Conclusie
1.Inleiding
aanpensioenfondsen zijn vrijgesteld van omzetbelasting. [1] In de gemeenschappelijke bijlage bij die conclusies merkte ik op dat in het algemeen wordt aangenomen dat diensten verricht
doorpensioenfondsen vallen onder één van de financiële vrijstellingen van art. 11 Wet Pro op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). [2] In de voetnoot daarbij schreef ik dat over dat uitgangspunt diverse procedures worden gevoerd. De onderhavige zaken komen voort uit die procedures. Ik had de oudste van de twee zaken (met nummer 23/01314, betreffende een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam [3] ) oorspronkelijk niet geselecteerd voor het nemen van een conclusie. Omdat recente jurisprudentie uitwijst dat onder de gerechtshoven – zie het overzicht in hoofdstuk 4 van deze bijlage – verschil van inzicht bestaat over de vraag of de verzekeringsvrijstelling van art. 11(1)k Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) van toepassing is op het uitvoeren van een pensioenregeling door een pensioenfonds, heb ik besloten (alsnog) conclusie te nemen in de twee onderhavige zaken. De tweede, nieuwste van deze zaken heeft het zaaknummer 25/04078 en betreft een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [4] .
PPG Holdings [6] – is geschonden.
nietbestreden worden. Verder wordt het beginsel van fiscale neutraliteit in het licht van het arrest
PPG Holdingsalleen in de zaak met zaaknummer 23/01314 aan de orde gesteld. Deze bijlage gaat daarom alleen in op de toepasselijkheid van de verzekeringsvrijstelling – uitgaande van één niet te splitsen prestatie – en over de maatstaf van heffing. Ik behandel deze onderwerpen ook in die volgorde.
verzekerde(door contractspartijen afgebakende) risico een dienst moet worden verleend. Daarvan is in de onderhavige zaken sprake (5.19-5.27). Voortbordurend daarop concludeer ik dat voor toepassing van de vrijstelling niet zozeer relevant is of de belanghebbenden of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Echter, zou dat wel relevant zijn, dan ligt dat risico bij de belanghebbenden en niet bij de deelnemers (5.28-5.29). Het betoog van de belanghebbenden dat, indien de dienst wordt verricht door een ondernemer die geen verzekeraar in formele zin is, voor toepassing van de vrijstelling gebruik moet worden gemaakt van de diensten van zo’n verzekeraar, vindt geen steun in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (5.30-5.38).
Glawe [8] ,
Metropol Spielstätten [9] en
International Bingo Technology [10] gestoelde betoog worden gevolgd dat de belanghebbenden niet anderszins vrijelijk over de gehele premie kunnen beschikken. De door de belanghebbenden aangehaalde (toelichting bij) artikelen uit de Pensioenwet ondersteunen niet hun standpunt dat sprake is van een strikte segmentatie van de kostendekkende premie in die zin dat het deel dat is berekend voor de aangroei van pensioen ook niet kan worden gebruikt voor (bijvoorbeeld) dekking van de uitvoeringskosten voor zover deze niet uit de opslag kunnen worden bekostigd. Ik heb daar ook geen ander aanknopingspunt voor kunnen vinden. Uit de stukken van het geding kan voorts worden opgemaakt dat in de zaak met zaaknummer 23/01314 een tekort in de opslag uitvoeringskosten om de kosten te dekken uiteindelijk ten laste komt van de uitkeringen aan de werknemers. In de zaak met zaaknummer 25/04078 staat zelfs vast dat de belanghebbende een deel van de uitvoeringskosten feitelijk heeft betaald uit de voorziening pensioenverplichtingen en de ‘algemene pot’. Ik kom tot de conclusie dat de door de belanghebbenden voorgestane strikte segmentatie van de premie – met beperkte beschikkingsmacht hunnerzijds tot gevolg – steun vindt in het recht noch in de feiten, en dat de feiten eerder wijzen op de praktijk dat het deel van de uitvoeringskosten dat niet wordt gedekt door de opslag uit de pensioenvoorzieningen wordt of kan worden gefinancierd. Ik kom tot de slotsom dat de gerechtshoven Amsterdam en Arnhem-Leeuwarden in de bestreden uitspraken terecht hebben geoordeeld dat de maatstaf van heffing wordt gevormd door de volledige premie.
2.Kader verzekeringsvrijstelling
Card Protection Plan (CPP) [11] overweegt het Hof van Justitie dat bij het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ algemeen als kenmerkend wordt aangenomen “dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de dienst te verlenen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen”. [12] Dit wordt inmiddels wel als de vaste definitie van een dergelijke handeling gezien. [13]
Skandia [18] gaat het om verzekeringsmaatschappij Skandia met 100%-dochtermaatschappij Livbolaget, eveneens actief op het gebied van verzekeringen. Deze vennootschappen waren van plan al het personeel en alle werkzaamheden van Livbolaget naar Skandia over te hevelen, zodat Skandia in feite alle activiteiten van Livbolaget zou verrichten: de verkoop van verzekeringsproducten, de afwikkeling van schadegevallen, de actuariële planning en het kapitaalbeheer. In ruil voor de verrichte werkzaamheden zou Skandia een vergoeding ontvangen, berekend op basis van de marktprijzen. Skandia zou geen risico's uit hoofde van bedoelde verzekeringsactiviteiten op zich nemen, want alle risico's zouden geheel bij Livbolaget berusten, die als verzekeraar in de zin van het Zweedse burgerlijk recht zou blijven optreden. Skandia meende dat de diensten die zij aan Livbolaget zou gaan leveren als handelingen ter zake van verzekering zouden zijn vrijgesteld. Daaraan legde zij ten grondslag dat volgens de verzekeringsrichtlijn een verzekeringsmaatschappij haar doel moet beperken tot het verzekeringsbedrijf en de verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit. Zij betoogde ook dat het niet nodig is dat de handeling wordt verricht door een vennootschap die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke cliënt van de verzekeraar. De diensten die door een verzekeringsmaatschappij aan een andere verzekeringsmaatschappij worden geleverd, zijn volgens haar dus vrijgesteld, en de omstandigheid dat er geen rechtstreekse rechtsbetrekking bestaat tussen Skandia en de cliënten van Livbolaget is niet van belang om uit te maken of de diensten die Skandia aan Livbolaget wil leveren, moeten worden vrijgesteld.
