ECLI:NL:RBLIM:2026:6372

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12117033 \ AZ VERZ 26-35
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:658 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:682 lid 1 BWArt. 7:686 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing pensioenschade en billijke vergoeding; toekenning transitievergoeding, onregelmatige opzegging en vakantiedagen

Werknemer was sinds 2007 in dienst bij werkgever als kwaliteitsmedewerker en werd per 1 januari 2026 ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Hij vorderde onder meer pensioenschade, billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen, transitievergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging, vakantiedagen en tolkvergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat het oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden onvoldoende was aangetoond, waardoor vorderingen op grond van artikel 7:682, 7:658, 7:686 en 7:611 BW werden afgewezen. De afstandsverklaring voor het aanvullende invaliditeitspensioen werd niet als rechtsgeldig beschouwd, waardoor werkgever onjuist handelde en de schadevergoeding van €223.629,75 werd toegewezen.

Verder werd vastgesteld dat werknemer recht heeft op betaling van niet-genoten vakantiedagen tot april 2024, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van drie maanden loon, en een aanvullende transitievergoeding gebaseerd op een hogere salarisgrondslag. De kosten van de tolk werden eveneens toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens ontbreken van bewijs van incassowerkzaamheden.

De proceskosten werden aan werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het reeds betaalde bedrag wordt in mindering gebracht.

Uitkomst: Vordering pensioenschade en billijke vergoeding afgewezen; toekenning transitievergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging, vakantiedagen en tolkvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12117033 \ AZ VERZ 26-35
Beschikking van 1 juli 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [adres] (Duitsland),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. N.T.C. Vuik,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de brief van mr. Vuik van 13 mei 2026 met aanvullende producties
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 1963, is sinds 4 september 2007 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is kwaliteitsmedewerker met een loon van € 4.068,66 bruto per maand.
2.2.
Op 28 november 2025 heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 januari 2026.
2.3.
[werkgever] heeft in januari 2026 een bedrag van € 25.810,33 netto aan [werknemer] betaald.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. om [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen:
i. onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie, het netto-equivalent van:
a) € 28.283,51 bruto aan transitievergoeding;
b) € 13.577,94 bruto wegens onregelmatige opzegging;
c) € 22.748,03 bruto aan vakantiedagen;
d) € 66.337,02 bruto aan pensioenschade;
e) € 223.629,75 bruto aan vergoeding wegens het niet hebben van ‘Aanvullend invaliditeitspensioen’;
f) € 631.713,65 bruto aan billijke vergoeding, althans aan vergoeding wegens werkgeversaansprakelijkheid, althans aan vergoeding op basis van artikel 7:686 BW Pro, althans aan vergoeding wegens door [werkgever] in strijd handelen met goed werkgeverschap;
ii. € 2.000,00 netto aan buitengerechtelijke kosten;
iii. de wettelijke verhoging van 50% over het onder i. (c ) verzochte;
iv. de wettelijke rente over het onder i. (b en c) verzochte vanaf 1 januari 2026;
v. de wettelijke rente over het onder i (a) verzochte vanaf 1 februari 2026;
vi. de wettelijke rente over het onder i. (d, e en f) en onder ii. en iii. verzochte vanaf de dag van deze beschikking;
II. althans zodanige beschikking te wijzen als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;
III. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
In zijn pleitnota heeft [werknemer] zijn verzoek vermeerderd met een bedrag van € 690,12 netto aan gemaakte tolkkosten.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
[werknemer] stelt een aantal vorderingen in die samenhangen met zijn beëindigd dienstverband bij [werkgever] . De kantonrechter zal die vorderingen hierna bespreken. Daarbij begint de kantonrechter met de hoogste vordering.
4.2.
[werknemer] stelt dat zijn gezondheidsklachten en daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid het gevolg zijn van zijn werk bij [werkgever] . In dat verband verzoekt hij om toekenning van een billijke vergoeding in de zin van artikel 7:682 lid 1 aanhef Pro en onder c BW. De vordering wordt ook ingesteld op grond van artikel 7:658 BW Pro, 7:686 BW en/of artikel 7:611 BW Pro. De kantonrechter onderzoekt eerst de stelling ingenomen over het oorzakelijk verband.
