ECLI:NL:RBDHA:2025:7744
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, betwist het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft eerder asiel aangevraagd in Griekenland en Kroatië, en stelt dat Griekenland verantwoordelijk is en dat de besluitvorming onzorgvuldig is.
De rechtbank oordeelt dat Kroatië terecht als verantwoordelijke lidstaat is aangemerkt, mede op basis van Eurodac-registraties. Het gebruik van een standaardvoornemen door verweerder wordt niet onzorgvuldig geacht omdat alle relevante overwegingen zijn opgenomen en eisers persoonlijke omstandigheden zijn meegewogen.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Kroatië, en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De psychische gesteldheid van eiser, zijn familiebanden in Nederland en de wijze van behandeling in Kroatië leiden niet tot een andere beoordeling.
Verweerder heeft terecht geen gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.