CPP(2.3) genoemde kenmerken. [21] Het herhaalt dat in
CPPeen rechtsbetrekking bestond tussen CPP en de verzekerden omdat CPP haar klanten tegen betaling op eigen naam en voor eigen rekening een dekking verschafte, waartoe zij een beroep deed op een verzekeraar. [22] Skandia zou echter geen contractuele verhouding met de verzekerden van Livbolaget onderhouden en geen enkel risico uit de verzekeringsactiviteiten op zich nemen, omdat alle risico's geheel zouden blijven berusten bij Livbolaget, die als verzekeraar zou blijven optreden in de zin van het Zweedse burgerlijk recht. [23]
Taksatorringen [25] ging het over de vraag of schattingen van schade aan motorvoertuigen die voor rekening van haar leden worden verricht door een vereniging van verzekeringsmaatschappijen, handelingen ter zake van verzekering zijn, dan wel daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten. Voortbouwend op
CPPen
Skandiaoverweegt het Hof van Justitie dat vastgesteld moet worden dat Taksatorringen geen rechtsbetrekkingen met verzekerden onderhoudt. [26] Aangaande de vraag of de diensten van Taksatorringen dan met verzekering samenhangende diensten zijn, overweegt het Hof van Justitie dat dit begrip enkel betrekking heeft op dienstverrichtingen van beroepsmensen die zowel met de verzekeraar als met de verzekerde betrekkingen onderhouden, en dat een makelaar slechts een tussenpersoon is. [27] Overigens kan de omstandigheid dat grote verzekeringsmaatschappijen de schattingen van schade aan motorvoertuigen door hun eigen experts laten verrichten, waardoor zij aan heffing van btw over deze diensten ontkomen, de uitlegging van de verzekeringsvrijstelling niet beïnvloeden. [28]
Aspiro [29] is qua casuïstiek enigszins vergelijkbaar met
Taksatorringen. Net als Taksatorringen heeft Aspiro zich niet zelf tegenover de verzekerde ertoe verbonden deze laatste de dekking van een risico te waarborgen, en is de dienstverrichter geenszins contractueel verbonden met de verzekerde. [30]
Arthur Andersen [31] geeft het Hof van Justitie uitleg aan het begrip ‘met handelingen ter zake van verzekering samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten’. [32] Het overweegt dat zogeheten ‘backoffice’-activiteiten, zoals de acceptatie van verzekeringsaanvragen, de behandeling van polismutaties en commerciële mutaties, de afgifte, het beheer en de beëindiging van polissen, de behandeling van claims, de vaststelling en de betaling van commissies aan tussenpersonen en zo verder, niet onder dat begrip vallen. [33] Ook ontbreken kennelijk essentiële aspecten van de functie van verzekeringsbemiddeling, zoals het zoeken van nieuwe klanten en het in contact brengen met de verzekeraar. [34]
J.C.M. Beheer [35] . J.C.M. Beheer is een subagent van verzekeringstussenpersoon VDL. Zij is niet formeel verbonden met de verzekeraars voor rekening waarvan VDL bemiddelt. Uit hoofde van de overeenkomst met VDL, die zelf een contractuele betrekking met de verzekeraars onderhoudt, is J.C.M. Beheer, dat op naam en voor rekening van VDL handelt, wel indirect met de verzekeraars verbonden. Het Hof van Justitie overweegt dat het in
Taksatorringenen
Arthur Andersenniet is overgegaan tot een analyse van de betrekkingen die die belastingplichtigen met de verzekeraars en de verzekerden onderhielden. Bijgevolg kan J.C.M. Beheer niet op grond van het enkele feit dat zij geen rechtstreekse betrekkingen onderhoudt met de verzekeraars, voor rekening van wie zij in de hoedanigheid van subagent van VDL indirect met de verzekeringnemers contracteert, de vrijstelling worden ontzegd. [36]
Aspirovolgt, naast het in 2.11 vermelde, dat de omstandigheid dat Aspiro niet de hoedanigheid van assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon bezit, niet bepalend is voor de vraag of het gaat om ‘handelingen verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen’, omdat de formele hoedanigheid van de vennootschap niet kan volstaan om te bepalen of haar activiteit al dan niet onder de werkingssfeer van de vrijstelling valt. [37] Het gaat om een beoordeling van de handelingen. Daarbij komt het Hof van Justitie tot de slotsom dat, net als in
Arthur Andersen, de diensten ter zake van de behandeling van schadegevallen die worden verricht door een dienstverrichter als Aspiro niet worden beschouwd als de verrichting van diensten door een verzekeringstussenpersoon, maar als een splitsing van de activiteiten van verzekeringsmaatschappijen. [38]
Commissie/Griekenland [39] is vooral relevant waar het Hof van Justitie nader verduidelijkt dat de afspraak om tegen voorafgaande betaling van een premie bij het intreden van het verzekerde risico hulpverlening in natura te verstrekken – in casu door wegenwacht ELPA –ook als verzekering in de zin van de vrijstelling moet worden aangemerkt. [40] Overigens was ook reeds in
CPPoverwogen dat de dienstverlening waartoe de verzekeraar zich heeft verbonden in geval van schade kan bestaan in hulpverlening, in geld of in natura. [41] Het Hof van Justitie preciseert in
Commissie/Griekenlanddat de activiteit inzake hulpverlening, die betrekking heeft op het bieden van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of vaste verblijfplaats bevinden, erin bestaat dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbintenis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wanneer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voordoen van een onzeker voorval. Deze activiteit valt onder het begrip ‘directe verzekering’ in de zin van de verzekeringsrichtlijn. Deze hulp kan met name bestaan uit prestaties in natura, die ook kunnen worden verstrekt met gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de prestatieverstrekker. Een dergelijke hulpverlening in geval van ongeval met of defect aan een wegvoertuig kan de vorm aannemen van technische hulp ter plaatse of het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie. [42]
Commissie/Griekenlanddat de Griekse regering heeft gesteld dat de betrokken pechhulp niet door een verzekeraar, assurantiemakelaar of verzekeringsagent wordt verleend. Het Hof van Justitie overweegt hieromtrent:
Swiss Reoverweegt het Hof van Justitie dat een handeling ter zake van herverzekering erdoor wordt gekenmerkt dat een verzekeraar een overeenkomst sluit waarmee hij zich tegen betaling van een premie binnen de in deze overeenkomst vastgestelde grenzen ertoe verbindt, de schulden voor zijn rekening te nemen die voor een andere verzekeraar voortvloeien uit verbintenissen die deze laatste in het kader van met zijn eigen verzekerden gesloten verzekeringsovereenkomsten op zich heeft genomen. [43]
BGŻ Leasing [44] verlangt BGŻ Leasing dat een verzekering wordt aangegaan voor alle goederen die zij leaset. Daartoe biedt BGŻ Leasing haar klanten een optionele verzekering aan. Zo de klant dat wenst, sluit BGŻ Leasing de passende verzekering bij een verzekeringsonderneming en wordt de prijs ervan aan de klant doorberekend. Het Hof van Justitie overweegt dat het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ in beginsel mede omvat de verstrekking van een verzekering die een verzekerde, zoals een leasinggever, neemt en waarvan hij (alleen) de kosten in het kader van een leasingdienst doorberekent aan zijn klant, de leasingnemer, die zich door deze verzekering jegens de leasinggever indekt tegen risico’s. [45] Of, in de iets geparafraseerde woorden van A-G Szpunar in zijn conclusie voorafgaand aan het hierna te bespreken arrest
Mapfre: de contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde kan tot stand komen door een derde, die handelt op eigen naam, maar voor rekening van de verzekerde. [46]
Mapfre [47] , dat gaat over garantie bij koop van een tweedehands auto. Garagehouders die tweedehandsauto’s verkopen, bieden de kopers van deze auto’s via Mapfre een garantie aan voor de reparatie van mechanische defecten aan deze auto’s. Wanneer de koper daarvoor kiest, ontvangt hij tegen betaling van de gevraagde toeslag – die in de verkoopprijs is begrepen – in het garantieboekje een aanmeldingsformulier van Mapfre. Bij een defect ontvangt Mapfre een rapport van de erkende garage waartoe de koper zich heeft gewend. Mapfre gaat vervolgens na of de garantie geldig was, controleert of het bedrag van de offerte aan de normen voldoet en geeft dan toestemming om het defecte onderdeel te repareren of te vervangen. De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat de koper alleen van Mapfre – en niet van een ander – kan eisen dat zij de beloofde reparatie uitvoert en de kosten ervan draagt.
