ECLI:NL:PHR:2026:284

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/01970
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 lid 1 WvggzArt. 6:1 lid 10 WvggzArt. 271 RvArt. 272 RvArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deelbeschikking zorgmachtiging wegens onvoldoende onderzoek oproeping betrokkene

In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging voor betrokkene verzocht voor zes maanden. De rechtbank verleende bij deelbeschikking een machtiging voor drie weken, omdat betrokkene niet was verschenen bij de eerste mondelinge behandeling. Bij voortgezette behandeling werd betrokkene wel gehoord en werd een machtiging verleend tot 25 augustus 2025.

Betrokkene stelde cassatie in tegen beide beschikkingen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen en of zij daadwerkelijk bekend was met de zittingsdatum. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat betrokkene wist van de zitting en niet bereid was zich te laten horen, zonder dit voldoende te motiveren of te onderzoeken.

De deelbeschikking wordt daarom vernietigd en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door het verzoek tot zorgmachtiging voor die periode af te wijzen. De klachten tegen de eindbeschikking falen, omdat de rechtbank daar wel de juiste procedure heeft gevolgd en de machtiging voor de resterende periode terecht heeft verleend.

De Hoge Raad benadrukt de strenge eisen aan de onderzoeksplicht van de rechter bij het verlenen van zorgmachtigingen, met name de noodzaak van behoorlijke oproeping en het waarborgen van het recht op horen van betrokkene. De zaak illustreert het belang van zorgvuldige motivering en naleving van procedurele waarborgen in het kader van verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de deelbeschikking wegens onvoldoende onderzoek naar oproeping en verwerpt het cassatieberoep tegen de eindbeschikking.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01970
Zitting20 maart 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. Betrokkene is tijdens de eerste mondelinge behandeling niet verschenen. Bij deelbeschikking van 25 februari 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van drie weken. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling is betrokkene wel gehoord. Bij eindbeschikking van 14 maart 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 25 augustus 2025. In cassatie wordt tegen beide beschikkingen opgekomen.
1.2
Ten aanzien van de deelbeschikking wordt in de kern geklaagd dat de rechtbank niet heeft voldaan aan haar onderzoeks- en motiveringsplicht met betrekking tot de bereidheid van betrokkene zich te doen horen. Deze klachten slagen grotendeels. De deelbeschikking kan dus niet in stand blijven, waarbij de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen.
1.3
Ten aanzien van de eindbeschikking wordt mijns inziens tevergeefs geklaagd dat het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging niet meer toewijsbaar was, nu hierover al bij deelbeschikking was beslist.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) ingekomen op 5 februari 2025, heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg. [1]
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025 en vond plaats bij de zorginstelling. Betrokkene was niet aanwezig. Gehoord zijn de advocaat van betrokkene en een arts in opleiding tot specialist (hierna: de arts). Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.3
Bij mondelinge uitspraak van 25 februari 2025, schriftelijk uitgewerkt op 11 maart 2025 (hierna: de bestreden deelbeschikking), [2] heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 18 maart 2025. Daarin heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“1.3 [Betrokkene] was niet aanwezig. Volgens [de arts] is zij ongeoorloofd afwezig; zij is niet teruggekeerd van verlof. Uit dat wat ter zitting is gezegd, leidt de rechtbank af dat [betrokkene] weet had van de zitting. Het feit dat zij desondanks niet verschenen is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders begrepen worden dan dat zij niet bereid was met de rechter te praten.
(...)
3.6 [
De advocaat van betrokkene] pleit voor een kortere duur van de machtiging, omdat [betrokkene] niet aanwezig is. Dwangzorg is een inbreuk op grond- en mensenrechten en zij moet de gelegenheid hebben haar zegje te doen. De rechtbank honoreert dit verweer en zal een zorgmachtiging afgeven voor drie weken, zulks met aanhouding van haar beslissing over de resterende periode.”
