] een nieuw adres ( [a-straat 1] [plaats 4] ) heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, (b) de verdachte zelf de goederen op het nieuwe adres is gaan afhalen en (c) [C] al sinds 2012 actief is en een btw-nummer had.
ii) Dat in de toelichting van de activiteiten bij de KvK ook is vermeld “de handel (groot en klein) via internet en im- en export van consumentengoederen (electronica)”. De levering van software zou, om die reden, niet als branchevreemd voorkomen.
iii) dat [A] er niet op bedacht hoefde te zijn dat [C] de in rekening gebrachte omzetbelasting niet zou aangeven en/of afdragen, omdat (a) [C] sinds 2012 bestond, (b) [C] normale handelsprijzen hanteerde, (c) [C] goederen afleverde op het afleveradres, (d) [A] facturen van [C] ontving, (e) de betalingen werden verricht op de rekening van [C] , (f) [A] geen zaken meer met [C] deed nadat het btw-nummer van [C] was ingetrokken, (g) bij [A] geen bericht van de Belastingdienst is binnengekomen dat het btw-nummer van [C] was ingetrokken en (h) de verdachte ervan uitging dat [C] [A] zou informeren op het moment dat [C] niet aan zijn verplichtingen zou voldoen.
i) dat de verdachte al eerder het adres [a-straat 1] had bezocht en dat dit, om die reden, minder vragen opriep bij de verdachte.
ii) dat van wetenschap geen sprake was omdat de verdachte “inmiddels al had besloten zijn onderneming te zullen staken en in loondienst was gegaan” zodat “hij er geen enkel belang bij [had] bij medewerking te verlenen aan een bewuste carrousel”.
ii) dat [A] normale handelsprijzen betaalde, de gehele facturen betaalde, en de goederen doorverkocht met slechts een kleine marge aan afnemers.
i) wel/niet in aanmerking heeft genomen maken de bestreden onderdelen (onder 6.11) niet onbegrijpelijk. Dat (
a) [C] op 22 mei, de dag dat [A] de melding ontving inhoudende dat “zeer recentelijk” het bedrijfsadres executoriaal is verkocht zodat bedrijfseconomische activiteiten moeilijk uitvoerbaar lijken, een ander bedrijfsadres inschreef in de KvK, doet aan die begrijpelijkheid van de bestreden oordelen niet af. Dat neemt namelijk niet weg dat bedrijfseconomische activiteiten moeilijk uitvoerbaar kunnen zijn geweest tussen het moment van executoriale verkoop en het moment van inschrijving op een ander bedrijfsadres. Van belang is dan dat de omstandigheid dat [A] de melding ontving op 22 mei niet betekent dat de executoriale verkoop van het bedrijfsadres ook plaatsvond op die dag. Integendeel, dat de executoriale verkoop “zeer recentelijk” plaatsvond wijst erop dat het bedrijfsadres is verkocht vóór 22 mei en dat [C] op dat moment nog stond ingeschreven op het verkochte adres. Daarbij is ook van belang hetgeen het hof verderop overweegt, namelijk dat [A] ook na die concrete waarschuwing zaken bleef doen met [betrokkene 1] ook nadat het btw-nummer van [C] op 9 juli niet langer actief was. Over de omstandigheid dat (
b) de verdachte zelf de goederen ging afhalen heeft het hof overwogen dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de “bestelde softwarepakketten niet ophaalde bij een bedrijfspand voorzien van een bedrijfsnaambord “ [B] B.V.” maar bij de woning van [betrokkene 1] aan het [a-straat 1] te [plaats 4] , waar hij de bestelde pakketten ontving via een geopend raam op de benedenverdieping van dat adres”. Dat (
c) [C] sinds 2012 een btw-nummer had, doet gelet op het voorgaande niet af aan de begrijpelijkheid van de bestreden oordelen.
ii), dat in de toelichting van de activiteiten bij de KvK ook is vermeld “de handel (groot en klein) via internet en im- en export van consumentengoederen (electronica)” en dat de levering van software om die reden niet als branchevreemd zou voorkomen, niet in aanmerking heeft genomen maakt de bestreden onderdelen (onder 6.11) niet onbegrijpelijk. [A] was blijkens het KvK-uittreksel een groothandel in computers, randapparatuur en software. [C] was dat niet. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat hij weigerde met het reisbureau van [betrokkene 1] zaken te doen omdat dit een “branchevreemd” bedrijf betrof dat niet – zoals [A] – in computers, randapparatuur, en software handelde. Uit die verklaring volgt, zoals ook volgt uit hetgeen het hof heeft overwogen, dat voor de verdachte bepalend was of het bedrijf, net als [A] , handelde in computers, randapparatuur en software. Nu blijkens het KvK-uittreksel [C] geen groothandel in computers, randapparatuur en software was, heeft het hof kunnen oordelen dat de bedrijfsactiviteiten van [C] voor de verdachte als branchevreemd moeten hebben gegolden nu dit bedrijf “volgens het betreffend uittreksel uit het KvK-register evenmin computer hardware en software leverde”. Dat is niet anders doordat in de toelichting bij de KvK ook is vermeld “de handel (groot en klein) via internet en im- en export van consumentengoederen (electronica)”.
i) en (
ii) zijn in hoger beroep niet aangevoerd en deze kunnen niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen. Ook overigens doen deze omstandigheden gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen onder 6.10 is vooropgesteld, niet af aan de begrijpelijkheid van de bestreden oordelen. Dit laatste geldt naar mijn oordeel ook voor de omstandigheden onder 6.8 (
iii) en onder 6.9 (
iii).
7.Het derde middel
2.0. Vormverzuim
een redelijk, vermoeden van schuld aan een strafbaarfeit’ worden in de literatuur drie elementen onderscheiden. Er dient sprake te zijn van een vermoeden dat betrekking heeft op schuld aan een strafbaar feit, dat dient redelijk te zijn en - tot slot - dient voort te vloeien uit de feiten en omstandigheden.
voorafgaandaan de verstrekking van gegevens door verdachte op 14 december 2014 (!) door [betrokkene 3] vragen zijn gesteld omtrent de leveringen van [B] , waar het verzoek tot het horen op ziet en wat ook verzoek (ex art. 47 AWR Pro) zou zijn op basis waarvan de gegevens verstrekt zijn en niet op basis van het e-mailbericht van 16 december 2014 als opgenomen in het dossier”. Verder wordt “opgemerkt” dat “het verzoek tot het horen van [betrokkene 3] zowel in de fase voor dagvaarding is verzocht bij de rechter-commissaris, bij afwijzing dit verzoek is herhaald in raadkamer, dit verzoek wederom in eerste aanleg is gedaan en ook bij appelmemorie is herhaald en daarmee van een voorwaardelijk verzoek tot het horen geen sprake is (geweest) en ook daarmee het verzoek ten onrechte c.q. op onjuiste gronden is afgewezen”.
NJ2024/52 m.nt. Keijzer aangehaald en wordt rechtsoverweging 3.5.3 van dit arrest geciteerd. Voorts wordt aangevoerd dat “[o]ok hier” de Belastingdienst heeft “gevraagd naar gegevens waarvan zij niet van het bestaan wisten, maar op basis waarvan verdachte bewijs tegen zichzelf heeft moeten aanleveren. Dat de zaak nog niet was aangemeld voor strafrechtelijke vervolging, maakt niet dat nog geen verdenking bestond. Bovendien spreekt het EHRM niet alleen over “existing” maar ook over “anticipated criminal proceedings”.”