CPPen
Taksatorringen. Volgens Mapfre bestaat enkel een contractuele verhouding tussen Mapfre en de verkoper van de auto. Zij betoogt dat de verkoper Mapfre alleen opdraagt zijn verplichtingen als wederverkoper uit de wet of uit overeenkomst jegens de koper na te komen. Volgens Mapfre is het ook de wederverkoper van deze tweedehandsauto die aan Mapfre de premie moet betalen voor de door deze vennootschap verstrekte dekking. [48]
Mapfre, met cursivering van mij: [53]
Geen enkele statistische techniek garandeert dat fouten geheel worden uitgesloten; het verzekeringsbedrijf kan dus ook verlies opleveren.Bovendien wordt overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn ieder die economische activiteiten verricht, „ongeacht [...] het resultaat van die activiteit”, als belastingplichtige voor de btw beschouwd. Ik zie niet in waarom dat niet zou gelden voor een vrijgestelde activiteit.”
United Biscuits [55] gaat het over een Britse beheerder van een bedrijfspensioenregeling (United Biscuits). United Biscuits Pension Investments is de voormalige beheerder van een collectief beleggingsfonds waarin de activa van deze regeling waren belegd voor de periode van 1989 tot en met 2006. De opeenvolgende beheerders van dit fonds maakten gebruik van de beheerdiensten van zowel verzekeraars als niet-verzekeraars. Van de verrichte diensten konden de door niet-verzekeraars gefactureerde diensten op grond van de in het Verenigd Koninkrijk geldende regels of praktijken niet van btw worden vrijgesteld. Aan de orde was of diensten ter zake van het beheer van beleggingen die worden verricht krachtens een bedrijfspensioenregeling, met uitsluiting van elke schadeloosstelling bij risico, kunnen worden aangemerkt als ‘handelingen ter zake van verzekering’. Het Hof van Justitie overweegt kort dat dergelijke diensten niet de kenmerkende bestanddelen bevatten van een ‘handeling ter zake van verzekering’, aangezien de verzekeringsvrijstelling “in wezen wordt gerechtvaardigd door de moeilijkheid om vast te stellen wat de juiste maatstaf van heffing van btw over de aan de dekking van het risico verbonden verzekeringspremies is”. [56]
CPPen
Skandianaar de verzekeringsrichtlijn geen noodzakelijk en intrinsiek verband heeft willen leggen tussen de btw en eventuele juridische categorieën in de verzekeringsrichtlijnen. [57] Bovendien vallen verrichtingen voor het beheer van collectieve pensioenfondsen ook niet onder het begrip ‘verzekeringen’ in de zin van die richtlijn. [58]
Q-GmbH [59] overweegt het Hof van Justitie dat het verlenen van een licentie voor een verzekeringsproduct niet valt onder de verzekeringsvrijstelling.
Rádio Popular [60] gaat over een elektronicaverkoper die de afnemers van haar producten een verlenging van de garantie op de aangekochte producten biedt. Deze verlenging vloeit voort uit een verzekeringsovereenkomst waarbij de verzekeringsonderneming de koper in geval van schade aan het aangekochte product de reparatie of eventuele vervanging garandeert voor een periode die langer is dan de door de fabrikant gedekte periode. Deze verzekeringsovereenkomst wordt gesloten tussen een verzekeringsonderneming en de kopers van de door Rádio Popular aangeboden producten. Het Hof van Justitie overweegt dat Rádio Popular niet zelf gebonden is door de verzekeringsovereenkomst die voorziet in extra garantie voor kopers van huishoudelijke apparaten en andere computer- en telecomproducten als verzekerden, maar slechts optreedt als tussenpersoon tussen deze kopers en een verzekeraar met wie deze overeenkomst is gesloten en die bovendien het aldus verzekerde risico dekt. [61] Wel gaat het om diensten die samenhangen met handelingen ter zake van verzekering die worden verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen. [62]
Generali Seguros [63] gaat over een verzekeringsonderneming die in het kader van haar activiteiten wrakken verwerft van motorvoertuigen die schade hebben opgelopen bij ongevallen waarbij haar verzekerden betrokken waren, en deze vervolgens doorverkoopt aan derden. Het Hof van Justitie herhaalt zijn overweging uit
United Biscuitsdat het doel van de verzekeringsvrijstelling is gelegen in de moeilijkheid om vast te stellen wat de juiste maatstaf van heffing van btw over de aan de dekking van het risico verbonden verzekeringspremies is. [64] De opkoop van de wrakken vormt geen handeling ter zake van verzekering, omdat de waarde van het wrak de restwaarde, na ongeval, van het verzekerde voertuig vormt en dus per definitie geen deel uitmaakt van de door de verzekerde geleden schade. Daarom maakt deze prijs geen deel uit van de eigenlijke verzekeringsvergoeding, aangezien die prijs aan de verzekerde wordt uitgekeerd ter uitvoering van een van de verzekeringsovereenkomst verschillende en scheidbare koopovereenkomst. [65]
Skandia(2.7-2.9) dat het Hof van Justitie in
CPP“van oordeel is dat het voorwerp en de ontvanger van de dienst de verzekeringsdiensten kenmerken; met andere woorden, om van handelingen ter zake van verzekering te kunnen spreken, moet er een rechtsverhouding zijn tussen degene die aanbiedt een risico te dekken (een verzekeraar in de juridische betekenis van het woord of gewoon degene die deze dekking biedt) en de verzekerde, namelijk degene wiens risico wordt verzekerd”. [66]
Taksatorringen(2.10) op dat het Hof van Justitie in
CPPen
Skandiahet bestaan van een verbintenis van degene die de vrijstelling vraagt tegenover de verzekeringnemer als maatstaf heeft gehanteerd. [67]
Swiss Re(2.17) dat, hoewel een handeling ter zake van verzekering ook als zodanig kan worden aangemerkt indien zij wordt verricht door iemand die niet de formele kwalificaties van een verzekeraar bezit, het absoluut onontbeerlijk is dat er een rechtstreekse rechtsbetrekking bestaat tussen degene die de handeling verricht en de verzekerden. [68]
Aspiro(2.11, 2.14) leidt A-G Kokott uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie af dat voor het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ doorslaggevend is dat sprake is van een risico-overname onder bezwarende titel. Deze risico-overname impliceert dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en de verzekerde. [69]