2.4
De behandeling van de zaak is op 14 maart 2025 voortgezet. Betrokkene is nu wel ter zitting verschenen. Betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en een verpleegkundig specialist zijn gehoord. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij mondelinge uitspraak van 14 maart 2025, schriftelijk uitgewerkt op 24 maart 2025 (hierna: de bestreden eindbeschikking), [3] heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze geldt tot en met 25 augustus 2025. Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank daarin overwogen:
“3.1 De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Er is namelijk aan alle wettelijke voorwaarden uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voldaan. (…).
(…)

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] (...);
4.2
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 augustus 2025.”
2.6
Namens betrokkene is op 26 mei 2025 – tijdig [4] – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikkingen. [5] De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in twee subonderdelen. Subonderdeel 1.1 richt zich tegen de bestreden deelbeschikking van 25 februari 2025. Subonderdeel 1.2 richt zich tegen de bestreden eindbeschikking van 14 maart 2025).
Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht en is tegen beide beschikkingen gericht.
Onderdeel 1
Subonderdeel 1.1: deelbeschikking
3.1
Subonderdeel 1.1bevat onder a tot en met f meerdere klachten die zich richten tegen r.o. 1.3 en r.o. 3.6 van de bestreden deelbeschikking (hiervoor geciteerd onder 2.3). De klachten laten zich als volgt samenvatten.
3.2
Onder awordt geklaagd dat uit de bestreden deelbeschikking niet kenbaar volgt dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat de oproeping van betrokkene
zelfvoor de mondelinge behandeling niet heeft plaatsgevonden. Dat de rechtbank uit het verhandelde ter zitting afleidt dat betrokkene weet had van de zitting, is hiervoor onvoldoende dan wel ontoereikend. Door (deels) de zorgmachtiging te verlenen zonder betrokkene te horen, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo luidt de rechtsklacht.
3.3
Onder bwordt geklaagd dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat de rechtbank in r.o. 1.3 van de bestreden deelbeschikking heeft vastgesteld en verder tot uitgangspunt heeft genomen dat betrokkenen “weet had” van de mondelinge behandeling, gelet op “wat ter zitting is gezegd”. Het mailen van de oproeping aan het bureau van de geneesheer-directeur van de zorginstelling en een (stam)advocaat van betrokkene is niet aan te merken als een behoorlijke oproeping van betrokkene, omdat daarmee niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het oproepingsbericht betrokkene persoonlijk heeft bereikt en betrokkene op de hoogte was (gebracht) van plaats en tijd van de zitting en de mogelijkheid zich te doen horen.
3.4
Onder cwordt met een motiveringsklacht opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 1.3 van de bestreden deelbeschikking dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Betoogd wordt dat geen verklaring ter zitting de gevolgtrekking van de rechtbank wettigt dat betrokkene “weet had van de zitting” en dat zij “desondanks niet verschenen is”. In de klacht wordt erop gewezen dat de arts ter zitting heeft verklaard dat hij niet zeker wist of het deze keer goed is gegaan met het communiceren van de zittingsdatum aan betrokkene. Ook wordt erop gewezen dat de advocaat van betrokkene heeft verklaard dat zij betrokkene niet heeft kunnen spreken en niet zeker weet of zij op de hoogte is van deze zitting.
3.5
Onder dwordt geklaagd dat uit de bestreden deelbeschikking niet kan worden opgemaakt dat, hoe en in welke mate de rechtbank (als)nog heeft getracht om betrokkene te bereiken. Dat betrokkene ongeoorloofd afwezig was en niet was teruggekeerd van verlof brengt volgens de klacht niet mee dat de rechtbank aan haar onderzoeksplicht naar de bereidheid van betrokkenen te worden gehoord heeft voldaan.
3.6
Onder ewordt met een rechtsklacht opgekomen tegen de toewijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor een korte duur (in de klacht aangeduid als “overbruggingsmachtiging”), nu niet voldaan is aan de wettelijke vereisten dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen en bekend was met de mondelinge behandeling.
