Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
In dit geval speelt daarbij een rol dat naar de huidige stand van de jurisprudentie de Curatoren niet op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers. Aan Curatoren kan worden toegegeven dat de arresten van de Hoge Raad ruimte laten voor de mogelijkheid dat zij voor een groep individuele schuldeisers mogen optreden op basis van lastgeving, als de opbrengsten van de procedure maar aan die schuldeisers toekomen en niet via de boedel worden verdeeld. De Curatoren hebben gewezen op de discussie die daarover in de rechtspraak en literatuur wordt gevoerd. Een inhoudelijke beslissing op dit punt hoort thuis in een procedure voor de gewone civiele rechter en kan niet worden beslecht in het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek.Wel is in deze discussie een procesrisico gelegen”[onderstreping rechtbank]
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt dus te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers niet tot de wettelijke taak van de curator hoort. Optreden voor een beperkte groep schuldeisers is wel wat de curatoren van plan zijn te doen. De schadevordering die de curatoren willen instellen is niet voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor 118 individuele schuldeisers.
Butterman q.q./Rabobankeen vordering ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht. Dat dit voor een last anders zou zijn dan voor een volmacht ligt niet erg voor de hand. Dit verschil doet niet af aan het uitgangspunt dat de Hoge Raad lijkt te hanteren (alleen gezamenlijke schuldeisers). Ook de omstandigheid dat de netto-opbrengst van de procedure bij de benadeelde schuldeisers komt en niet in de boedel valt, geeft geen lager procesrisico. De Hoge Raad heeft namelijk expliciet geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst “
niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid vordering als de onderhavige van de curator een vordering als de onderhavige in te stellen". Ook de laatste omstandigheid (er is voor deze schuldeisers geen andere manier om hun schade te verhalen) geeft geen ander oordeel. De curatoren hebben onvoldoende onderbouwd waarom de schade van de individuele schuldeisers te laag zou zijn om zelf een procedure te kunnen starten. Met een gestelde schade van € 2.407.675 ligt dat niet erg voor de hand. Rabobank heeft verder onweersproken aangevoerd dat 6 van de 118 schuldeisers substantiële vorderingen hebben. De curatoren hebben een uitgebreid onderzoek gedaan, waarvan deze schuldeisers zo nodig gebruik zouden kunnen maken in een procedure tegen Rabobank en/of [belanghebbende] . Ten slotte is door de curatoren nog verwezen naar literatuur en jurisprudentie van vóór de arresten van de Hoge Raad
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. Het had op de weg van de curatoren gelegen om toe te lichten waarom deze literatuur en jurisprudentie nog actueel is. De Hoge Raad heeft immers in
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankanders geoordeeld dan [in] de door de curatoren aangehaalde jurisprudentie en literatuur is gedaan.”
Peeters q.q./Gatzen, […] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobanklijkt te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers, anders dan optreden voor de gezamenlijke schuldeisers, niet tot de wettelijke taak van de curator behoort, de rechtbank miskent dat het in die arresten ging om een op art. 68 Fw Pro gestoelde bevoegdheid tot procederen, maar niet om een bevoegdheid die werd ontleend aan lastgevingsovereenkomsten. Het onderdeel vervolgt met de klacht dat de rechtbank met de overweging in rov. 4.14 dat in het arrest
Butterman q.q./Rabobankeen vordering werd ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht, heeft miskend dat die omstandigheid geen rol heeft gespeeld in het oordeel van de Hoge Raad, althans dat dit niet blijkt uit de beoordelingen van de klachten in dat arrest. De overweging van de rechtbank in rov. 4.14 dat in het arrest
Butterman q.q./Rabobankis geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst van de vordering niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator om een dergelijke vordering in te stellen, is volgens het onderdeel op zichzelf juist, maar dat is volgens het onderdeel het punt niet. In het arrest
Butterman q.q./Rabobankbestond een 'mismatch' tussen het beoogde doel van de opbrengst van de vordering (de gezamenlijke schuldeisers) en de partijen die volgens curator Butterman waren benadeeld (slechts een deel van de schuldeisers). De curatoren willen in deze zaak niet een dergelijke 'mismatch': de netto-opbrengst komt slechts ten goede aan de benadeelde schuldeisers die de last hebben verstrekt. De rechtbank heeft dus miskend dat de opbrengst van de vordering wel degelijk een rol kan spelen bij de vraag of de curatoren bij het voeren van de beoogde procedure binnen de grenzen van hun taak blijven.