Oorzakelijk verband
4.3.
Kort gezegd komt het betoog aangaande het oorzakelijk verband hierop neer dat [werknemer] aandoeningen dan wel medische klachten heeft die passen bij de risico’s die bestaan bij het werk dat hij deed. Een medisch rapport dat deze conclusie draagt is niet overgelegd, evenmin zijn de medische stukken uit de behandelend sector overgelegd. Wel heeft [werknemer] stukken van het UWV dan wel de bedrijfsarts overgelegd.
Uit die stukken volgt dat [werknemer] in april 2022 is uitgevallen met beperkingen die bestaan uit “lang staan, lopen, knielen/hurken, tillen, sjouwen, duwen, trekken, buigen en autorijden.” Deze benoemde beperkingen sluiten aan bij de “kenmerkende functiebelasting” bestaande uit “dynamisch handelen en statische houdingen: tillen, dragen, duwen, trekken, staan.” [1] Bij de bedrijfsarts zijn de klachten (telkens) vervolgens gekwalificeerd als niet werkgerelateerd. [2] Niet in alle verslagen is de vraag naar de werkgerelateerdheid van de klachten aangevinkt, maar nimmer is aangevinkt dat ze wél werkgerelateerd zijn. Conclusie is dat in de consulten van de bedrijfsarts geen verdere aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en de klachten gevonden wordt dan de overeenkomst tussen die klachten/beperkingen en de kenmerkende functiebelasting.
Bredere medische informatie kan worden afgeleid uit de brief van de arbodienst van 30 september 2025 [3] . Hieruit volgt dat de uitval in april 2022 volgde op een medische ingreep aan de (meniscus van de) linkerknie van [werknemer] in maart 2022. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de uitval niet het gevolg van de klachten/beperkingen was die opgenomen zijn in de verslagen van de bedrijfsartsconsulten maar eerder dat die beperkingen het gevolg zijn van de ingreep in maart 2022. Dat die ingreep nodig was in verband met klachten die het gevolg waren van de omstandigheden op het werk is niet gesteld en/of onderbouwd. Evenmin is gesteld en/of onderbouwd dat het voortduren van die klachten/beperkingen het gevolg was van de omstandigheden op het werk. Uit deze bredere medische informatie kan derhalve geen verdere aanwijzing voor het oorzakelijk verband worden gevonden.
4.4.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het oorzakelijk verband tussen het werk of de werkomstandigheden en de klachten/beperkingen door [werknemer] in onvoldoende mate is aangetoond. Hoewel de klachten en beperkingen passen bij klachten die het gevolg kúnnen zijn van het werk volgt uit de overgelegde (medische) informatie niet dat dit verband er in dit geval ook is. Daarvoor had het op de weg van [werknemer] gelegen om nadere te specificeren dát en op welke wijze de uitval vanwege de meniscusingreep in 2022 gerelateerd was aan de werkomstandigheden of dit verband op een andere wijze nader te adstrueren. Nu [werknemer] dit heeft nagelaten kan dit oorzakelijk verband niet worden aangenomen en kan ook geen begin van bewijs daarvan worden gevonden in hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht.
Leidt dit tot een afwijzing van de vorderingen die hierop gebaseerd zijn?
7:682 BW, 7:658 BW, 7:686 BW en/of artikel 7:611 BW Pro
7:682 BW
4.5.
Het dienstverband met [werknemer] is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [werknemer] verzoekt een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op grond van art. 7:682 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. De kantonrechter kan op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is
opgezegd met de toestemming, bedoeld in artikel 671a:
(...)
c. aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien de opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 669lid 3, onderdeel b, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.”
Toepassing van art. 7:682 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW, veronderstelt dus (i) dat sprake is van een geldige opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Bovendien moet (ii) het UWV toestemming hebben verleend voor de opzegging (op grond van art. 7:671a lid 1 BW). Ten slotte (iii) moet de opzegging het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
4.6.