United Biscuits(2.24-2.25) vat A-G Pikamaë de kenmerkende bestanddelen van een verzekeringshandeling uit
CPPaldus samen dat iedere handeling ter zake van verzekering bevat: een risico, een premie en een garantiedienst ingeval het risico intreedt. [70] De A-G acht voor toepassing van de vrijstelling doorslaggevend het bestaan van een rechtsbetrekking tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico’s door de verzekering worden gedekt en de inhoud zelf van de betrokken activiteiten. [71]
PPG Holdings [72] heeft niets te maken met de verzekeringsvrijstelling, maar het lijkt mij in het kader van de uiteenzetting van de jurisprudentie in onderdeel 4 van deze bijlage goed om toch daarop in te gaan; daarvoor lijkt dit mij de minst slechte plaats. In de zaak die heeft geleid tot het arrest
PPG Holdingsgaat het over een groep ondernemingen die een juridisch afgezonderd pensioenfonds heeft opgericht voor haar werknemers. Een van die ondernemingen, PPG Fiber Glass, heeft met diverse dienstverleners overeenkomsten gesloten voor administratie, vermogensbeheer, controle van de jaarrekening en advisering ten behoeve van het fonds. De met de overeenkomsten gemoeide kosten zijn betaald door die dochteronderneming en niet doorberekend aan het pensioenfonds. Vooral relevant is de vraag of de aan PPG Fiber Glass in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek kon worden gebracht als onderdeel van de algemene kosten van de belastbare economische activiteit van PPG. Het Hof van Justitie overweegt dat dat recht op aftrek bestaat, omdat de belastbare activiteiten van de belastingplichtige de uitsluitende oorzaak van de afgenomen diensten vormen en dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Indien geen recht op aftrek zou bestaan, zou de neutraliteit van de btw niet gegarandeerd zijn:
PPG Holdingsaan de orde was inmiddels niet meer mogelijk is: [73]
3.Kader Pensioenwet
uitkering van een bepaalde hoogte die vanaf een bepaalde leeftijd ontvangen wordt. Naast eindloon- en middelloonregelingen zijn ook vastebedragenregelingen uitkeringsovereenkomsten. Afhankelijk van salaris en/of diensttijd wordt een bepaalde aanspraak op een uitkering opgebouwd.
Zowel het risico dat de levensverwachting van de werknemer meer toeneemt dan aanvankelijk verwacht was (ook wel het langlevenrisico genoemd), als het beleggingsrisico, het risico dat de inkomsten over de belegde gelden mee- of tegenvallen, ligt te allen tijde bij de pensioenuitvoerder.
en de daaraan verbonden kosten”. In de memorie van toelichting bij de Pensioenwet (oud) is opgemerkt dat de premie voor de Pensioenwet niet alleen de kosten voor de uitkeringen betreft, maar ook voor bijvoorbeeld administratiekosten. [88]
Geen premie, geen recht
4.Recente nationale jurisprudentie
PPG Holdings [99] . Ik kijk daarbij naar de volgende uitspraken:
volledigerisico-overname. [110] Mogelijk ligt in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam besloten de opvatting dat een volledige risico-overname niet vereist is, omdat het gerechtshof overweegt dat aan het dragen van het risico door het pensioenfonds niet afdoet dat de toegezegde uitkeringen kunnen worden verlaagd. Idem voor de rechtbank Noord-Holland op 11 april 2022, die in vergelijkbare zin heeft overwogen. [111]
tegen voorafgaande betaling van een premie. Volgens het gerechtshof ontbreekt een voldoende rechtstreeks (direct) verband tussen de premiebetaling en het recht op een uitkering. Voor de werknemer is het betalen van de premie geen constitutief vereiste voor het verkrijgen van de uitkering. Blijkens het pensioenreglement heeft de werknemer bij het intreden van het verzekerde risico het recht de uitkering te verkrijgen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen indien hij als deelnemer wordt aangemerkt voor de betreffende pensioenregeling, ook als de werkgever geen premie heeft afgedragen. Om als deelnemer aangemerkt te worden, is blijkens het pensioenreglement premiebetaling geen voorwaarde. Ik citeer verder uit de uitspraak die wordt bestreden in de zaak met zaaknummer 25/04078, zonder de voetnoten over te nemen. In de andere zaak is het oordeel overigens inhoudelijk gelijkluidend. Het gerechtshof overweegt: [117]
PPG Holdings(2.34-2.35) faalt ook bij bijna alle genoemde rechters waar een beroep op dat arrest wordt gedaan en waar er een oordeel over wordt gegeven. [121] Dat is steeds gelegen in de omstandigheid dat het gaat om een andere feitelijke situatie, waardoor – anders dan de pensioenfondsen steeds stellen – de fiscale neutraliteit niet wordt geschonden. Dat de werkgever het pensioen niet zelf mag uitvoeren maar moet onderbrengen bij een pensioenfonds op grond van de Pensioenwet, maakt dit niet anders. Het gaat om een andere economische en juridische situatie met andere rechtsverhoudingen, en die kunnen tot andere gevolgen voor de btw leiden. De rechtbank Noord-Holland overweegt in haar uitspraak van 11 april 2022 bovendien nog dat uit
PPG Holdingsook niet kan worden afgeleid dat de onderneming van het pensioenfonds met die van de werkgevers zou moeten worden vereenzelvigd. Een zodanige vereenzelviging deed zich in
PPG Holdingsimmers niet voor: het was in dat geval de werkgever die zonder tussenkomst van het pensioenfonds de kosten voor de pensioenadministratie droeg. Alleen de rechtbank Noord-Nederland, die tot het oordeel komt dat de verzekeringsvrijstelling niet van toepassing is, overweegt dat zulks in lijn is met
PPG Holdingsomdat de werknemers die het betreft werken voor werkgevers die belaste prestaties verrichten, waarop dus geen omzetbelasting zou moeten drukken. [122]
PPG Holdings. [128]
CPP; CE] staat echter ook: “19. Bovendien staat vast, dat de term ‘handelingen ter zake van verzekering’ (…), hoe dan ook het geval omvat waarin de betrokken handeling wordt verricht door de verzekeraar, die de dekking van het verzekerde risico op zich heeft genomen.” Deze overweging nuanceert de verplichting tot het betalen van premie. Dat past naar onze mening ook veel beter bij het BTW-systeem nu het belasten dan wel vrijstellen van een prestatie niet zou mogen afhangen van het al dan niet betalen van een overeengekomen vergoeding.”
