ECLI:NL:PHR:2026:536

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
26/00669
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 WvggzArt. 5:9 WvggzArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zorgmachtiging bij medische verklaring via beeldbellen zonder fysiek onderzoek

In deze zaak staat centraal of een zorgmachtiging rechtsgeldig kan worden verleend op basis van een medische verklaring die is opgesteld zonder dat de betrokkene fysiek is onderzocht. Betrokkene weigerde expliciet een onderzoek in haar fysieke aanwezigheid, maar stemde in met een gesprek via beeldbellen. De rechtbank verleende de zorgmachtiging voor zes maanden, waarbij zij de medische verklaring en het zorgplan als voldoende onderbouwing achtte.

De advocaat van betrokkene heeft tijdens de zitting geen bezwaar gemaakt tegen het ontbreken van een fysiek onderzoek. De Procureur-Generaal concludeert dat de medische verklaring voldoet aan de wettelijke vereisten omdat de psychiater heeft gemotiveerd waarom een fysiek onderzoek niet mogelijk was en beeldbellen als passend alternatief diende. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter niet verplicht is om ambtshalve nader onderzoek te doen als de betrokkene of diens advocaat geen concrete klachten uiten over de medische verklaring.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de zorgmachtiging kan worden verleend op basis van de medische verklaring via beeldbellen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de geldigheid van de zorgmachtiging onder de gegeven omstandigheden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de geldigheid van de zorgmachtiging op basis van een medische verklaring via beeldbellen zonder fysiek onderzoek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00669
Zitting29 mei 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze Wvggz-zaak gaat over de problematiek van de medische verklaring die niet is opgesteld in de fysieke aanwezigheid van de betrokkene. In veel gevallen leidt dat ertoe dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging. Gelet op de feiten van deze zaak dient de uitkomst hier mijns inziens een andere te zijn. Betrokkene heeft een onderzoek in haar fysieke aanwezigheid expliciet geweigerd, zo blijkt uit de medische verklaring. Betrokkene ging wél akkoord met een gesprek via beeldbellen. Dat gesprek heeft ook plaatsgevonden.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie heeft betrokkene niet erover geklaagd dat zij niet in direct contact was onderzocht. Haar advocaat, die haar telefonisch bijstond, heeft evenmin betoogd dat aan de medische verklaring een gebrek kleefde. In die omstandigheden bestond er mijns inziens voor de rechtbank geen noodzaak om ambtshalve een overweging te wijden aan de omstandigheid dat de medische verklaring niet tot stand is gekomen op basis van een onderzoek in direct contact.
1.3
Gelet hierop zal ik concluderen tot verwerping van het beroep.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.2
Bij verzoekschrift van 10 oktober 2025 (met bijlagen) heeft de officier van justitie een verzoek ingediend bij de rechtbank Amsterdam om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden voor diverse vormen van verplichte zorg. [1]
2.3
Een van de bijlagen bij het verzoekschrift is de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater. [2] Onder ‘4. Psychiatrisch onderzoek van betrokkene’, rubriek ‘a. Datum en tijdstip van het onderzoek van betrokkene’ staat het volgende vermeld:
“Pt. wil perse geen live gesprek en niet naar de poli komen. Het onderzoek vindt daarom beeldbellend plaats waar zij mee akkoord is.”
2.4
Op 31 oktober 2025 zou een mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie plaatsvinden. De dag daarvoor heeft betrokkene de rechtbank gebeld met de mededeling dat zij een hersenschudding had en zij daarom om uitstel van de zitting verzocht. De raadsman heeft vervolgens een aanhouding verzocht van ten minste twee weken. De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd. [3]
2.5
Op 28 november 2025 [4] heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: betrokkene, een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, een verpleegkundig specialist, en een verpleegkundige. Hoewel de advocaat van betrokkene niet fysiek aanwezig kon zijn, wilde betrokkene absoluut dat de zitting door zou gaan. De advocaat heeft haar op de zitting wel telefonisch kunnen bijstaan, zo blijkt uit het proces-verbaal. Betrokkene heeft zelf onder andere naar voren gebracht dat zij een nieuw begin wil maken. Een zorgmachtiging (in plaats van het ambulante kader waar zij op dat moment inzat) zou volgens haar te vroeg komen.
