Conclusie
Nummer23/01096 P
Inleiding
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de pleitnota
“Opbrengst
Uit de administratie van [A] B.V. blijkt dat [B] BV in de periode van 1 april 2009 tot en met februari 2011 afgerond 20.500 kilogram Bitoxybacillin en 1.000 kilogram Lepidocide heeft verkocht. Uit de verkoopfacturen blijkt dat de Bitoxybacillin is verkocht voor een prijs van € 50,00 tot € 55,00 per kilogram en de Lepidocide is verkocht voor een prijs van € 70,00 per kilogram. Het hof gaat gelet op het vorenstaande uit van een opbrengst van:
Kosten
Alleen redelijke kosten die in een directe relatie staan tot de voltooiing van het delict kunnen in mindering worden gebracht.
Toerekening aan betrokkene
De mogelijkheid van hoofdelijke toerekening is pas sinds 1 juli 2011 in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht opgenomen. De strafbare feiten die aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggen zijn gepleegd in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2010. Bij de beoordeling van de vordering dient te worden uitgegaan van het recht zoals dat in de pleegperiode van toepassing was.
Conclusie
Het hof stelt op grond van het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het verhandelde ter terechtzitting, het financieel rapport, de vordering en de inhoud van overige stukken van het geding, het bedrag waarop het door betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 532.532,00.
7. Dat maakt dat de verdediging meent dat [B] B.V. een vermeend WVV heeft genoten van € 636.221,15, waar cl., als DGA van [B] B.V., vrijelijk over kon beschikken zodra de VPB en de dividendbelasting waren afgedragen. En daarom kan dat bedrag, na die afdrachten, aan cl. worden toegerekend. Dat maakt dat het WVV van cl. volgens de verdediging moet worden vastgesteld op € 333.137,57. Deze berekening vindt uw hof terug in de conclusie van antwoord in hoger beroep op p. 9.
in het arrest van 12 januari 2021. De dividendbelasting is dus niet een belasting die bij cl. in de heffing is of kan worden betrokken. Als cl. nu het WVV aan de Staat terugbetaalt, dan heeft hij geen mogelijkheid om die afdrachten van destijds terug te draaien. Dat betekent dat het fiscale mechanisme uit het arrest uit 1998 niet van toepassing is en uw hof bij de schatting van het WVV ook rekening dient te houden met de dividendbelasting.
Evenredige bedrijfskosten
over die boekjaren dus kosten zijn verdisconteerd die voor de illegale bedrijfsactiviteiten zijn gemaakt, die kosten moeten worden aangemerkt als de daarvoor benodigde kosten als bedoeld in art. 36e lid 8 Sr. Latere arresten over bedrijfskosten betreffen steeds een andere casus. Ik wijs bijvoorbeeld op het arrest over de 0900-nummers. In die kwestie was er naast de legale activiteiten een heel andere activiteit gestart die als oplichting werd bestempeld. Dat is een andere situatie dan wanneer een groothandel in gewasbeschermingsmiddelen, naast toegelaten middelen, ook middelen verkoopt die onder de verbodsbepaling vallen. De activiteit blijft hetzelfde; de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen.
De klachten van het eerste middel
Een juridisch overzicht:
beneficial owner’) is en hem feitelijk de zeggenschap daarover en het genot daarvan toekomt. In zo’n geval moet de schijn plaatsmaken voor de werkelijkheid. Vermeden moet worden dat wederrechtelijk voordeel door de toepassing van schijnconstructies buiten het bereik van een ontnemingsmaatregel wordt gehouden. De vraag is nu onder welke condities door ‘rechtspersoonlijkheid’ heen gekeken mag worden, met andere woorden: onder welke voorwaarden de ‘vennootschappelijke sluier’ mag worden opgetild.
verschil in identiteitvan de rechtspersoon en de natuurlijke persoon wordt weggedacht; genegeerd wordt de
rolvan de rechtspersoon bij het realiseren van de bevoordeling aangezien die ertoe strekte om de werkelijkheid te verhullen. In de gevallen van categorie 3 vindt dus geen vereenzelviging plaats, maar slechts de vaststelling dat het voordeel ogenschijnlijk via de rechtspersoon, maar in werkelijkheid zonder meer en volledig ter beschikking is gekomen van een natuurlijke persoon die dit voordeel vrijelijk te eigen bate kan aanwenden (en die dus moet worden beschouwd als de economisch eigenaar van het vermogensbestanddeel dat het voordeel vertegenwoordigt). [14]
rechtstreeks(mede) aan een natuurlijke persoon is toegekomen (categorieën 2 en 3), moet hij nader motiveren waarom er aanleiding is voor het optillen van de vennootschappelijke sluier. De vennootschappelijke zeggenschapsstructuur is hierbij van betekenis, maar kan niet doorslaggevend zijn.
nietwordt vereenzelvigd met de natuurlijke persoon, en evenmin wordt aangenomen dat het voordeel rechtstreeks de natuurlijke persoon heeft verrijkt, met andere woorden: indien zich een geval van categorie 1 voordoet, is bij de bepaling van de omvang van het aan een natuurlijke persoon toegekomen voordeel dat in een rechtspersoon is geboekt het zogeheten ‘fiscale mechanisme’ van belang.