3.7
Onder fricht de klacht zich tegen r.o. 3.6 (hiervoor geciteerd onder 2.3) van de bestreden deelbeschikking. Aangevoerd wordt dat de advocaat niet heeft gepleit voor het toewijzen van het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging voor een korte duur om betrokkene zo alsnog in de gelegenheid te stellen gehoord te worden. Het oordeel van de rechtbank dat zij “dit verweer” honoreert door de zorgmachtiging voor drie weken af te geven, is volgens klager onbegrijpelijk. Het bieden van een gelegenheid om betrokkene te horen, verbond de advocaat uitsluitend aan het verzoek tot aanhouding van de zaak en niet ook aan het verlenen van een zorgmachtiging voor een korte duur (weer aangeduid als “overbruggingsmachtiging”) in een deelbeschikking, aldus de klacht.
3.8
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.9
Uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 6:1 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats of telefonisch vanaf de zitting te horen op grond van artikel 6:1 lid 2 Wvggz Pro. [6]
3.1
Uitgangspunt is dat de betrokkene voor de mondelinge behandeling behoorlijk dient te zijn opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met artikel 271 e.v. Rv.
3.11
Op grond van artikel 271 Rv Pro geschiedt de oproeping van in de procedure verschenen belanghebbenden bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Op grond van artikel 272 Rv Pro geschiedt de oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Van genoemde uitzondering dat de rechter anders bepaalt, wordt in de praktijk gebruik gemaakt wanneer de betrokkene wordt opgeroepen voor een mondelinge behandeling bij de instelling waar de betrokkene verblijft. Mij is ambtshalve bekend dat de betrokkene in dergelijke gevallen per e-mail gericht aan de instelling en aan zijn advocaat wordt opgeroepen, soms voorafgegaan door het telefonisch oproepen via de instelling en de advocaat met een bevestiging per e-mail. [7]
3.12
Gelet op het voorgaande zal de rechter dus, bij het vaststellen van het ontbreken van de bereidheid om gehoord te worden, in de eerste plaats moeten nagaan of betrokkene behoorlijk is opgeroepen overeenkomstig de wettelijke eisen van artikel 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met de artikelen 271 e.v. Rv. In de beschikking moeten de betreffende overwegingen van de rechter worden opgenomen, opdat deze controleerbaar zijn. Als daaromtrent in de beschikking niets is overwogen, is door de Hoge Raad geoordeeld dat er in cassatie vanuit moet worden gegaan dat deze behoorlijke oproeping niet heeft plaatsgevonden. [8]
3.13
Voor het vaststellen van het ontbreken van bereidheid om gehoord te worden is verder vereist dat betrokkene geacht moet worden bekend te zijn met datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling of dat op grond van de verklaring van anderen blijkt dat betrokkene wist van datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling. [9] In het kader van deze in artikel 6:1 Wvggz Pro neergelegde onderzoeksplicht zal de rechter dus moeten nagaan of de oproeping betrokkene heeft bereikt, althans redelijkerwijs moet hebben bereikt, dan wel dat anderszins blijkt dat betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling. [10]
3.14
Als de rechter niet kan vaststellen dat betrokkene daadwerkelijk bekend was met de datum, tijd en plaats van de mondelinge behandeling dan wel geacht moet worden daarmee bekend te zijn, zal de rechter de mondelinge behandeling van de zaak moeten aanhouden en betrokkene opnieuw moeten oproepen. [11] Daarbij is uit vaste rechtspraak de vuistregel afgeleid dat de rechter twee pogingen moet doen om betrokkene op te roepen. Mocht de betrokkene twee keer niet thuis hebben gegeven, kan de rechter in redelijkheid vaststellen dat hij niet gehoord wil worden. [12]
3.15
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
3.16
De
klachten onder a-elenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze klachten slagen grotendeels, elk voor zich en in onderlinge samenhang in aanmerking genomen.
3.17
In het licht van de hoge eisen die worden gesteld aan de onderzoeksplicht van artikel 6:1 lid 1 Wvggz Pro kunnen mijns inziens de door de rechtbank in r.o. 1.3 van de bestreden deelbeschikking genoemde omstandigheden het oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, niet dragen.