In de memorie van toelichting op deze bepaling [4] is overwogen:
“ (...)Het eerste lid, onderdeel c, regelt dat de rechter, als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever waardoor de werknemer langdurig ziek is geworden, aan de werknemer op diens verzoek in plaats van herstel een billijke vergoeding
kan toekennen.”
Uit deze passage lijkt te volgen dat het voor toepassing van de bepaling is vereist dat de werknemer langdurig ziek is geworden
als gevolg vanernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dit is echter niet het geval, zo blijkt uit de memorie van antwoord. [5] Daarin valt namelijk te lezen:
“Hierbij zij overigens opgemerkt dat voor wat betreft artikel 7:682, eerste lid, onderdeel c, BW in de memorie van toelichting (pagina 118) abusievelijk is aangegeven dat er (alleen) sprake zou zijn van de mogelijkheid om een dergelijke billijke vergoeding toe te kennen als ook de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat oorzakelijk verband is op grond van de wettekst echter niet noodzakelijk. Op grond van de wettekst kan een rechter op verzoek van de werknemer een
billijke vergoeding toekennen als de opzegging vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd.
Daarbij hoeft de werknemer dus, in weerwil van hetgeen in de memorie van toelichting staat, niet tevens aan te tonen hij arbeidsongeschiktheid is geworden door dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. (...)”.
4.7.
Er hoeft dus geen oorzakelijk verband te bestaan tussen de langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het gaat erom of
de opzeggingwegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In het algemene gedeelte van de memorie van toelichting [6] is het volgende te lezen over ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever, als grondslag voor een billijke vergoeding:
“(…)
Ter verdere verduidelijking wordt hierbij een aantal voorbeelden van situaties gegeven waaraan wordt gedacht voor het toekennen van de additionele billijke vergoeding:
(…)
– als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;
(…)
– de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen)
als gevolg[onderstreping door kantonrechter] van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.”
4.8.
Een en ander leidt tot de volgende overweging. Een oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is voor de vordering zoals ingesteld niet noodzakelijk. Wel noodzakelijk is dat er een oorzakelijk verband zit tussen de opzegging (wegens langdurige arbeidsongeschiktheid) en het ernstig verwijtbaar handelen. [werknemer] heeft in dit verband niet dan wel niet voldoende onderbouwd gesteld dat [werkgever] haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen op een wijze die ernstige verwijtbaarheid met zich meebrengen. Het ernstig verwijtbaar handelen is naar de visie van [werknemer] gelegen in het niet op orde hebben van de arbeidsomstandigheden. Om echter te komen tot een verband tussen dit gestelde niet op orde hebben en de opzegging moet komen vast te staan dat de langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het gestelde niet op orde hebben van de arbeidsomstandigheden. In dit concrete geval komt dit erop neer dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de arbeidsomstandigheden.
De vordering gebaseerd op 7:682 BW strandt derhalve in dit geval op het hiervoor besproken ontbreken van het oorzakelijk verband.
7:658 BW
4.9.
[werknemer] houdt [werkgever] op grond van artikel 7:658 BW Pro aansprakelijk voor de schade ten gevolge van zijn medische klachten/beperkingen.
4.10.
In artikel 7:658 lid 1 BW Pro is de op een werkgever rustende zorgplicht opgenomen. Daarin wordt de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid laat verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Voormeld wetsartikel houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW Pro beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.11.
Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro geldt voor wat betreft de stelplicht en bewijslastverdeling dat de werknemer allereerst dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij
in de uitoefening van zijn functieschade heeft geleden. Uit hetgeen hiervoor omtrent het oorzakelijk verband is overwogen volgt dat ook de vordering gebaseerd op 7:658 BW strandt.
4.12.
Is dit anders indien beoordeeld zou moeten worden dat [werknemer] impliciet een beroep zou doen op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel? De ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ is door de Hoge Raad in het leven geroepen in een zaak die ging over de blootstelling aan gevaarlijke stoffen [7] . De Hoge Raad bepaalde dat het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen als de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is volgens de Hoge Raad nodig dat de werknemer niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid,
maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.In latere zaken is de regel door de Hoge Raad genuanceerd in die zin dat voor het vermoeden van causaal verband geen plaats is als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onbepaald is.
