ECLI:NL:RBNHO:2026:2322

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11464068 CV EXPL 24-9010 en 11463715 CV EXPL 24-9007
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:162 BWArt. 6:233 BWArt. 6:265 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomsten en vernietiging oneerlijke bedingen door Dexia

In deze zaak stonden twee effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en twee afnemers centraal, waarbij Dexia via een tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk financieel advies had verstrekt. De afnemers leden schade door waardeverlies van aandelen en betaalden onterecht resterende termijnen en beëindigingskosten.

De rechtbank stelde vast dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, had geschonden en daardoor onrechtmatig had gehandeld. De afnemers hadden voldoende concreet gesteld dat de tussenpersoon persoonlijk advies gaf zonder vergunning, en Dexia had onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.

De rechtbank vernietigde de bedingen die Dexia aanspraak gaven op resterende termijnen en beëindigingskosten als oneerlijk en veroordeelde Dexia tot schadevergoeding van de door de afnemers geleden schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen van Dexia werden grotendeels afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd of aan Dexia opgelegd.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens de afnemers en moet schade vergoeden; oneerlijke bedingen over resterende termijnen en beëindigingskosten worden vernietigd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2026
in de gevoegde zaken met zaaknummer 11464068 CV EXPL 24-9010 van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
[gedaagde 1],
wonende te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
en
met zaaknummer 11463715 CV EXPL 24-9007 van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde 2],
wonende te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia, [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk: [gedaagden] genoemd.

1.Kern van de zaken

1.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leenden geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaalden met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleden schade helemaal moet vergoeden. Ook dient Dexia de onterecht in rekening gebrachte resterende termijnen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terug te betalen.

2.De procedures

2.1.
Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 11464068 CV EXPL 24-9010 blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 december 2025;
  • incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv Pro;
  • vonnis in het incident van 25 juni 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Dexia niet meer op laatst genoemde conclusie gereageerd.
2.2.
Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 11463715 CV EXPL 24-9007 blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 december 2025;
  • incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv Pro;
  • vonnis in het incident van 25 juni 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Dexia niet meer op laatst genoemde conclusie gereageerd.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[gedaagde 1] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
59180597
17-09-1999
Korting Kado
II.
56000704
21-10-1999
Profit Effect met maandbetaling
III.
56000733
21-10-1999
Profit Effect met maandbetaling
IV.
51302778
22-10-1999
Triple Effect met maandbetaling
3.2.
[gedaagde 2] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
V.
59181163
28-09-1999
Korting Kado
VI.
59182223
12-10-1999
Korting Kado
VII.
56000703
21-10-1999
Profit Effect
VIII.
56000732
21-10-1999
Profit Effect
IX.
56182563
28-12-2000
Profit Effect
3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
26-11-2003
- € 10.181,94
Nee met uitzondering van € 20,01 middels verrekening
II.
03-09-2003
-€ 18.207,76
Nee met uitzondering van € 249,97 middels verrekening
III.
03-09-2003
- € 18.308,25
Nee, met uitzondering van € 0,07 middels verrekening
IV.
21-10-2002
- € 7.204,36
Nee, met uitzondering van € 844,34 middels verrekening
V.
25-11-2003
- € 9.913,04
Nee met uitzondering van € 45,58 middels verrekening
VI.
25-11-2003
- € 11.742,22
Nee
VII.
03-09-2003
- € 18.308,25
Nee met uitzondering van € 1.250,40 middels verrekening
VIII.
03-09-2003
- € 18.308,25
Nee
IX.
12-09-2003
- € 9.794,46
Nee
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde 1]. op grond van de overeenkomsten I. tot en met IV. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 25.076,16 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde 1] € 3.769,26 aan dividenden ontvangen en € 6.330,41 aan fiscaal voordeel genoten.
3.5.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde 2] op grond van de overeenkomsten V. tot en met IX.. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 28.168,50 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde 2] € 4.815,70 aan dividenden ontvangen en € 4.497,84 aan fiscaal voordeel genoten.