3.18
Gelet op de op haar rustende onderzoeksplicht, had de rechtbank ten eerste kenbaar moeten onderzoeken of betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Uit de bestreden deelbeschikking en het verhandelde ter zitting blijkt echter niet dat de rechtbank dit heeft onderzocht. Hiermee slaagt de klacht
onder a.
3.19
Voor zover
onder bgeklaagd wordt dat oproeping per e-mail gericht aan het bureau van de geneesheer-directeur van de zorginstelling en aan de (stam)advocaat van betrokkene niet is aan te merken als een deugdelijke oproeping, slaagt deze klacht niet. Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik hiervoor onder 3.11 over de wijze van oproeping heb vermeld.
Een dergelijke oproeping ontslaat de rechtbank echter niet van de verplichting te onderzoeken of betrokkene ook daadwerkelijk bekend was met datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling (zie hiervoor onder 3.13). Dat brengt mij op de volgende klachten.
3.2
Onder b en cwordt wel terecht geklaagd dat uit het verklaarde ter zitting niet afgeleid kan worden dat betrokkene weet had van de mondelinge behandeling, zoals de rechtbank in r.o. 1.3 overweegt. Uit de verklaringen van de arts en de advocaat van betrokkene blijkt namelijk dat zij niet weten of betrokkene op de hoogte is van de mondelinge behandeling. Ter zitting hebben de arts en de advocaat van betrokkene blijkens het proces-verbaal immers als volgt verklaard:

Betrokkene is niet verschenen op de zitting.
De arts heeft hierover het volgende verklaard:
Betrokkene is ongeoorloofd afwezig. Zij was met verlof en is niet teruggekomen. Ze is in Arnhem gezien en wordt op dit moment terug naar [naam zorginstelling] gebracht. De zittingsdatum wordt altijd gecommuniceerd met betrokkene, maar ik weet niet zeker of dat deze keer goed is gegaan.
(…)
De advocaat heeft het volgende verklaard:
(…) Betrokkene is niet aanwezig en daarmee komt het recht op horen in het geding. Ik heb betrokkene ook niet kunnen spreken en weet niet zeker of zij op de hoogte is van deze zitting. Ik stel voor om de zitting te verplaatsen naar morgen (26 februari 2025), omdat dat nog binnen de termijn valt.
De rechtbank geeft aan dat er geen ruimte is voor een zitting op 26 februari 2025.”
3.21
Uit het voorgaande vloeit ook voort dat
onder cterecht geklaagd wordt dat het oordeel dat betrokkene niet bereid was met de rechter te praten onbegrijpelijk is. Dit oordeel steunt immers op de met succes bestreden overweging van de rechtbank dat betrokkene weet had van de zitting, en dat zij desondanks niet verschenen is. Deze overwegingen kunnen het oordeel dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, niet dragen.
3.22
Onder dwordt vervolgens terecht geklaagd dat de rechtbank niet aan haar onderzoeksplicht naar de bereidheid van betrokkene te worden gehoord, heeft voldaan. Uit de bestreden deelbeschikking blijkt immers niet van pogingen die de rechtbank heeft gedaan om betrokkene alsnog te bereiken. Zo had de rechtbank kunnen proberen betrokkene vanaf de mondelinge behandeling telefonisch te bereiken. Gelet op de verklaring van de arts ter zitting was betrokkene, hoewel ongeoorloofd afwezig, wel in beeld en werd zij op dat moment weer teruggebracht naar de instelling. Bij deze stand van zaken was telefonisch contact tijdens de mondelinge behandeling mogelijk best kansrijk.
3.23
Gelet op het voorgaande wordt
onder eook terecht geklaagd dat de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging niet had mogen toewijzen, ook niet voor een korte duur. Aan de uit de wet en vaste rechtspraak voortvloeiende eisen die gelden voor het horen van betrokkene (zie hiervoor onder 3.9-3.14) is in deze zaak immers niet voldaan.
3.24
Rest nog de klacht
onder f. Deze klacht faalt.