2.6
De sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft op de zitting verklaard dat er een langzame maar duidelijke verslechtering plaatsvindt in de situatie van betrokkene en dat ondergewicht als gevolg van anorexia de psychotische klachten triggert. Over acuut ernstig nadeel heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige informatie aan de rechtbank verstrekt die – enigszins in telegramstijl – als volgt staat weergegeven in het proces-verbaal:

SPV: er is wel acuut ernstig nadeel; is in conflict gekomen met supermarktpersoneel zodat politie er bij moest. Ook lichamelijk letsel voor zichzelf. Gewicht in combinatie met psychose kan levensbedreigend zijn. BMI van 12. Als zij nu meer afvalt ook risico op ernstige lichamelijk schade.”
2.7
De opmerkingen van de advocaat zijn in het proces-verbaal als volgt samengevat:

Advocaat: insluiten en toezicht is al aan de orde gekomen. Beperken bezoek gaat er helemaal uit. Opname beperkt tot 3 maanden. Centraal staat dat betrokkene wil afbouwen en zich vrijwillig aan de behandeling wil onderwerpen. Wilsbekwaam verzet? Levensgevaar moet acuut zijn. Is hier niet. Begeleiders hebben gezegd dat de zorgmachtiging niet wordt aangevraagd voor het lage gewicht. Wordt niet voldaan aan de eisen van de HR. Ernstig psychische schade: nee. Ook niet gevaar voor anderen. Onafhankelijk psychiater heeft hier geen onderzoek naar gedaan. Daarom onderzoek wilsbekwaam verzet.
Ook is er sprake van een alternatief, volgt een yoga opleiding, wil zelf [met] klinisch psycholoog in zee.
Als wilsbekwaam niet gehonoreerd wordt, dan vrijwillig. Daarnaast zorgmodaliteiten niet toewijzen die bij de vorige zorgmachtiging niet zijn opgelegd.”
2.8
Bij beschikking van 28 november 2025 [5] heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor zes maanden, tot en met 28 mei 2026. De rechtbank oordeelt dat verplichte zorg nodig is en overweegt daartoe het volgende:
“3.8 De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van vocht en voeding voor de duur van 6 maanden, telkens voor maximaal 2 weken per toepassing;
- het toedienen van medicatie voor de duur van 6 maanden;
- het verrichten van medische controles voor de duur van 6 maanden;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening voor de duur van 6 maanden;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen voor de duur van 6 maanden.”
2.9
Vervolgens overweegt de rechtbank:
“3.9 Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- het beperken van de bewegingsvrijheid voor de duur van 6 maanden, telkens voor maximaal 3 maanden per toepassing;
- insluiten voor de duur van 6 maanden, telkens voor maximaal 1 week per toepassing;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene voor de duur van 6 maanden, telkens voor maximaal 1 week per toepassing;
- onderzoek aan kleding of lichaam voor de duur van 6 maanden;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen voor de duur van 6 maanden;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen voor de duur van 6 maanden;
- opnemen in een accommodatie voor de duur van 6 maanden, telkens voor
maximaal 3 maanden per toepassing.
De rechtbank zal de verplichte zorg in de vorm van het beperken op het recht tot ontvangen van bezoek niet toewijzen omdat de noodzaak daarvoor tijdens de mondelinge behandeling niet is gebleken.”
2.1
Namens betrokkene is – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Middelonderdeel 1klaagt dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in de artikelen 5:7 tot en met 5:9 Wvggz met betrekking tot de medische verklaring bepaalde. De rechtbank heeft namelijk de zorgmachtiging verleend, terwijl uit de medische verklaring blijkt dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld betrokkene niet in een direct contact persoonlijk heeft gesproken.