4.De vorderingen en verweren

In conventie
4.1.
Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling:
[gedaagde 1] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.853,05, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter zake overeenkomst I. over € 3.392,98 vanaf 10 december 2003, ter zake overeenkomsten II. en III. over € 11.921,96 vanaf 17 september 2003 en ter zake overeenkomst IV. over € 1.557,11 vanaf 4 november 2002,
[gedaagde 2] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 21.392,76 te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake de overeenkomsten V. en VI. over € 7.1272,84 vanaf 9 december 2003, ter zake de overeenkomsten VII. en VIII. over € 10.955,10 vanaf 17 september 2003, ter zake overeenkomst IX. over € 3.264,82 vanaf 26 september 2003.
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot tussen haar en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten I. tot en met IV. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde 1] verschuldigd is,
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot tussen haar en [gedaagde 2] gesloten overeenkomsten V. tot en met IX. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde 2] verschuldigd is,
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal veroordelen in de proceskosten.
In reconventie
4.2.
[gedaagden] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [gedaagden] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagden] en/of toerekenbaar is tekort geschoten;
 te vernietigen het beding/de bedingen op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekeningen van de overeenkomsten I., II. III., en V. tot en met IX, en te verklaren voor recht dat [gedaagden] dit bedrag van in totaal € 86.626,51 niet verschuldigd is;
 Dexia zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagden] te voldoen al hetgeen zij aan Dexia ingevolge de litigieuze overeenkomsten heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling door [gedaagden] aan Dexia, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum, tot de dag der algehele voldoening;
In conventie en in reconventie
 Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5.5. De beoordeling in beide zaken

algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagden]
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagden] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie
5.4.
Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verschuldigd.
5.5.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagden] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt hij daarin niet gevolgd.
verjaring
5.6.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagden] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
ten aanzien van de overeenkomsten II., III.,. IV.,.VII. en VIII.
tussenpersoon
5.7.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [bedrijf], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als de partijen die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroepen. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.9.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“ [gedaagde 1] werd door [bedrijf] telefonisch benaderd. De adviseur van [bedrijf] vroeg of [gedaagde 1] interesse had in financieel advies over vermogensopbouw. [gedaagde 1] gaf aan interesse te hebben en de adviseur van [bedrijf] stelde voor om de financiële situatie van [gedaagden] door te nemen. [gedaagde 1] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het telefoongesprek heeft de adviseur, geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gedaagden] Zo is met de adviseur gesproken over het werk, het inkomen, het pensioen en de gezinssituatie van [gedaagden] Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [gedaagden] om vermogen op te bouwen als aanvulling op zijn pensioen. [gedaagden] maakte kenbaar aan de adviseur dat hij een aanvulling op zijn pensioen wenste, omdat hij nog maar weinig pensioen had opgebouwd vanwege zijn werk als zzp’er. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier dé geschikte producten voor wist.
De adviseur adviseerde [gedaagden] om vier Profit Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met maandbetalingen van NLG 500,- per overeenkomst. Tevens adviseur adviseerde [gedaagden] om één Triple Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met maandbetalingen van NLG 250,-. De hoogte van de maandbetalingen heeft de adviseur geadviseerd aan de hand van het inkomen van [gedaagden] en aan de hand van wat voor [gedaagden] voldoende inleg zou zijn om zijn gewenste pensioen te realiseren. De adviseur adviseerde [gedaagden] om twéé van de vier Profit Effect overeenkomsten op de naam van [gedaagde 2] af te sluiten en om de andere overeenkomsten op naam van [gedaagde 1] af te sluiten. Volgens de adviseur zou [gedaagden] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagden] zijn pensioen zou kunnen aanvullen.
De adviseur heeft [gedaagden] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [gedaagden] op deze risico’s gewezen was had hij de Profit Effect overeenkomsten en de Triple Effect overeenkomst nooit afgesloten.
[gedaagden] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [gedaagden] het advies van de adviseur opgevolgd. [gedaagden] heeft twéé Profit Effect overeenkomsten op naam van [gedaagde 1] afgesloten met maandbetalingen van NLG 499,80 en twéé Profit Effect overeenkomsten op naam van [gedaagde 2] afgesloten met maandbetalingen van NLG 499,80. Tevens heeft [gedaagden] één Triple Effect overeenkomst op naam van [gedaagde 1] afgesloten met maandbetalingen van NLG 250,78. De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomsten en de Triple Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.”
5.10.
[gedaagden] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van het aanvraagformulier van 6 oktober 1999 op naam van [gedaagde 1], waarop nummer ATP71 is ingevuld,
- een kopie van de overeenkomst van 21 oktober 1999 met contractnummer 56000704, voorzien van de tekst: “Adviseur ATP00071-[bedrijf]”,
- een kopie van de overeenkomst van 21 oktober 1999 met contractnummer 56000733, voorzien van de tekst: “Adviseur ATP00071-[bedrijf]”,
- een kopie van de overeenkomst van 22 oktober 1999 met contractnummer 51302778, voorzien van de tekst: “Adviseur ATP00071-[bedrijf]”,
- een kopie van de overeenkomst van 21 oktober 1999 met contractnummer 56000703, voorzien van de tekst: “Adviseur ATP00071- [bedrijf] ”,
- een kopie van de overeenkomst van 21 oktober 1999 met contractnummer 56000732, voorzien van de tekst: “Adviseur ATP00071- [bedrijf] ”,
- een kopie van een uittreksel van de KvK, waarin staat dat de tussenpersoon een
“advies en organisatieburo” was, met als beschrijving van de werkzaamheden:
‘Bemiddeling bij (…) leaseconstructies (…)’.
5.11.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 1] Mooij voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [4] Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
5.12.
[gedaagden] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. [5] Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2], actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de tussenpersoon zijn geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia5.13. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [gedaagden]5.14. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gehandeld door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagden] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagden] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.15.
De als gevolg hiervan door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagden], behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Nu Dexia de berekening van het fiscaal voordeel in de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie niet heeft betwist dient de tweede belastingschijn in aanmerking te worden genomen. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.16.
Ten aanzien van deze overeenkomsten behoeven de stellingen met betrekking tot de resterende termijnen geen bespreking meer.
ten aanzien van de overeenkomsten I., V., VI., en IX.
resterende termijnen
5.17.
De kantonrechter constateert dat Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij) in de overeenkomsten in de eindafrekeningen bedragen aan resterende termijnen in rekening heeft gebracht.
5.18.
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW Pro te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere Voorwaarden aanspraak worden gemaakt.
5.19.
De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW Pro, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht.
5.20.
Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomsten is geschied door Dexia of door [gedaagden]. Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn.
5.21.
Dit leidt tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomsten nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd.
5.22.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere Voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden.
5.23.
Uit het voorgaande volgt dat de post die ziet op de resterende termijnen in de eindafrekeningen van overeenkomsten I., V., VI. en IX. komen te vervallen.
5.24.
Ook ten aanzien van het beding op grond waarvan Dexia de beëindigingskosten in rekening heeft gebracht geldt dat sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen (vgl. gerechtshof Amsterdam 28 mei 2024; ECLI:NL:GHAMS:2024:1433 en 1432). De verschuldigde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is bij een geringe hoofdsom onevenredig hoog en kent bij grotere hoofdsommen geen maximum. Er is dus sprake van een oneerlijk beding, dat de kantonrechter hierbij ambtshalve vernietigt. Dit betekent dat de in verband met de overeenkomsten de bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in rekening gebrachte posten die zien op de beëindigingskosten komen te vervallen.
vorderingen Dexia
5.25.
Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia met betrekking tot de overeenkomsten II., III., IV., VII. en VIII. afgewezen. Ten aanzien van de overige overeenkomsten geldt dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is en dat voor het overige afgerekend dient te worden in die zin dat [gedaagde 1] of [gedaagde 2] 1/3 van de restschuld dragen van de betreffende overeenkomsten. Nu voor de kantonrechter niet duidelijk is hoe Dexia aan de door haar gevorderde bedragen is gekomen, wordt de vordering als na te melden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente die voor het overige niet is bestreden.
proceskosten
5.26.
Omdat [gedaagden] in reconventie inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagden] gevallen. Gelet op de uitkomst in conventie ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. De proceskosten van [gedaagden] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 288,00 (1 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 432,00.