3.25
Na het hiervoor onder 3.20 weergegeven citaat luidt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling aansluitend:

De advocaat heeft het volgende verklaard:
Afwijzing van het verzoek. Betrokkene is voor een lange periode niet in beeld geweest. Zij heeft bewust voor deze levensstijl gekozen en wil weinig bemoeienis van anderen. Subsidiair toewijzing van het verzoek voor een kortere termijn.
De rechtbank wijst het verzoek voor kortere duur toe, te weten drie weken en wijst het gebruik van communicatiemiddelen als vorm van verplichte zorg af.”
3.26
Kennelijk heeft de rechtbank het subsidiair namens betrokkene gevoerde verweer de machtiging voor een kortere tijd toe te wijzen, gekoppeld aan het alsnog in de gelegenheid stellen van betrokkene gehoord te worden. De vaststelling van hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is voorbehouden aan de feitenrechter om vast te stellen wat partijen ter zitting hebben verklaard of aangevoerd. [13] Hierbij geldt wel de kanttekening dat er toch sprake kan zijn van een motiveringsgebrek indien de rechter zijn uitspraak doet stoelen op een voorval ter zitting waarvan het proces-verbaal geen bevestiging inhoudt, doch veeleer een vermelding bevat die op het tegendeel daarvan duidt. [14] Hiervan is in dit geval niet evident sprake.
Overigens mist klager belang bij deze klacht, nu de zorgmachtiging niet voor een korte duur verleend had mogen worden in een deelbeschikking (zie hiervoor onder 3.17-3.23), en dus ook niet na een al dan niet gedaan verzoek daartoe van de advocaat.
Subonderdeel 1.2: eindbeschikking
3.27
Subonderdeel 1.2is gericht tegen r.o. 3.1 en het dictum onder 4.2 van de bestreden eindbeschikking. Geklaagd wordt dat de rechtbank ten onrechte en onbegrijpelijk de zorgmachtiging heeft verleend omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan voor de duur van zes maanden vanaf 25 februari tot en met 25 augustus 2025.
Aldus miskende de rechtbank dat zij bij uitspraak van 25 februari 2025, het verzoek reeds gedeeltelijk had toegewezen tot verlening van de zorgmachtiging tot en met 18 maart 2025, onder afwijzing van “het meer of anders verzochte”. Daardoor was het verzoek niet meer toewijsbaar, althans niet voor de periode vanaf 25 februari nu de rechtbank hierop reeds, definitief, had geoordeeld en beslist, aldus het subonderdeel.
3.28
De klachten van het subonderdeel falen.
3.29
Voor zover het subonderdeel met een
eerste klachtklaagt dat de rechtbank in de bestreden
eindbeschikking niet meer had mogen beslissen over de resterende duur van de verzochte zorgmachtiging, omdat in de eerdere
deelbeschikking reeds over de gehele verzochte duur van zes maanden zou zijn beslist (toewijzing voor drie weken + afwijzing voor de resterende periode), missen de klachten gelet op het navolgende feitelijke grondslag.
3.3
Het subonderdeel wijst in dit verband op het dictum van de bestreden deelbeschikking, waaruit zou volgen dat het verzoek gedeeltelijk is toegewezen tot en met 18 maart 2025 en “het meer of anders verzochte” is afgewezen. Hierbij gaat het subonderdeel uit van een onjuiste uitleg van het dictum van de bestreden deelbeschikking, en in het bijzonder van r.o. 4.2 en r.o. 4.3. Het dictum van de bestreden deelbeschikking luidt als volgt:

4. De beslissing
De rechtbank:
4.1
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], inhoudend dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen als genoemd bij 3.4 kunnen worden getroffen,
4.2
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 maart 2025,
4.3
wijst af het meer of anders verzochte,
4.4
bepaalt dat de zaak vóór 18 maart 2025 weer op zitting gepland wordt,
4.5
houdt iedere verdere beslissing aan.”