4.13.
De kantonrechter is van oordeel dat -onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder oorzakelijk verband is overwogen- in dit geval [werknemer] onvoldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de gezondheidsklachten waaraan hij leidt het gevolg kunnen zijn van de arbeidsomstandigheden, daargelaten de vraag of voldoende onderbouwd gesteld is dat de werkomstandigheden waren zoals door hem geschetst.
De vordering op grond van 7:658 BW strandt daarom eveneens.
7:611 BW en 7:686 BW
4.14.
Vorenstaande leidt eveneens tot de conclusie dat de vordering op grond van 7:611 BW en 7:686 strandt.
Al het vorenstaande leidt ook tot een afwijzing van de door [werknemer] gevorderde pensioenschade en onregelmatige opzegging.
De aanvullende verzekering.
4.15.
Een volgend geschilpunt tussen partijen is de omstandigheid dat er geen aanvullende invaliditeitspensioen voor hem bestaat. [werkgever] beroept zich in dit verband op een afspraak met [werknemer] inhoudende dat hij uitdrukkelijk afstand hiervan heeft gedaan. Deze afspraak is vastgelegd in een brief gedateerd 19 september 2007 welke is ondertekend door [werknemer] en waarin staat: “Overeenkomstig onze afspraak wensen wij niet deel te nemen aan de wia-bodem en wga-hiaatverzekering.” [8]
4.16.
Aan de orde is de vraag of de afstandsverklaring hier voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Werknemers kunnen afstand doen van rechten. Voor afstand van recht zal een duidelijke, ondubbelzinnige verklaring nodig zijn die bij voorkeur schriftelijk wordt vastgelegd.
Daarnaast kan er alleen afstand gedaan worden van rechten waarvan bekend is dat ze bestaan. De vraag daarbij is dus hoe er informatie is verstrekt over deze verzekeringen en de gevolgen die het doen van afstand zou hebben. [werknemer] betwist dat aan hem informatie is verstrekt. [werkgever] heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat er adequaat informatie is verstrekt. [werkgever] stelt hieromtrent dat informatie tijdens een algemene medewerkersbijeenkomst zou zijn verstrekt. Welke informatie dit was en of [werknemer] daarbij aanwezig was is niet gesteld of gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat bij verstrekken van die informatie rekening is gehouden met de omstandigheid dat [werknemer] duitstalig is en de Nederlandse taal beperkt machtig is. Dit klemt ook nu de afstandsverklaring zelf -enkel- in de Nederlandse taal is geformuleerd.
Daar komt bij dat -gelet op de datum van de overgelegde verklaring en de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst- het ook niet zonder meer aannemelijk is dát hij bij een algemene medewerkersbijeenkomst aanwezig is geweest voorafgaand aan het tekenen van de verklaring.
4.17.
Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is onvoldoende gebleken van wilsovereenstemming tussen partijen over de door [werkgever] overgelegde afstandsverklaring. Nu [werknemer] niet aan de afstandsverklaring gehouden kan worden is door [werkgever] onjuist gehandeld door voor hem geen vrijwillige verzekering als hier bedoeld tot stand te brengen. [werkgever] heeft daarbij niet gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mocht worden en [werknemer] lijdt hierdoor schade. Die schade is, door [werknemer] onderbouwd en inhoudelijk niet betwist door [werkgever] , te begroten op het bedrag dat [werknemer] aan (aanvullende) uitkering zou hebben ontvangen. Door [werkgever] is het (gekapitaliseerde) bedrag van die schade (€ 223.629,75) zowel wat betreft hoogte als wijze van berekening niet betwist zodat de kantonrechter dit bedrag zal toewijzen.
Vordering in verband met vakantiedagen
4.18.
Het debat tussen partijen is hier de vraag of de vakantiedagenopbouw doorloopt tijdens arbeidsongeschiktheid.
4.19.