CPPjuist een functionele beoordeling verlangt van risicodekking, premiebetaling en uitkeringsverplichting in hun onderlinge samenhang. De auteur meent dat het gerechtshof uitsluitend kijkt naar het civielrechtelijke verband tussen deelnemer en pensioenfonds en daarin ten onrechte de economische realiteit van de premiebetaling van de werkgever buiten beschouwing laat. Verder schrijft de auteur dat zijns inziens het oordeel dat de gehele premie de vergoeding voor de door het pensioenfonds verrichte prestatie vormt, geen rekening houdt met het onderscheid tussen geldstromen die dienen tot kapitaalopbouw en betalingen die de prijs vormen voor een dienst. Indien de redenering van het gerechtshof zou worden doorgetrokken, zouden ook andere kapitaalstromen binnen het btw-bereik kunnen worden getrokken, zoals bankdeposito’s, beleggingsinleg, waarborgsommen en interne financieringsstromen, aldus de auteur. Hij meent ook dat het doel van de betaling (het verkrijgen van uitkeringen vanaf een bepaalde leeftijd) niet dragend is om te beoordelen of de betaling een vergoeding vormt voor een levering of dienst.
5.Beschouwing verzekeringsvrijstelling
Skandia(2.9) overweegt het Hof van Justitie dat, gezien de definitie van ‘handelingen ter zake van verzekering’, de identiteit van de ontvanger van de dienst van belang is voor de afbakening van de vrijgestelde diensten. Ter herinnering: een ‘handeling ter zake van verzekering’ is een handeling waarbij de dienstverrichter zich tegen (i) voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde (ii) bij het intreden van het verzekerde risico (iii) de dienst te verlenen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen (2.3). Het Hof van Justitie vervolgt in
Skandiadat een handeling ter zake van verzekering naar haar aard impliceert dat een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico's door de verzekering zijn gedekt, dat wil zeggen de verzekerde. In de definitie van ‘handelingen ter zake van verzekering’ is overigens de verzekerde degene aan wie bij het intreden van het verzekerde risico de dienst wordt verleend die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen.
Taksatorringenen
Aspirois af te leiden dat indien géén rechtsbetrekking bestaat tussen de dienstverrichter en de verzekerde, de verzekeringsvrijstelling niet op de dienst in kwestie kan worden toegepast (2.10-2.11). De rechtsbetrekking vormt dus een constitutief vereiste voor toepassing van de verzekeringsvrijstelling.
Mapfrevolgt dat uit de aanwezigheid van de bestanddelen van een handeling ter zake van verzekering (5.3) kan worden afgeleid dat tussen de dienstverrichter en de verzekerde de vereiste rechtsverhouding bestaat (2.22). Er is wat voor te zeggen dat vice versa de rechtsbetrekking dus ook de bestanddelen van een handeling ter zake van verzekering moet omvatten om als contractuele betrekking in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie te kunnen worden aangemerkt.
verbindt. Reeds het verzekeren c.q. het bieden van de dekking is de dienst en
die dienstis vrijgesteld. Het is bovendien onzeker of de dienst waartoe de dienstverrichter zich verbindt, zal moeten worden verricht, omdat ook mogelijk is dat het verzekerde risico zich niet voordoet.
BGŻ Leasing(2.18). Daarin overweegt het Hof van Justitie – tegen de achtergrond van
CPP(2.3 e.v.) – dat het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ in beginsel mede omvat de verstrekking van een verzekering die een verzekerde, zoals een leasinggever, neemt en waarvan hij (alleen) de kosten in het kader van een leasingdienst doorberekent aan zijn klant, de leasingnemer, die zich door deze verzekering jegens de leasinggever indekt tegen risico’s. Dus A, leasingnemer, loopt een risico jegens leasinggever B (aansprakelijkheid voor schade aan het geleasede), B sluit op eigen naam bij C een verzekering voor dat risico af in het kader waarvan
B de uitkering zal ontvangenen B berekent enkel de kosten daarvan door aan A, echter
zonderdat de verzekering op naam van A komt te staan. Daarmee verricht B – aldus het Hof van Justitie – een handeling ter zake van verzekering aan A.
BGŻ Leasingnaar het oordeel van het Hof van Justitie B zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt A bij het intreden van het verzekerde risico de uitkering te doen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen, en impliceert dat tussen B in de hoedanigheid van verrichter van de verzekeringsdienst en A in de hoedanigheid van verzekerde een rechtsbetrekking bestaat. Dit ondanks dat B de eventuele uitkering ontvangt: A is immers (ook) begunstigde, omdat hij met die uitkering wordt bevrijd van een schuld die hij jegens B heeft.
CPP(2.3 e.v.), waarin kennelijk de vereiste contractuele betrekking aanwezig was, en in het bijzonder de volgende punten daarvan (cursivering van mij):
CPP de nemer is van een collectieve verzekeringwaarvan
haar klanten de verzekerden zijn. Zij verschaft deze laatsten tegen betaling, voor zover het de diensten in de Continental-polis betreft,
op eigen naam en voor eigen rekening een dekking, waartoe zij een beroep doet op een verzekeraar. Vanuit BTW-oogpunt worden dus diensten uitgewisseld, enerzijds tussen Continental en CPP en anderzijds tussen CPP en haar klanten. De omstandigheid dat Continental ingevolge het bepaalde in de overeenkomst met CPP de dekking van de verzekering
rechtstreeks aan de klanten van laatstgenoemde biedt, is daarbij irrelevant.
waarvan hij de nemer is, zijn klanten,
die verzekerden zijn, een dekking verschaft door een beroep te doen op een verzekeraar,
die het gedekte risico op zich neemt, een handeling ter zake van verzekering in de zin van deze bepaling verricht. (…)”
Mapfre(2.21). Daarin overweegt het Hof van Justitie dat het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ ruim genoeg is om onder meer de situatie te omvatten waarin de garantieovereenkomst met de verzekeraar betreffende een auto op eigen naam maar voor rekening van de koper door de wederverkoper van de auto is gesloten.