3.2
Het onderdeel bevat ook een motiveringsklacht. Uit de gedingstukken noch uit het ter zitting verhandelde blijkt dat er redenen waren waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk was om betrokkene in een direct contact, met name in haar fysieke aanwezigheid, te spreken en te observeren en om hiermee van het uitgangspunt bij het opstellen van de medische verklaring af te wijken. Hierdoor is de beslissing van de rechtbank om de zorgmachtiging te verlenen niet alleen rechtens onjuist, maar ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend. De toelichting verwijst daarbij naar rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit blijkt waaraan het onderzoek moet voldoen dat ten grondslag ligt aan de medische verklaring. [6]
3.3
In de toelichting op de klacht staat onder meer dat de eenvoudige mededeling van betrokkene dat zij niet bereid is tot een live gesprek, en dus niet in een direct fysiek contact met de psychiater wil spreken, voor de onafhankelijke psychiater kennelijk reden is geweest om ervan af te zien om betrokkene in haar fysieke aanwezigheid te onderzoeken, nu er in de medische verklaring voor het overige geen gewag van wordt gemaakt dat (andere) pogingen zijn ondernomen om betrokkene in haar fysieke aanwezigheid te onderzoeken. Door het nalaten nadere pogingen te ondernemen heeft het onderzoek beeld bellend plaatsgevonden. Dat volstond echter niet.
3.4
Verder wijst het middel erop dat de rechter, die wordt geroepen om te beslissen op een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging, ambtshalve de aan de medische verklaring te stellen (wettelijke) eisen dient te onderzoeken. [7]
3.5
Ik roep eerst de rechtspraak in herinnering over het uitvoeren van het medisch onderzoek, zoals weer te geven in de medische verklaring. Ik ga dus eerst in op de verplichtingen van
de onafhankelijke psychiater, zoals die volgen uit de Wvggz.
3.6
De onafhankelijke psychiater dient het wettelijk voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel ten aanzien van de betrokkene. [8]
3.7
Wanneer de betrokkene niet meewerkt aan het medisch onderzoek moet de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring deugdelijk motiveren waarom de betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid kon worden onderzocht. [9] De psychiater dient in zijn medische verklaring dus te verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was, voor welk alternatief hij heeft gekozen (bijvoorbeeld beeldbellen indien dat mogelijk is), en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank moet daarna beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring, ondanks het feit dat het onderzoek niet in direct contact heeft plaatsgevonden, kan worden verleend. [10]
3.8
Ik meen dat de medische verklaring in deze zaak aan de genoemde eisen voldoet. Enerzijds weigerde betrokkene mee te werken aan het medisch onderzoek in haar fysieke aanwezigheid. Zij wilde “
perse geen live gesprek” en niet naar de poli komen, aldus de medische verklaring onder 4a. Aangezien zij zich in ambulant kader bevond was er geen dwangmiddel om ervoor te zorgen dat zij op de voorgestelde afspraak voor een onderzoek in persoon zou verschijnen. Anderzijds was betrokkene akkoord met een gesprek via beeldbellen, wat naar het mij voorkomt het alternatief is dat het dichtst komt bij een onderzoek in direct contact. Beeldbellen stelde de psychiater in staat om betrokkene (toch) te observeren en met haar een (wederkerig) gesprek te voeren. Niets in de gedingstukken wijst erop dat betrokkene moeite zou hebben om zich bij beeldbellen goed te uiten. In zoverre kan dus ook niet worden gezegd dat zij zich daarbij in een kwetsbaarder positie bevond dan het geval zou zijn geweest bij een onderzoek in direct contact.
3.9
Uit het voorgaande valt af te leiden dat een onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was omdat zij dat weigerde, dat de onafhankelijke psychiater heeft gedaan wat hij redelijkerwijs kon doen om voldoende inzicht te verkrijgen in haar actuele gezondheidstoestand, en in het verlengde daarvan, de noodzaak en de reikwijdte van een zorgmachtiging te beoordelen. De onafhankelijke psychiater heeft een en ander (kort, maar) voldoende toegelicht in de medische verklaring.
3.1
Om de onderhavige zaak te situeren in de rechtspraak over het ontbreken van een in direct contact verricht medisch onderzoek wijs ik op volgende uitspraken van de Hoge Raad: [11]
a.
HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:665: met het oog op een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel diende op een zondag vroeg in de ochtend een medisch onderzoek plaats te vinden. Er was op dat moment van de week slechts één psychiater beschikbaar in de betrokken regio. Er werd gekozen voor beeldbellen want daarmee werd kostbare reistijd bespaard, wat mij op zichzelf een legitieme overweging lijkt. Die reden stond echter niet vermeld in de medische verklaring, maar werd op de zitting gegeven. Volgens de Hoge Raad betekende het feit dat sprake was van een crisissituatie en dat er zondag vroeg slechts één psychiater in de regio beschikbaar is nog niet dat het voor deze psychiater redelijkerwijs niet mogelijk was om betrokkene fysiek medisch te onderzoeken.
b.
HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460: ook in die zaak ging het om een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel en was het medisch onderzoek door de onafhankelijke psychiater verricht via beeldbellen. Uit de medische verklaring bleek dat voor beeldbellen was gekozen in verband met ‘de noodzaak snel te handelen’. Er bleek niet uit waarom die noodzaak meebracht dat het in die zaak redelijkerwijs niet mogelijk was betrokkene in een direct contact te onderzoeken. De medische verklaring bevatte geen toereikende toelichting waarom de betrokkene via beeldbellen was onderzocht.
c.
HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789: in die zaak was een crisismaatregel vastgesteld na een medisch onderzoek via beeldbellen. Beeldbellen was nodig geacht gelet op de kritieke situatie waarin betrokkene verkeerde, hoewel kennelijk 60 minuten later een face-to-face-beoordeling wel mogelijk was. In die omstandigheden was volgens de Hoge Raad niet vastgesteld dat het redelijkerwijs niet mogelijk was om de betrokkene in een direct contact te spreken en te observeren.
d.
HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075: die zaak betrof een zorgmachtiging en ging over de vraag of een medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene mogelijk was. De betrokkene had op twee achtereenvolgende dagen de deur niet open gedaan voor de psychiater. Er was wel met de buren van de betrokkene gesproken en die meenden hem te hebben gehoord. Volgens de Hoge Raad was dat een onvoldoende feitelijke basis om aan te nemen dat de betrokkene kennelijk weigerde om aan het medisch onderzoek mee te werken.
e.
HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:454: die zaak betrof een deelbeschikking waarbij voor korte tijd een zorgmachtiging was verleend op basis van een medische verklaring die een gebrek bevatte omdat de psychiater de betrokkene niet persoon had onderzocht en daartoe evenmin (voldoende) pogingen had gedaan. In lijn met mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:40) vernietigde de Hoge Raad de bestreden deelbeschikking.
f.
HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:509: in die zaak had de betrokkene geweigerd mee te werken aan een onderzoek van de onafhankelijke psychiater omdat deze naar zijn mening onvoldoende onafhankelijk zou zijn van de behandelaren. In mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:125) betoog ik dat het oordeel van de rechtbank dat uit de medische verklaring blijkt dat de onafhankelijke psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om betrokkene te onderzoeken, uitging van een juiste maatstaf en voldoende was gemotiveerd. [12] De Hoge Raad verwierp het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
g.
HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:583: in die zaak had de rechtbank besloten de mondelinge behandeling buiten de aanwezigheid van de betrokkene te doen plaatsvinden. De daartegen gericht klacht was gegrond omdat de rechtbank ten onrechte ervan was uitgegaan dat de betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De Hoge Raad kwam daarmee niet toe aan de klacht dat uit de bestreden beschikking niet bleek dat de rechtbank had onderzocht of een medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet mogelijk was. Ook ter zitting had de rechtbank daaraan geen aandacht besteed, terwijl blijkens het proces-verbaal de advocaat daar wel op had gewezen. Uit de conclusie van A-G Coenraad (ECLI:NL:PHR:2026:119, nrs. 3.34 e.v.) valt op te maken dat de betrokkene door de psychiater niet in persoon was onderzocht, hoewel meerdere pogingen waren ondernomen haar te spreken te krijgen. Ook als dergelijk gedrag kan wijzen op een weigering zich in persoon te laten onderzoeken, is meer nodig om te kunnen oordelen dat medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk is, aldus A-G Coenraad.
h.
HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:789: bij deelbeschikking was een zorgmachtiging vereend op basis van een medische verklaring die was opgesteld zonder dat de betrokkene was onderzocht omdat hij niet op de afspraak kwam opdagen en aangekondigd huisbezoek had afgezegd. In cassatie tegen de deelbeschikking werd geklaagd over de gebrekkigheid van de medische verklaring. De Hoge Raad heeft dat beroep (zaak 25/03779) verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. In mijn conclusie in die zaak (ECLI:NL:PHR:2026:234) heb ik betoogd dat het oordeel van de rechtbank dat een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was, in de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk was zodat de rechtbank de overgelegde medische verklaring tot uitgangspunt kon nemen voor het vaststellen van de deelbeschikking (nrs. 3.12-3.13). De behandeling van het verzoek werd aangehouden. Daarna heeft de onafhankelijke psychiater niet opnieuw getracht contact te leggen met de betrokkene. De rechtbank heeft in de eindbeschikking niet vastgesteld dat de onafhankelijke psychiater voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling opnieuw heeft getracht om met betrokkene in contact te komen en hem in persoon te onderzoeken. Om die reden werd de eindbeschikking vernietigd (zaak 25/04134).
3.11
Samenvattend stel ik vast dat de onderhavige zaak afwijkt van de zaken die ik zojuist kort heb samengevat:
1. Betrokkene heeft uitdrukkelijk geweigerd mee te werken aan een onderzoek in persoon (‘live’) en dat wordt in de medische verklaring expliciet vermeld. Op dat punt onderscheidt deze zaak zich van
allehiervoor genoemde zaken. Meer specifiek, en anders dan in de zaken
onder d, f, g en h, is het oordeel dat betrokkene heeft geweigerd om mee te werken aan een fysiek medisch onderzoek niet afgeleid uit gedragingen, zoals de deur niet open doen voor de onafhankelijke psychiater of het zich op een andere manier schuilhouden.
2. De onafhankelijke psychiater heeft voor beeldbellen gekozen als beste alternatief voor een onderzoek in persoon, omdat betrokkene daarmee instemde. Ook dat wordt in de medische verklaring vermeld. Anders dan in de zaken vermeld
onder a en b, is niet voor beeldbellen gekozen om redenen van praktische aard (zoals een gebrek aan tijd of mankracht), maar om op betrokkene toegespitste omstandigheden die maken dat een onderzoek in haar fysieke aanwezigheid redelijkerwijs niet mogelijk was.
3. Betrokkene
isonderzocht door de onafhankelijke psychiater. Deze heeft haar geobserveerd en met haar een (wederkerig) gesprek gevoerd. Op basis daarvan heeft de psychiater de actuele medische situatie van betrokkene kunnen beoordelen. Dat is een verschil met de zaken vermeld
onder d t/m h, waar de medische verklaring was gebaseerd op dossierstukken en niet tevens op een gesprek met de betrokkene.
4. Het verzoek van de officier van justitie is op één zitting behandeld en toen is tevens op dat verzoek beslist. Voor de vraag of de medische verklaring voldeed was hier dus slechts één peilmoment. Dat is een verschil met de zaak
onder h.
3.12
Gelet op het voorgaande meen ik dat de rechtbank niet gehouden was om aan het feit dat de medische verklaring niet in fysieke aanwezigheid van betrokkene was opgesteld, de conclusie te verbinden dat de medische verklaring niet voldeed aan de uit de wet voorvloeiende eisen en daarom niet rechtsgeldig kon worden verleend. [13] De onafhankelijke psychiater heeft in de medische verklaring verantwoord waarom in dit geval een onderzoek in direct contact niet mogelijk was en beeldbellen een passend alternatief vormde.
3.13
Dan resteert nog de meer procedurele vraag of, in omstandigheden als hier aan de orde,
de rechtbankgehouden was om in de bestreden beschikking kenbaar een oordeel te geven over de vraag of een onderzoek in direct contact met de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was (zie hiervoor, 3.4).