4.2.1. Bij Wet van 10 december 1992 (Stb. 1993, 11) is art. 36e Sr gewijzigd. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot voornoemde wet houdt met betrekking tot de gevolgen van toepassing van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op fiscaal gebied onder meer het volgende in:
heffingen over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel”, maar om heffingen vanwege de uitkering van prijzen en het uitbetalen van lonen aan derden. [17]
Het genoemde fiscale mechanismeheeft alleen betrekking op heffingen over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeelen ziet niet op belastingen met een andere heffingsgrondslag (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264, NJ 2016/57). Dit betekent dat de rechter die oordeelt in de ontnemingsprocedure bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedraggeen rekening dient te houden met de belastingheffing over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel.” [18]
over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel”. De Hoge Raad overwoog op dit spoor bij arrest van 12 januari 2021 het volgende:
2.5 Het in deze overweging bedoelde fiscale mechanisme - dat meebrengt dat de rechter bij de bepaling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening houdt met de belastingheffing - berust op de veronderstelling dat het bedrag dat de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ook bij die betrokkene in de belastingheffing is, of kan worden, betrokken. Zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven, is namens de betrokkene echter aangevoerd dat niet de betrokkene maar [B] B.V. vennootschapsbelasting verschuldigd is geworden. Het op voornoemd fiscaal mechanisme gebaseerde oordeel van het hof dat die bij [B] B.V. ontstane belastingschuld niet in aanmerking behoeft te worden genomen bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel is daarom zonder nadere motivering niet begrijpelijk.” [19]
bij de rechtspersoongeheel buiten beschouwing blijven op de grond dat het wederrechtelijke voordeel alleen ogenschijnlijk aan de rechtspersoon is toegekomen, maar in werkelijkheid rechtstreeks de achterman heeft verrijkt. Dat arrest houdt onder meer in:
2.3 De betrokkene is in de strafzaak als pleger veroordeeld voor de onder 2.2.1 genoemde strafbare feiten. Het hof heeft in de strafzaak en de ontnemingszaak vastgesteld dat door verschillende bedrijven facturen zijn voldaan van [A] B.V. en de eenmanszaak [B] door het overmaken van gelden op de bankrekening van [A] B.V. en de privérekening van de betrokkene (en zijn vrouw) en dat de betrokkene directeur/enig aandeelhouder is van [A] B.V. en eigenaar en enig werknemer van [B]. Het hof heeft verder geoordeeld dat er geen reële opdrachten of andersoortige overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen aan die betalingen, maar dat feitelijk sprake was van giften die de betrokkene als natuurlijke persoon en tevens als gemeenteambtenaar heeft aangenomen. Daarbij heeft de betrokkene, om te verhullen dat deze betalingen aan hem werden gedaan, gebruikgemaakt van valse facturen op naam van [A] B.V. en [B]. Het hof heeft verder vastgesteld dat de betrokkene bij [A] B.V. als enige volledig beslissingsbevoegd was, dat de betrokkene als enige over de rekening van [A] B.V. en de volledige daarop beschikbaar gekomen geldbedragen kon beschikken, en dat gelet op de structuur van [A] B.V. de door die vennootschap ontvangen gelden daadwerkelijk voor de betrokkene beschikbaar waren.
De bespreking van het eerste middel
rechtstreeksetoerekening van voordeel aan de natuurlijke persoon die schuilgaat achter de rechtspersoon waarin het voordeel is geboekt. Dit zijn gevallen die ik onder de categorieën 2 en 3 schaar.
onder meerop dat de mogelijkheid dat [B] B.V. dividendbelasting verschuldigd zou zijn en een uitkering aan de betrokkene tot belastingheffing zou hebben kunnen leiden, irrelevant is voor de omvang van het voordeel dat de betrokkene door middel van de bewezen verklaarde feiten heeft verkregen. Voor zover die belastingschulden (zijn) ontstaan, is dat het gevolg van de keuze van de betrokkene om zich te laten uitbetalen via de bankrekening van de bv, aldus begrijp ik het oordeel van het hof. [23]
Het tweede middel
“dat de verdediging onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft aangegeven met welke kosten rekening zou moeten worden gehouden, naast de kosten die door de advocaat-generaal reeds zijn benoemd”niet begrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft uiteengezet waarom het arrest van HR 18 juni 2013 niet van toepassing is.
2.3. In de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof ligt besloten diens oordeel dat de bedrijfskosten van de betrokkene gedurende het 'boekjaar 2001-2002' kunnen worden toegerekend aan zowel de legale als de illegale bedrijfsactiviteiten en dat in het "resultaat voor belastingen" over voornoemd boekjaar de voor de illegale productie gemaakte kosten zijn verdisconteerd. Dat oordeel geeft, mede in aanmerking genomen dat het Hof daarbij betrokken heeft de omstandigheid dat "de illegale productie is geschied in een op continuïteit gerichte onderneming en de daarvoor benodigde kosten en voorzieningen redelijkerwijs evenredig drukken op de resultaten van de verkoop van alle producten", niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.”
“Overige kosten”overwogen dat volgens de advocaat-generaal voor de overige kosten is uitgegaan van de jaarrekeningen 2009 en 2010 van [B] B.V. en dat de kosten, bestaande uit ingehuurde krachten, overige huisvestigingskosten, representatiekosten, reis- en verblijfkosten, brandstoffen, onderhoud, overige autokosten, naar evenredigheid van de illegale omzet in relatie tot de totale omzet zijn meegenomen als aftrekbare kosten en in totaal € 15.388,81 bedragen. Het hof heeft verder geoordeeld dat de verdediging onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft aangegeven met welke kosten rekening zou moeten worden gehouden, naast de kosten die door de advocaat-generaal reeds zijn genoemd.