Commissie/Griekenland(2.15), waarin de vorm waarin de hulpverlening in natura door de wegenwacht zou worden verleend niet vaststond: dat kon technische hulp ter plaatse zijn, maar ook vervoer naar de plaats van reparatie. Overigens worden de betreffende oordelen in cassatie niet meer bestreden. Ik houd het dus bij de vaststelling dat niet in geschil is dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat ‘de overeengekomen dienst wordt verleend’.
Mapfre, waarin het Hof van Justitie overweegt dat de door Mapfre gefactureerde bedragen lijken op typische verzekeringspremies door de betaling waarvan de verzekerde geheel van het verzekerde risico wordt bevrijd (2.23). Dat middel leidt hieruit af dat tot de essentiële kenmerken van een handeling ter zake van verzekering behoort een volledige risico-overname. In de zaak met zaaknummer 25/04078 zit het middel meer op de lijn dat niet de belanghebbende, maar de deelnemers de risico’s dragen. Op dat betoog, dat ook in de zaak met zaaknummer 23/01314 wordt gevoerd, ga ik hieronder in (5.28).
verzekerderisico. Zo staat het ook in
Mapfre. [140] Het ligt in dit opzicht voor de hand dat met het ‘verzekerde risico’ wordt bedoeld: het risico en de daarbij behorende dekking zoals door partijen in hun overeenkomst afgebakend. Vergelijk in dit kader ook het arrest
Swiss Re(2.17), waarin het Hof van Justitie overweegt dat een handeling ter zake van herverzekering erdoor wordt gekenmerkt dat een verzekeraar een overeenkomst sluit waarmee hij er zich tegen betaling van een premie
binnen de in deze overeenkomst vastgestelde grenzentoe verbindt, de schulden voor zijn rekening te nemen die voor een andere verzekeraar voortvloeien uit verbintenissen die deze laatste in het kader van met zijn eigen verzekerden gesloten verzekeringsovereenkomsten op zich heeft genomen. Ik zie geen aanleiding om voor de handeling ter zake van verzekering een ander uitgangspunt te hanteren.
CPP, waarin de definitie van een verzekeringshandeling voor de btw door het Hof van Justitie werd geformuleerd, was de dekking door CPP overigens ook niet steeds onbeperkt: [141]
Mapfre, waarin het twee aspecten noemt om de vergelijking met verzekeringspremies te maken
.Het leidt uit de stukken af dat de premie niet aan de koper wordt gerestitueerd indien het garantietijdvak zonder defecten verstrijkt of in het geval de reparatiekosten lager zijn uitgevallen dan deze premie. Ook bij een pensioen wordt de premie niet gerestitueerd bij overlijden voorafgaand aan de pensioendatum. Verder is in
Mapfreaan de orde dat, indien een defect meer kost dan de betaalde premie, de koper van de auto niet de aanvullende kosten hoeft te betalen. Ook bij een pensioen hoeft een individuele deelnemer in de regel niet zelf extra te betalen indien hij langer leeft dan waarop is gerekend.
verzekerderisico. Het argument van in ieder geval de belanghebbende in de zaak met zaaknummer 23/01314 dat geen dan wel onvoldoende risico is overgenomen om de vrijstelling van toepassing te doen zijn, berust dus op een onjuiste rechtsopvatting.
zijnvoornoemde verplichting te kunnen voldoen. Dat is beleggen voor eigen rekening en risico (vergelijk ook de in 3.15 aangehaalde wetsgeschiedenis). Dat een pensioenfonds als het ware onverschillig en juridisch transparant zou zijn aangaande de vraag of het wel of niet de vastgestelde uitkeringen kan doen – de belanghebbende in de zaak met zaaknummer 23/01314 noemt zichzelf “slechts een doorgeefluik” [143] – lijkt mij een vrij cynische en bovendien onjuiste voorstelling van zaken. Een dergelijke benadering staat haaks op het karakter van uitkeringsovereenkomst dat de onderhavige pensioenafspraken hebben (3.14 en verder). Het staat ook haaks op de statuten van de belanghebbenden, waarin blijkens de bestreden uitspraken staat dat zij ten doel hebben “de op grond van de pensioenreglementen omschreven pensioenaanspraken te verlenen en pensioenuitkeringen te doen” (23/01314) of “deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige belanghebbenden (…) te beschermen tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom, invaliditeit en overlijden” (25/04078).
CPP– dat een niet-verzekeraar slechts een handeling ter zake van verzekering kan verrichten indien deze daarbij gebruikmaakt van de diensten van een verzekeraar. Daarbij baseert het middel zich op de volgende overweging van het Hof van Justitie (2.5):
CPP.
CPP. [144] Het is niet uit te sluiten dat uit die herhaling zou moeten worden afgeleid dat het om een voorwaarde gaat, maar evengoed kan het simpelweg een weergave zijn van wat het Hof van Justitie heeft geoordeeld in de situatie die voorlag in
CPP. Het antwoord zal op basis van andere aanknopingspunten moeten worden gevonden.
zelf geen verzekeraar is. Vergelijk ook punt 25 van
CPP(“een belastingplichtige die niet de hoedanigheid van verzekeraar heeft”). Zie in dit kader verder de iets bijgeschaafde versie van de hiervoor aangehaalde overweging die het Hof van Justitie vanaf
Skandia(2.7) hanteert (cursivering van mij):
hoe dan ook het geval omvat waarin de betrokken handeling wordt verricht door de verzekeraar, die de dekking van het verzekerde risico op zich heeft genomen, in punt 22 geoordeeld, dat deze uitdrukking
niet alleen ziet op de door de verzekeraars zelf verrichte handelingen, maar in beginsel ruim genoeg is om ook de dekking van een verzekering te omvatten welke wordt geboden door een belastingplichtige die zelf geen verzekeraar is, maar die in het kader van een collectieve verzekering zijn klanten een dergelijke dekking verschaft door gebruik te maken van de diensten van een verzekeraar die het verzekerde risico op zich neemt.”
CPP– denkbaar zijn. [145] Dat pleit voor de lezing die de middelen betogen. Overigens is daarmee ook nog niet gezegd dat het Hof van Justitie alleen de
CPP-situatie als zo’n uitzonderingssituatie zou kunnen aanmerken.
CPP:
Skandia(2.8) en, waar het activiteiten van verzekeringsmakelaars en tussenpersonen betreft,
Aspiro(2.14) volgt overigens ook dat de formele hoedanigheid op zichzelf bezien niet volstaat om te bepalen of een activiteit al dan niet onder de werkingssfeer van de verzekeringsvrijstelling valt.