6.Beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot overeenkomst I. niets meer aan [gedaagde 1] verschuldigd is en met betrekking tot de overeenkomsten V. VI. en IX. niets meer aan [gedaagde 2] verschuldigd is,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om 1/3 van de restschuld -voor zover nog niet voldaan - van overeenkomst I. te voldoen aan Dexia, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 december 2003,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om 1/3 van de restschuld - voor zover nog niet voldaan- van overeenkomst V.,VI. en IX. te voldoen aan Dexia, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2003 (overeenkomsten V.en VI.) en vanaf 26 september 2003 (overeenkomst IX) tot aan de dag der algehele voldoening,
6.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 1] Mooij heeft gehandeld door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [gedaagde 1] de schade te betalen ten aanzien van de overeenkomsten II. III. IV. en [gedaagde 2] te betalen de schade ten aanzien van de overeenkomsten VII. en VIII, alles vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.15.,
6.8.
vernietigt de bedingen op basis waarvan Dexia resterende termijnen op de eindafrekening van de overeenkomsten I., V. VI. en IX. in rekening heeft gebracht en bepaalt dat deze niet meer aan Dexia verschuldigd zijn;
6.9.
vernietigt de bedingen op basis waarvan Dexia de beëindigingskosten op de eindafrekeningen in rekening heeft gebracht;
6.10.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
in conventie en in reconventie
6.11.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.