ECLI:NL:RBDHA:2026:18655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtVerdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het ongegrond. De minister heeft terecht het verzoek tot terugname aan Kroatië gedaan, dat dit verzoek heeft aanvaard. De rechtbank volgt eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin is vastgesteld dat Kroatië geen structurele tekortkomingen vertoont in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

Eiser heeft persoonlijke ervaringen aangevoerd over slechte behandeling in Kroatië, maar deze zijn onvoldoende om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro of indirect refoulement.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie dat binnen de Dublinprocedure niet kan worden getoetst aan indirect refoulement tenzij sprake is van systeemfouten, die hier niet zijn aangetoond. Het beroep wordt afgewezen en eiser mag worden overgedragen aan Kroatië zonder vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag mag worden overgedragen aan Kroatië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20081

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1] Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen [2] wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. [3]
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [4] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [5] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.
Beroepsgronden
6. Eiser geeft aan in beroep al hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht te herhalen. Eiser blijft van mening dat Kroatië zich niet houdt aan de richtlijnen. Eiser heeft toegelicht hoe hij in Kroatië door de politie is behandeld. Hieruit blijkt dat asielzoekers in Kroatië niet welkom zijn. Het is een doorreisland. Door zijn ervaringen in Kroatië en die in zijn land van herkomst voelde hij zich genoodzaakt elders bescherming te zoeken. Eiser stelt dat hij niet kan worden overgedragen aan Kroatië en dat deze overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Volgens hem zullen hem bij terugkeer de voorzieningen en basishulp worden onthouden. Eiser stelt dat sprake is van structurele tekortkomingen op het gebied van de asielprocedure en voorzieningen inclusief opvang. De minister had toepassing moeten geven aan artikel 17 eerste Pro lid van de Dublinverordening. Eiser wijst op AIDA-rapporten (updates 2023 en 2024) waaruit blijkt dat er in de jaren 2018 tot 2025 steeds maar vijf Soedanese asielzoekers waren. Sinds 2023 kreeg maar één Soedanese nationaal de Kroatische nationaliteit. Volgens eiser is sprake van structurele uitsluiting en moet in dit geval wel rekening worden gehouden met het verschil in beschermingsbeleid. Eiser vreest voor refoulement en het ontbreken van adequate bescherming. Volgens hem is sprake van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo. [6]

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling [7] heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [8] geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 [9] , 21 november 2025 [10] en 8 december 2025 [11] . In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië.
7.2.
Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [12] dan wel artikel 4 van Pro het Handvest [13] strijdige behandeling. Zijn verklaringen over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij aankomst in Kroatië (als asielzoeker) is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublin-claimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en daarmee garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Mocht eiser in Kroatië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg hierover bij de (hogere of rechterlijke) Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
7.3.
Voor zover verzoeker vreest voor indirect refoulement, verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest van het Hof [14] van 30 november 2023 [15] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [16] . Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Alleen als aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt en kan ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.
7.4.
De rechtbank overweegt ten slotte dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien om de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangevoerde omstandigheden ook al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag verwijzen naar zijn standpunt daarover. [17]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Dit verzoek staat geregistreerd onder kenmerk NL26.20082.
3.Zie artikel 84 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.
4.Verordening (EU) nr. 604/2013.
5.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
6.ECLI:EU:C:2019:218.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.ECLI:NL:RVS:2025:5901, waarbij de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6537) is bevestigd.
12.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
13.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
14.Europese Hof van Justitie.
15.ECLI:EU:C:2023:934.
17.Zie uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.