Commissie/Griekenland(2.15-2.16) geeft mijns inziens het doorslaggevende antwoord. Ik breng in herinnering dat het in die zaak ging om hulpverlening in natura die werd verstrekt door de Griekse wegenwacht ELPA. De Commissie had een infractieprocedure gestart omdat in Griekenland deze dienst met btw was belast, terwijl deze dienst volgens de Commissie onder de verzekeringsvrijstelling diende te vallen. De Griekse regering heeft in deze zaak gesteld dat de betrokken pechhulp niet door een verzekeraar, assurantiemakelaar of verzekeringsagent wordt verleend. Uit de zaak is verder niet op te maken dat ELPA bij het verlenen van haar diensten gebruikmaakt van de diensten van een verzekeraar. Niettemin herhaalt het Hof van Justitie de
CPP-passage, voorafgegaan door de zinsnede “[w]at ten slotte de omstandigheid betreft dat ELPA niet de hoedanigheid van verzekeraar heeft”. Vervolgens overweegt het dat ELPA, “zoals de Commissie op goede gronden heeft gesteld” een handeling ter zake van verzekering verricht met “het verlenen van bijstand bij het intreden van het door deze organisatie gedekte risico van autopech of -ongeval, waartoe een organisatie als ELPA zich, tegen betaling van een vaste jaarlijkse bijdrage, heeft verbonden ten aanzien van haar leden”. De gronden die de Commissie aandroeg waren dat “het verzekerde risico een onzeker voorval betreft, dat hierin bestaat dat een auto ergens onderweg pech krijgt, in het tijdvak waarvoor de premie betaald was”. [147]
CPP, niet als voorwaarde voor toepassing van de verzekeringsvrijstelling stelt dat, indien de handeling in kwestie niet is verricht door een verzekeraar, gebruik moet zijn gemaakt van de diensten van een verzekeraar, die het verzekerde risico op zich neemt.
betaling. Zie onder meer het Engelse “prior payment of a premium”, het Duitse “gegen vorherige Zahlung einer Prämie”, het Franse “moyennant le paiement préalable d’une prime”, het Spaanse “previo pago de una prima
”en het Zweedse “mot förskottsbetalning av en premie”. [148]
moetgaan – anders werkt het pensioenstelsel niet – betekent niet dat de deelnemer bij een pensioenfonds slechts in uitzonderlijke omstandigheden het recht op een pensioenuitkering behoudt. Juridisch gezien is dat immers het uitgangspunt/de hoofdregel, en zijn volgens de Memorie van Toelichting bij de Pensioenwet uitzonderlijke omstandigheden denkbaar waarin onverkorte toepassing van dat uitgangspunt tot onwenselijke uitkomsten zou leiden (3.18) en waarin dat uitgangspunt dus
nietzou gelden.
Mapfreoverweegt (zie ook 5.28), de kwalificatie van een verrichting als ‘handeling ter zake van verzekering’ niet afhangen van de wijze waarop de verzekeraar het door hem gedekte risico beheert en de precieze premie berekent.
Mapfre(2.23) worden twee karaktertrekken van verzekeringspremies benoemd: als de uitkering hoger is dan de premie, hoeft niet te worden bijbetaald, en indien het verzekerde risico zich niet voordoet, wordt de premie niet gerestitueerd. Dat biedt echter geen aanknopingspunten voor de onderhavige situatie. Ook in de nationale jurisprudentie heb ik geen aanknopingspunten gevonden betreffende de toepassing van de verzekeringsvrijstelling in met de onderhavige situatie vergelijkbare gevallen.
juisteis. Dat geeft aanleiding tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie.
CPPwaarnaar de redactie Vakstudie-Nieuws verwijst. Evengoed geldt bij gebreke van aanknopingspunten dat minst genomen niet buiten redelijke twijfel is dat het wél een voorwaarde is, hetgeen mijns inziens het stellen van een prejudiciële vraag betreffende de afbakening ervan te meer rechtvaardigt.
6.De maatstaf van heffing
Kader
Glawe [155] gaat het om kansspelautomaten die op basis van een wettelijke regeling zo ontworpen moeten zijn dat ten minste 60% van de door de spelers ingeworpen munten, verminderd met omzetbelasting, wordt uitgekeerd als prijs. De resterende 40% blijft in het door de exploitant te legen geldbakje. Aan de orde was de vraag of het deel van de munten dat weer aan de spelers moest worden uitgekeerd en dat zich in een separate houder in de automaten bevindt, behoort tot de maatstaf van heffing. Het Hof van Justitie herhaalt zijn jurisprudentie dat de maatstaf van heffing wordt gevormd door de daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. [156] Het overweegt vervolgens dat alleen het deel van de munten die in het te legen geldbakje belanden, in het bezit van de exploitant komen en dus door hem worden ontvangen:
Metropol Spielstätten [157] is
Glawebevestigd en aldus geduid dat onjuist is dat bij de berekening van de maatstaf van heffing enkel rekening mag worden gehouden met de bedragen die voor een spel of partij zijn ingezet, anders gezegd de door een bepaalde speler ingezette bedragen. Dat oordeel hangt samen met het uitgangspunt dat de maatstaf van heffing wordt bepaald door hetgeen de belastingplichtige werkelijk als tegenprestatie ontvangt, en niet door hetgeen een bepaalde ontvanger in een concreet geval betaalt. [158]
International Bingo Technology [159] gaat het eveneens om de vraag of het vooraf bij wet vastgestelde percentage aan prijzengeld bij bingospelen in mindering komt op de maatstaf van heffing. Ook in deze zaak oordeelt het Hof van Justitie dat, omdat het aan de spelers als prijzengeld uit te keren gedeelte van de verkoopprijs van de kaarten vooraf verplicht wordt bepaald, het niet kan worden beschouwd als een deel van de door de spelorganisator voor zijn dienst verkregen tegenprestatie. De organisator kan namelijk slechts over het resterende gedeelte van de verkoopprijs daadwerkelijk voor eigen rekening beschikken. [160]
Town and County Factorskwamen de deelnamekosten de organisator volledig ten goede en stelden hem in staat zijn activiteit te bekostigen. [161]
Boehringer Ingelheim [162] was aan de orde dat een farmaceutische onderneming krachtens de nationale wet aan particuliere zorgverzekeraars voor farmaceutische producten die uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn en waarvoor deze verzekeraars de prijs geheel of gedeeltelijk aan de verzekerden hebben terugbetaald, een korting naargelang het terugbetalingspercentage moet toekennen binnen dezelfde verhoudingen als is bepaald voor de wettelijke zorgverzekeraars. Het Hof van Justitie oordeelt dat de farmaceut in zo’n geval niet vrij kan beschikken over de totale prijs die zij ontvangt bij de verkoop van haar producten aan apotheken of groothandelaars.