Over de eerste 104 weken bestaat geen juridisch relevante discussie. Een zieke werknemer bouwt volledig vakantie op, ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid en ongeacht of hij re-integratiewerkzaamheden verricht. Na 104 weken stopt in principe de loondoorbetalingsplicht, tenzij het UWV een loonsanctie oplegt. De wetgever ging er niet van uit dat werknemers na 104 weken nog vakantie zouden opbouwen. Allereerst vanwege de koppeling van vakantieopbouw aan het loon, dat na 104 weken niet meer verschuldigd is. Of een werknemer na de 104 weken, met een slapend dienstverband, vakantie opbouwt, is onderwerp van discussie. De rechtspraak is hier verdeeld over. Tegenover de door [werknemer] geciteerde uitspraak [9] staat recentere rechtspraak waarin beslist is dat er in die periode geen opbouw meer plaatsvindt. [10]
De kantonrechter zal de lijn volgen zoals uitgezet in de jurisprudentie opgenomen onder vorige noot. Dat er hierover prejudiciële vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad [11] maakt niet dat dit anders beoordeeld moet worden, te meer nu in het debat door [werknemer] geen zichtbaar onderscheid is gemaakt tussen de wettelijke vakantiedagen (waarop de Europeesrechtelijke rechtspraak ziet) en de bovenwettelijke dagen (waarbij dat regime niet zonder meer zou toegepast worden).
4.20.
Dat betekent dat de vordering die ziet op opgebouwde vakantiedagen na 104 weken dient te worden afgewezen. [werknemer] heeft wel nog recht op betaling van vakantie-uren tot en met april 2024. Hij stelt zelf dat het om 444,25 uren gaat. [werkgever] erkent een tegoed van 391,75 uren te hebben uitbetaald. Dit is door [werkgever] niet aangetoond, maar [werknemer] heeft dit ook niet betwist. In elk geval geldt wel dat in rechte wordt uitgegaan van een tegoed van 444,25 overeenkomstig het overzicht van [werkgever] . [12] Daarom zal een bedrag van € 12.212,43 bruto worden toegewezen. (444,25 x € 27,49 bruto). Over dit bedrag is [werkgever] de wettelijke verhoging verschuldigd en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026. Indien [werkgever] aantoont dat een bedrag dat overeenkomt met 391,75 uren is uitbetaald, dan strekt dit bedrag in mindering op de hierna op te nemen veroordeling.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.21.
In artikel 7:672 lid 11 BW Pro is bepaald dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
4.22.
De arbeidsovereenkomst heeft langer dan 15 jaar geduurd. Dit houdt in dat een opzegtermijn van 4 maanden geldt. [13] [werkgever] heeft bij brief van 28 november 2025 opgezegd. Aangezien opzegging tegen het einde van de maand mogelijk is, had het dienstverband eerst tegen 31 maart 2026 opgezegd kunnen worden. Hierop strekken 28 dagen van de uwv-procedure in mindering, hetgeen resulteert in 3 maart 2026. Omdat er alleen tegen het einde van de maand kan worden opgezegd, kon [werkgever] niet eerder dan tegen 31 maart 2026 opzeggen. Zij heeft opgezegd met ingang van 1 januari 2026 en dat is dus onjuist. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding overeenkomend met het loon over drie maanden. Overeenkomstig het karakter van de wettelijke schadeloosstelling is er voor de berekening van die schadeloosstelling enkel van het belang het loon, zoals vastgesteld bij of krachtens de overeenkomst ‘zoals deze ten tijde van de beëindiging der arbeidsovereenkomst gold’, onverschillig of op uitbetaling van dat loon daadwerkelijk aanspraak bestond en onafhankelijk van de geleden schade. [14]
4.23.
Het loon bedroeg ten tijde van de uitdiensttreding € 4.068,66 bruto per maand. Dit bedrag geldt als uitgangspunt voor de berekening van de vergoeding. Dat dit per 1 maart 2026 verhoogd zou gaan worden met 3% is niet van belang, omdat uit moet worden gegaan van het brutoloon per datum van de opzegging. Aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt daarom een bedrag van € 13.182,46 (3 x € 4.068,66 x 8% vakantietoeslag). Over het toe te wijzen bedrag is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 januari 2026.
Transitievergoeding
4.24.