[…] /Bannenberg q.q.aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot het beheer en vereffening van de failliete boedel. De opbrengst van een dergelijke vordering valt volgens dat arrest in de boedel en komt daarmee de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. [16]
Peeters/Gatzen-vordering – komt toe aan de gezamenlijke faillissementsschuldeisers, omdat zij is gegrond op de benadeling in hun verhaalsmogelijkheden als gevolg van het handelen van de gefailleerde en de derde. De vordering valt niet in de boedel, omdat zij niet toekwam aan de gefailleerde, maar omdat zij strekt tot herstel van de verhaalsmogelijkheden van de faillissementsschuldeisers, dat wil zeggen hun verhaalsmogelijkheden binnen het kader van het faillissement, valt de opbrengst van de vordering wel in de boedel, teneinde via de uitdelingslijst tot verdeling te komen. Om deze reden brengt de wettelijke opdracht aan de curator tot beheer en vereffening van de failliete boedel mee dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers deze vordering kan innen en dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen, aldus de nadere uitleg die in het arrest
Dekker q.q./Lutècewordt gegeven. [17]
[…] /Bannenberg q.q.had de curator Bannenberg een vordering ingesteld tegen de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap Installogic, in wier faillissement hij curator was, omdat deze jegens een beperkte groep schuldeisers onrechtmatig had gehandeld door in de periode na 31 juli 1998 tot de datum van het faillissement (2 september 1998) nieuwe contractuele verplichtingen te laten ontstaan, terwijl hij wist of diende te begrijpen dat de vennootschap niet in staat zou zijn om de daaruit voortvloeiende vorderingen te voldoen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden. [18] Het hof had deze vordering toegewezen. Dat oordeelde de Hoge Raad onjuist. Hij overwoog (de eerste zinnen van deze overwegingen zijn hiervoor in 3.6 al verkort weergegeven):
Butterman q.q./Rabobankging over een geval dat vergelijkbaar is met dat van het arrest
[…] /Bannenberg q.q.In het arrest
Butterman q.q./Rabobankging het om een bank die de schuldenaar in staat had gesteld gedurende een bepaalde periode de indruk te wekken solvabel te zijn, en welke bank aldus schade had veroorzaakt voor bepaalde schuldeisers. De curator had van een groot aantal van die schuldeisers een volmacht gekregen om hun individuele vorderingen wegens onrechtmatige daad op de bank te innen en het geïnde toe te voegen aan het boedelactief teneinde dit aan de gezamenlijke schuldeisers te doen toekomen. Dit een en ander rechtvaardigde volgens de Hoge Raad echter geen andere beslissing dan in de zaak
[…] /Bannenberg q.q.door hem is gegeven. Hij overwoog:
[…] /Bannenberg q.q.– eveneens van opvatting dat de klachten van onderdeel 6 niet konden slagen. Hij merkte daarover op (voetnoten weggelaten):
[…] /Bannenberg q.q.: de curator kan niet optreden voor individuele schuldeisers, ook niet met een volmacht (dat laatste zegt de Hoge Raad niet met zoveel woorden, maar dat hij dat mede bedoelt, volgt onmiskenbaar uit de context van zaak, oordeel hof en klacht). Waarom kan de curator dat niet? Het antwoord is simpel: omdat hij
uitsluitendkan optreden op grond van zijn wettelijke taak ex art. 68 lid 1 Fw Pro. Wat betreft de onrechtmatige daad-vorderingen wegens benadeling kan het dan alleen gaan om vorderingen wegens benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Een volmacht van een individuele schuldeiser brengt hierin allicht geen verandering (rov. 4.9 en 4.12 eerste zin). Een en ander maakt ook duidelijk waarom de Hoge Raad het niet relevant acht wat de bestemming is van de opbrengst van de vordering die voor individuele schuldeisers wordt ingesteld (rov. 4.12 tweede zin) – dat maakt immers niet uit –, en de Hoge Raad het evenmin relevant acht of de gezamenlijke schuldeisers al dan niet baat hebben bij het optreden voor individuele schuldeisers (
[…] /Bannenberg q.q.) – dat maakt immers evenmin uit.