niethet oordeel dat sprake is van één prestatie, zijnde de uitvoering van een pensioenregeling. In de hogerberoepschriften in beide zaken [163] wordt ook betoogd dat het gaat om één enkele dienst. Ik lees niet in de beroepschriften in cassatie dat de belanghebbenden klagen over de inhoud van de prestatie zoals beoordeeld door de gerechtshoven. De Staatssecretaris werpt in zijn verweerschriften in beide zaken evenwel op dat de belanghebbenden denkelijk betogen dat zij andere, aftrekgerechtigde handelingen verrichten. [164] De conclusies van repliek in beide zaken maken echter duidelijk dat de belanghebbenden één prestatie aanwezig achten, en menen dat het deel van de premie dat niet ziet op de uitvoeringskosten geen vergoeding voor een prestatie is, omdat de belanghebbenden niet vrijelijk over de gelden kunnen beschikken. [165]
De premie-inleg vormt de financiële deelneming van de pensioendeelnemers in [belanghebbende], vergelijkbaar met de participatie van een belegger in een beleggingsfonds.Deze geldstroom is daardoor geen onderdeel van de vergoeding die [belanghebbende] ontvangt voor de pensioenuitvoeringsdienst.”
CollectieveDefined Contribution-regelingen – simpelweg niet aan de orde. Om te beginnen: deelnemers aan een pensioenregeling verliezen het recht op en de beschikkingsmacht over hun ‘inleg’ als zodanig. Als uitgangspunt kan de deelnemer in een beleggingsfonds zijn belegging verkopen en kan het geld op een bankrekening worden opgenomen, beide op het moment waarop de persoon in kwestie daarvoor kiest. Een deelnemer in een pensioenregeling verkrijgt wel een voorwaardelijke aanspraak op uitkeringen bij het intreden van een bepaald risico, maar dat is niet een aanspraak op de premie (plus rendement) – ook niet voor het deel waarmee zijn uitkeringen worden bekostigd. Het pensioenstelsel zou overigens geen lang leven beschoren zijn als de deelnemer die beschikkingsmacht wél zou behouden en bijvoorbeeld de betaalde premies in het zicht van overlijden weer zou kunnen terugvorderen.
Stichting BPL Pensioen e.a. [170] aldus moet worden uitgelegd dat geen sprake is van een vergelijkbaar beleggingsrisico wanneer het gaat om een regeling met grotendeels c.q. in ruime mate op basis van het arbeidsinkomen en het aantal dienstjaren vooraf bepaalde pensioenrechten en -uitkeringen. Dat is het geval bij een regeling waarbij de hoogte van die rechten en uitkeringen in beginsel wordt berekend op basis van een referentiepensioen of het arbeidsinkomen en het aantal dienstjaren en niet rechtstreeks afhangt van de beleggingsresultaten, maar slechts kan wijzigen afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad. Bij zo’n regeling, waarvan het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen grotendeels c.q. in ruime mate vooraf wordt bepaald aan de hand van het arbeidsinkomen en het aantal dienstjaren, is het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen niet in de eerste plaats afhankelijk van de beleggingsresultaten. Alsdan is bij die regeling geen sprake van een aanzienlijke invloed van de beleggingsresultaten en is het beleggingsrisico niet vergelijkbaar met het risico dat wordt gedragen door icbe-deelnemers, dus kan het pensioenfonds dat die regeling uitvoert niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in art. 135(1)g Btw-richtlijn worden aangemerkt. [171]
verzekering.
Glawe,
Metropol Spielstättenen
International Bingo Technology(6.4-6.6) nog de vraag op of de belanghebbenden niettemin toch niet vrijelijk over dat premiedeel kunnen beschikken. In die arresten is bij wet vastgesteld dat een bepaald deel van de ontvangen gelden bestemd is als prijzengeld, hetgeen in die gevallen uiteindelijk tot de beslissing leidde dat de belastingplichtigen in kwestie niet voor eigen rekening over dat deel van de ontvangen gelden konden beschikken en dat deel dus niet tot de maatstaf van heffing behoort. Daarbij is, zo leid ik uit die arresten af, niet van belang of een individuele speler een individueel traceerbaar recht behoudt op dat deel van de betaling. In die zaken hadden de individuele spelers immers ook geen beschikkingsmacht meer over dat deel van hun deelnamegeld.
werkgeverhet pensioengeld niet voor iets anders dan pensioen gebruikt. Daaruit kan echter nog niets worden afgeleid betreffende de specifieke vraag of de kostendekkende premie (3.21) strikt gesegmenteerd wordt in die zin dat het deel dat is berekend voor de aangroei van pensioen ook niet kan worden gebruikt voor (bijvoorbeeld) dekking van de uitvoeringskosten voor zover deze niet uit de opslag kunnen worden bekostigd. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar art. 135 (oud) Pensioenwet, waarin staat dat de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden en waarbij in de memorie van toelichting is genoemd dat de aangehouden waarden “in de regel niet voor andere doeleinden [mogen] worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen”. [175] Dat is echter een algemeen
beleggingsvoorschrift, waaruit niet de door de belanghebbenden voorgestane strikte segmentatie van de
premiekan worden afgeleid. Tot slot wordt nog verwezen naar art. 116 (oud) Pensioenwet, waarin het verbod op nevenactiviteiten staat (“een pensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden”). Ook dat artikel zou mijns inziens niet in de weg staan aan aanvulling van de opslag uitvoeringskosten vanuit het deel dat bestemd is voor de aangroei van pensioen: het gaat immers nog steeds om activiteiten in verband met pensioen. Ik heb verder geen wettelijk voorschrift kunnen vinden waaruit de door de belanghebbenden voorgestane segmentatie met zoveel woorden volgt.
vrijstellingis voldaan dat sprake is van de voorafgaande betaling van een premie, twijfel ik er niet over dat de onderhavige uitkeringsovereenkomsten sterk het karakter van verzekering kennen. Daarbij past dat de gehele premie de vergoeding voor de pensioenprestatie vormt, omdat het de afnemer van de dienst erom gaat dat bij het intreden van een verzekerd risico de afgesproken uitkering kan worden gedaan. De wijze waarop opbouw en kosten uit de premie worden bekostigd is een kwestie van interne organisatie (vgl. 2.22) die mijns inziens – net als in het reguliere verzekeringsbedrijf – eigenlijk niet ter zake doet. In ieder geval is het volstrekt kunstmatig om de administratie en uitvoering af te splitsen van de beoogde dekking: het gaat om één dienst waarvoor de volledige premie de vergoeding vormt. Evengoed leidt de omstandigheid dat de belanghebbenden onderworpen zijn aan financiële regulering er nog niet toe dat zij niet beschikken over de gelden waarmee zij de door hen te verrichten diensten financieren.