ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing over terugwerkende kracht bijstandsverlening na verblijfsvergunning
Appellant heeft zich in 2008 gemeld voor bijstand na ontvangst van een verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling. Het college verleende bijstand met ingang van 1 juli 2008, maar weigerde terugwerkende kracht toe te kennen tot de datum van de verblijfsvergunning of eerdere melding. Appellant stelde dat hij recht had op bijstand vanaf 15 juni 2007 of in ieder geval vanaf 22 mei 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit correct was verzonden, waardoor de beroepstermijn later begon te lopen en het beroep tijdig was ingediend.
De Raad beoordeelde vervolgens inhoudelijk het geschil en concludeerde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend. De Raad bevestigde dat bijstand in beginsel niet wordt verleend voor de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij niet in zijn noodzakelijke kosten had voorzien of dat derden een concrete schuld hadden gedragen.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit van het college en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant. De zaak werd niet terugverwezen naar de rechtbank maar door de Raad zelf afgedaan.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.