3.31
Toegegeven moet worden dat de plaatsing van r.o. 4.3 na r.o. 4.2 in het dictum van de bestreden deelbeschikking ongelukkig is. Het dictum van een uitspraak moet echter worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. [15] Uit de overwegingen van de bestreden deelbeschikking volgt ondubbelzinnig dat de rechter haar beslissing aanhoudt om te beslissen over de resterende periode van de verzochte duur van de zorgmachtiging. De rechtbank overweegt in r.o. 3.6 namelijk dat zij een zorgmachtiging zal afgeven “voor drie weken, zulks met aanhouding van haar beslissing over de resterende periode” (hiervoor geciteerd onder 2.3).
3.32
In dat licht moeten r.o. 4.3-4.5 van het dictum van de bestreden deelbeschikking gelezen worden. De afwijzing in r.o. 4.3 van “het meer of anders verzochte”, kan gelet op het voorgaande geen betrekking hebben op de duur van de verzochte zorgmachtiging. Kennelijk is bedoeld dat r.o. 4.3 uitsluitend betrekking heeft op de verzochte vormen van verplichte zorg, in het bijzonder op de bevoegdheid het gebruik van communicatiemiddelen te beperken. Deze verzochte zorgvorm is immers afgewezen door de rechtbank (zie r.o. 3.4 van de bestreden deelbeschikking, laatste volzin). Duidelijker was het dus geweest als r.o. 4.3 direct op r.o. 4.1 was gevolgd.
3.33
Het subonderdeel kan dan ook niet worden gevolgd in de klachten dat de rechtbank bij eindbeschikking niet meer over de resterende duur van de verzochte zorgmachtiging kon beslissen, omdat op het verzoek al volledig en definitief was beslist of dat het onbegrijpelijk is dat zij over deze resterende periode heeft beslist. Het is overduidelijk dat de rechtbank in de deelbeschikking deels op het verzoek heeft beslist, namelijk voor de periode van drie weken en tot met 18 maart 2025, en de beslissing op het verzoek wat betreft de resterende duur van de zorgmachtiging heeft aangehouden. Over de resterende duur van de verzochte zorgmachtiging kon de rechtbank dus nog bij eindbeschikking beslissen.
3.34
Voor zover met een
tweede klachtgeklaagd wordt dat de rechtbank in de bestreden eindbeschikking ten onrechte en onbegrijpelijk wederom heeft beslist over de periode van 25 februari 2025 tot en met 18 maart 2025, mist ook deze klacht feitelijke grondslag.
3.35
Daarbij stel ik voorop dat ten tijde van de beslissing van de rechtbank op 14 maart 2025 de door de rechtbank op 25 februari 2025 voor de duur van drie weken tot en met 18 maart 2025 verleende zorgmachtiging gold. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen diende de rechtbank van de geldigheid van de op 25 februari 2025 gegeven machtiging uit te gaan. De rechtbank kon daarom op 14 maart 2025 een zorgmachtiging verlenen voor de resterende duur van de door de officier van justitie verzochte periode van zes maanden, dus tot en met 25 augustus 2025. [16]
3.36
Het is ongelukkig dat de rechtbank in haar eindbeschikking onder het verloop van de procedure geen melding maakt van het bestaan de eerdere deelbeschikking en ook niet overweegt dat het hier om een voortgezette mondelinge behandeling gaat.
Uit het proces-verbaal van deze voortgezette mondelinge behandeling op 14 maart 2025 blijkt echter wel dat zowel de rechtbank als de advocaat van betrokkene bekend zijn met de eerste mondelinge behandeling op 25 februari 2025: [17]
“Rechter: In februari was er ook een zitting. Toen was u niet aanwezig. Hoe gaat het met u?
(...)
Advocaat: (…) Er was een VCM [voortzetting crisismaatregel; A-G] voor 3 weken. Die eindigde op een bepaald moment. Er was een zorgmachtiging aangevraagd, maar betrokkene begreep niet dat daarmee de VCM zou voortduren. Ze wist dat die zitting was, maar niet precies wanneer. Ze werd toen hierheen gebracht en ze was net te laat voor de zitting. De rechter heeft toen geoordeeld dat ze niet bereid was zich te doen horen, maar ze was daartoe wel bereid. Daar vond ik wel wat van. (…).”