Butterman q.q./Rabobanken
[…] /Bannenberg q.q.geen grote conclusies getrokken kunnen worden over de mogelijkheid voor de curator om krachtens een rechtshandeling in rechte op te treden voor schuldeisers met specifieke benadeling. De Hoge Raad heeft over een dergelijke situatie bij zijn weten nog niet geoordeeld. Volgens Van der Weijden behoort het krachtens lastgeving optreden voor individuele schuldeisers met specifieke benadeling naar geldend recht niet tot de kerntaak van de curator, maar is de vraag veeleer of het een (neven)werkzaamheid is die zover af staat of onverenigbaar is met die kerntaak en belangen dat die de curator categorisch moet worden ontzegd. Dat is volgens hem niet het geval, omdat een dergelijke benadeling wordt veroorzaakt door gebeurtenissen waar de curator uit hoofde van zijn kerntaak reeds onderzoek naar doet en over procedeert. Wel zal de curator die op die manier wenst op te treden zich moeten afvragen of dat niet conflicteert met het belang van gezamenlijke schuldeisers bij boedelmaximalisatie, waarbij als uitgangspunt geldt dat hij aan de belangen van de gezamenlijke schuldeisers voorrang moet geven. Ten aanzien van de kosten van het onderzoek, de kosten van de procedure en gevallen waarin de curator zowel voor de gezamenlijke als individuele schuldeisers opkomt, kunnen die potentiële conflicten gerelativeerd of zelfs weggenomen worden, volgens Van der Weijden.
Butterman q.q./Rabobank. Zie voor deze opvatting ook Van Zanten [24] en Oppedijk Van Veen en Wijnstekers in hun hiervoor in de voetnoten 4 en 5 genoemde noten onder de uitspraken van de rechter-commissaris en rechtbank in deze zaak. Al deze auteurs zijn het er ook over eens dat deze uitkomst al volgt uit de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.
Peters/Gatzen-vordering), hem specifieke bevoegdheden. Die bevoegdheden kan en mag hij uitsluitend voor de uitoefening van die taak gebruiken.
[…] /Bannenberg q.q.,en Van der Weijden noemen: op het eerste gezicht komt dat de boedel ten goede, door in elk geval een boedelbijdrage, en ook de individuele schuldeisers varen daar wel bij, omdat hun vorderingen bij de curator vaak in goede handen zullen zijn. Dit zijn ook de argumenten die in het cassatieverzoekschrift breed in de verf worden gezet, onder verwijzing naar de hiervoor al genoemde auteurs. De preciezen wijzen er echter m.i. terecht op dat er echt een wezenlijk probleem bestaat wat betreft tegenstrijdige belangen, van, kort gezegd, boedel en individuele schuldeisers. De rekkelijken erkennen dat probleem op zichzelf wel, maar denken dat het zich laat vermijden en stellen dat ook als voorwaarde voor toepassing van hun leer (zie hiervoor in 3.13). Dat het probleem zich in de praktijk laat vermijden, valt echter te betwijfelen. In het stadium dat de curator aanvangt met de belangenbehartiging voor individuele schuldeisers, zal hij veelal niet goed kunnen overzien of zich een belangenconflict voordoet of zal voordoen. Als dat conflict naderhand blijkt, zal het vaak te laat zijn, omdat de curator zich dan niet zomaar meer zal kunnen terugtrekken en daarnaast al het nodige op grond van zijn kennis zal hebben gedaan. Hij zal dan ook niet geneigd zijn zich terug te trekken. Bovendien bestaat met genoemde voorwaarde die de rekkelijken willen stellen (geen concrete tegenstrijdige belangen), geen heldere en in de praktijk makkelijk te hanteren maatstaf. De beoordeling of de individuele belangenbehartiging door de curator zich in een concreet geval verdraagt met de wettelijke taak van de curator, is daarmee immers niet eenvoudig al vooraf te beantwoorden, wat wel een eis van de praktijk is in dit verband.