Dan resteert de vordering die ziet op de transitievergoeding. Door [werkgever] is onbetwist gesteld dat inmiddels € 24.696,88 bruto is voldaan en stelt zich op het standpunt dat nog voldaan zou moeten worden € 211,57 bruto. [werknemer] vordert € 28.283,51 bruto op basis van een hoger salaris en een andere einddatum.
4.25.
Op grond van de beschikking van de Hoge Raad van 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, gelet op de algemene bewoordingen en r.o. 3.4, geldt dat ook indien de werkgever de opzegtermijn ten onrechte niet in acht heeft genomen, de hoogte van de transitievergoeding wel moet worden bepaald met inachtneming van die opzegtermijn of, in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds ten onrechte wordt beëindigd, tot datum waarop die arbeidsovereenkomst eerst rechtsgeldig had kunnen eindigen. In de woorden van de Hoge Raad: "Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd."
4.26.
Dit houdt in dat de transitievergoeding moet worden berekend over de periode van de indiensttreding op 3 juli 2007 tot aan 1 april 2025. Anders dan bij de berekening van de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging geldt het salaris dat [werknemer] zou hebben genoten op 1 april 2026 als uitgangspunt. Dit is een bedrag van € 4.190,72, want het salaris van € 4.068,66 is immers per 1 maart 2026 verhoogd met 3%. Dit leidt tot een brutobedrag van € 28.283,51. [werkgever] heeft een brutobedrag van € 24.696,88 betaald, zodat zij nog € 3.586,63 bruto moet betalen. Over dit bedrag is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 februari 2026.
Kosten van de tolk
4.27.
[werknemer] heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek vermeerderd met de kosten van de tolk ad € 690,12. [werkgever] heeft dit vermeerderde verzoek niet betwist, zodat dit kan worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.28.
[werknemer] vordert betaling van € 2.000,00 aan buitengerechtelijke kosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen
De proceskosten
4.29.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 2.051,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), pus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
1. onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie, het netto-equivalent van:
a) € 3.586,63 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van betaling,
b) € 13.182,46 bruto wegens onregelmatige opzegging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van betaling,
c) € 12.212,43 bruto aan niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026,
d) € 223.629,75 bruto aan vergoeding wegens het niet hebben van ‘Aanvullend invaliditeitspensioen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag betaling,
2. € 690,12 € 690,12 aan kosten van de tolk,
5.2.
bepaalt dat op vorenstaande veroordelingen het door [werkgever] betaalde bedrag van € 25.810,33 netto in mindering strekt,
5.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 2.051,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [15] ,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Geciteerd uit productie 8 bij het verzoekschrift, de probleemanalyse van 11 april 2022
2.Consult bedrijfsarts 9 mei 2022 (productie 9 bij verzoekschrift), consult bij praktijkondersteuner bedrijfsarts 11 augustus 2022, consult bedrijfsarts 26 september 2022, 15 november 2022 en 19 december 2022 (telkens productie 10 bij verzoekschrift), consult bedrijfsarts 6 februari 2023 (productie 11 bij verzoekschrift).
3.Een afschrift van de informatie die door de arbodienst is ingediend bij het UWV voor de WIA-beoordeling (productie 21 bij het verzoekschrift).
4.Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 118 (MvT).
5.Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, C (MvA), p. 113.
6.Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 34.
8.Productie 36 bij het verzoekschrift.
10.rb. Noord-Nederland (ktr. Groningen) 30 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5517; rechtbank rotterdam (ktr. Dordrecht) 5 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1215; rb. rotterdam (ktr.) 24 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1852; rb. Midden-Nederland (ktr. Utrecht) 18 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:688 en rb. Limburg (ktr. roermond), ECLI:NL:RBLIM:2026:2375.
11.rb. rotterdam (ktr.) 2 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2021 en rb. rotterdam (ktr.) 17 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2603.
12.Productie 29 bij verzoekschrift
13.Artikel 7:672 lid 2 BW Pro
14.HR 21 oktober 1983, NJ1984/22 en HR 20 juni 1995, NJ 1996/52). Dat bij een juiste opzegging geen loon over die opzeggingstermijn verschuldigd zou zijn geweest doet hieraan niet af.
15.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.