3.14
Uitgangspunt is dat de rechter dient te beoordelen, zo nodig ambtshalve, of aan de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging is voldaan. In dat kader dient de rechter, wanneer de betrokkene op zitting niet verschijnt, na te gaan en in zijn uitspraak op te nemen of de betrokkene is opgeroepen voor de zitting, of hij weigert zich te doen horen en, zo ja, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechter dient ook ambtshalve te onderzoeken, ongeacht of de betrokkene wel of niet op de zitting is verschenen, of de bijlagen bij het verzoek van de officier van justitie de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater bevatten. Daarbij dient de rechter na te gaan of uit de medische verklaring blijkt hoe de onafhankelijke psychiater het medisch onderzoek heeft verricht. De omstandigheid dat de verklaring is opgesteld op een andere wijze dan volgens het uitgangspunt van een onderzoek in persoon,
kaneen reden zijn voor de rechter om daar vragen over te stellen. Dat hoeft echter niet zo te zijn, met name als de medische verklaring daarover voldoende duidelijke informatie verschaft. In dat laatste geval kan de rechter beoordelen of de medische verklaring voldoet aan de wettelijke vereisten, zonder zelf (nader) onderzoek te hoeven doen. [14] Verder reikt de ambtshalve onderzoeks- en motiveringsplicht van de rechter mijns inziens niet, tenzij betrokkene concreet heeft betoogd dat de medische verklaring niet is opgesteld op basis van een onderzoek in direct contact terwijl dat wel had gemoeten. [15]
3.15
In de onderhavige zaak zijn noch betrokkene zelf noch haar telefonisch aanwezige advocaat op de zitting daarover begonnen. Er is ter zitting niet aangevoerd dat de medische verklaring gebrekkig zou zijn omdat geen onderzoek in direct contact heeft plaatsgevonden. Dat vaststaande gegeven, in combinatie met het feit dat de rechtbank blijkens rov. 3.8, de tweede volzin, acht heeft geslagen op de overgelegde medische verklaring, brengt mee dat de rechtbank aan haar onderzoeks- en motiveringsplicht heeft voldaan.
3.16
De in het middel aangehaalde rechtspraak leidt in mijn ogen niet tot een ander oordeel. HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460, heb ik hiervoor
onder bbesproken. In die zaak bevatte de medische verklaring geen toereikende toelichting waarom de psychiater de betrokkene via beeldbellen had onderzocht. In onze zaak daarentegen bevat de medische verklaring wél de reden waarom voor beeldbellen is gekozen. Ook HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226, leidt niet tot een andere beoordeling. Dat bij een crisismaatregel of een zorgmachtiging het grondrecht in het geding kan zijn dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald is uiteraard juist. In deze zaak echter voldoet de medische verklaring aan de wettelijke vereisten omdat wordt toegelicht waarom een onderzoek in persoon redelijkerwijs niet mogelijk is. Een specifiek daaraan gewijde overweging in de beschikking had daar redelijkerwijs niets aan toegevoegd.
3.17
Middelonderdeel 2bevat een voortbouwklacht voor het geval onderdeel 1 slaagt. Nu dat laatste niet het geval is, kan ook onderdeel 2 niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ten aanzien van betrokkene is eerder een zorgmachtiging verleend. Bij de gedingstukken zit een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2024 waarbij voor zes maanden een zorgmachtiging werd verleend. In die beschikking wordt onder meer overwogen dat
2.Het viel mij op dat bij de dagtekening van de verklaring (op p. 6 bovenaan) de datum van 30 september 2025 staat, terwijl onder 4a op p.1 als datum van het onderzoek via beeldbellen de datum van 1 oktober 2025 (11.15 uur) staat genoemd. Namens betrokkene is daarover noch tijdens de zitting noch in de procesinleiding geklaagd.
3.Zie het proces-verbaal van 31 oktober 2025, dat zich bij de gedingstukken bevindt.
4.De bestreden beschikking vermeldt in rov. 1.2 abusievelijk 31 oktober 2025. Zie ook het verzoekschrift tot cassatie, onder 2, de tweede alinea, waar 28 november 2025 als datum van de zitting wordt genoemd..
6.Verwezen wordt o.a. naar HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509,
7.Onder verwijzing naar HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:1460,
8.Zie voor de toepasselijke maatstaf: HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075, rov, 3.2, JGz 2024/73, m.nt. mr. G.J. Baken, onder verwijzing naar HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789,
9.Zie o.m. HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460,
10.Vgl. HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509,
11.Het hier gegeven overzicht pretendeert geen volledigheid.
12.ECLI:NL:PHR:2026:125,nrs. 3.8-3.9.
13.Vgl. o.a. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1809, rov. 3.6 en HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1546, rov. 3.1.2.
14.Zie in dit verband ook E. Plomp, Kroniek rechtspraak Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang, 2024, afl. 3, waarin zij op p. 244 onder meer schrijft (onder verwijzing naar HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460, rov. 3.3): “
15.Zie in de zaak