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank– die geheel berusten op de verwijzing daarin naar de directe wettelijke samenhang tussen de wettelijk taak en wettelijke bevoegdheden van de curator – lijken me daarom, met de preciezen, ook gewoonweg zonder meer juist. Om hier te spreken van een ‘kerntaak’ van de curator, zoals de rekkelijken doen – wat suggereert dat er eventueel ook nog ‘neventaken’ zijn die de curator zou kunnen vervullen, waarvan de rekkelijken dan ook reppen (zie hiervoor in 3.13) – lijkt me niet juist. Het gaat hier immers uitsluitend om de vraag of een bepaalde activiteit wel of niet de taak is van de curator. Het optreden voor individuele schuldeisers is dat om genoemde redenen niet.
Peters/Gatzen-vordering en de actio pauliana – waaraan de
Peters/Gatzen-vordering sterk verwant is – namelijk om gaat is dat er voor de schuldeisers gezamenlijk minder actief is te verdelen. Dat slechts één schuldeiser daarvan uiteindelijk nadeel ondervindt, is daarbij niet relevant. [29]
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobanken waarvan ook sprake is deze zaak – leidt dus alleen tot benadeling van de gezamenlijke schuldeisers als er voldoende actief is dan wel de nieuwe vorderingen een hoge preferentie hebben als gevolg waarvan andere schuldeisers een lagere uitkering in het faillissement ontvangen. In deze zaak doet – en in de zaken van de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank(voor zover bij de Hoge Raad aan de orde) deed – zich dat niet voor. Daarom resteert dus alleen een eventuele vordering voor individuele schuldeisers. Een toename van actief om welke reden ook – waardoor een toename van het passief wel gevolgen heeft voor de gezamenlijke schuldeisers – zou echter tot een andere uitkomst leiden.
[…] / […]. Wel kan in dat geval volgens de Hoge Raad gelden dat de individuele schuldeisers moeten wachten met het vervolgen van hun vordering totdat op de vordering van de curator is beslist. Dat betekent dus dat de curator feitelijk voorrang krijgt. [34]
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankgegeven, zoals namens curatoren in de toelichting op het middel wordt betoogd? Dat lijkt me niet. Het voorgaande neemt immers niet weg – en brengt zelfs nog juist verder tot uitdrukking – dat een zeer helder en duidelijk onderscheid bestaat tussen de beide vorderingen, namelijk of wordt opgetreden voor de gezamenlijke schuldeisers – wat de taak is van de curator – of voor individuele schuldeisers – wat niet de taak is van de curator. Dat niet altijd op voorhand duidelijk is jegens wie in een concreet geval onrechtmatig is gehandeld, maakt dat niet anders. [35]
Dekker q.q./Lutèce,dat de curator met toestemming van de gezamenlijke schuldeisers een
Peeters/Gatzen-vordering kan overdragen aan een derde, gaat mank. Vaststaat immers juist dat het uitoefenen van een
Peeters/Gatzen-vordering tot de taak van de curator behoort.
waarschijnlijkbeslist. De daarmee door de rechtbank gegeven risico-inschatting speelt onmiskenbaar een doorslaggevende rol in de afweging die de rechtbank heeft gemaakt. Als het oordeel van de rechtbank over het geldende recht niet juist zou zijn – zoals de curatoren betogen –, dan sleept dat daarom zonder meer haar afweging als geheel mee. Het belang van de bestrijding van dat oordeel door de curatoren is daarmee gegeven.
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankvolgt echter onmiskenbaar dat er geen plaats voor een dergelijk optreden door de curatoren. Er is geen grond om van die arresten terug te komen.