3.37
Gelet op de einddatum van de in de eindbeschikking verleende zorgmachtiging heeft de rechtbank ook acht geslagen op de eerdere deelbeschikking. Deze einddatum van 25 augustus 2025 ligt immers zes maanden na het geven van de deelbeschikking op 25 februari 2025.
3.38
Gelet op het verhandelde ter zitting (zie hiervoor onder 3.36) en op de in de eindbeschikking genoemde einddatum van de verleende machtiging van 25 augustus 2025, kan de eindbeschikking van de rechtbank mijns inziens niet anders worden begrepen dan dat daarin uitsluitend is beslist over de
resterendeduur van de zorgmachtiging.
3.39
Het is ook niet aannemelijk dat de rechtbank in de eindbeschikking met terugwerkende kracht, nogmaals, een zorgmachtiging zou hebben verleend die zou ingaan op 25 februari 2025. Daarvoor biedt de bestreden eindbeschikking geen aanknopingspunt. De bewoordingen van de beslissing van de rechtbank in r.o. 3.1 dat “de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden” wordt verleend, is daarvoor onvoldoende. Zeker als bedacht wordt dat de rechtbank zich bewust was van de deelbeschikking van 25 februari 2025, nu zij daarmee rekening heeft gehouden bij het bepalen van de einddatum van de resterende periode waarvoor zij de zorgmachtiging heeft verleend. Die bewoordingen moeten mijns inziens aldus begrepen worden dat naar aanleiding van het verzoek zorgmachtigingen zijn verleend met een totale duur van zes maanden.
Onderdeel 2
3.4
Onderdeel 2bevat een voortbouwklacht met daarin een beroep op schending van artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM en de daarop gevormde rechtspraak van de Hoge Raad en die van het EHRM. Dit onderdeel behoeft geen aparte bespreking, nu met het grotendeels slagen van de klachten van subonderdeel 1.1 ook deze voortbouwklacht slaagt.
Slotsom
3.41
De bestreden deelbeschikking van 25 februari 2025 kan niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 25 februari 2025 tot en met 18 maart 2025 af te wijzen. [18]
3.42
De bestreden eindbeschikking van 14 maart 2025 kan in stand blijven.

4.Conclusie

4.1
De conclusie strekt tot vernietiging van de deelbeschikking van 25 februari 2025 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, en tot afdoening als vermeld onder 3.41 van deze conclusie.
4.2
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep tegen de eindbeschikking van 14 maart 2025 van diezelfde rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Blijkens het historisch overzicht gold een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel tot 6 februari 2025.
4.Vgl. over het instellen van cassatieberoep tegen een deelbeschikking: HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905,
5.Uit art. 3.2.4.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden volgt dat in een procesinleiding tegen meerdere uitspraken opgekomen kan worden.
6.Aldus recent o.m. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1797, r.o. 3.2 en r.o. 3.3, met verwijzing naar HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:972,
7.Zie bijvoorbeeld de interne notitie
8.HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316,
9.Zie de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:704, onder 2.11) voor HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1336 onder verwijzing naar verdere bronnen.
10.Zie de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2023:262, onder 3.13) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:876 onder verwijzing naar verdere bronnen.
11.Zie o.m. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016,
12.Zie over de meerdere pogingen tot horen en de vuistregel van tweemaal oproepen mijn conclusie van 28 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:712, onder 3.13, voor HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, met de verwijzingen aldaar naar de conclusies van voormalig A-G Lückers van 19 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:607, onder 2.8, voor HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1220 en die van 9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:135, onder 3.9, voor HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, onder verwijzing naar de wenk in
13.Zie o.m. HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881,
14.Zie hierover ook HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898,
15.Zie bijvoorbeeld HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:588,
16.Vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1548,
17.En zie ook de e-mail van 6 maart 2025 waarmee betrokkene is opgeroepen voor de voortgezette mondelinge behandeling (in cassatie overgelegd als gedingstuk in eerste aanleg, onder 9). De kop van dit bericht luidt: “Aangehouden zaak: Oproep ZM-zitting [naam betrokkene] [zaaknummer]”.
18.Vgl. HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1318,