Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:597

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
23/2599 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 7:15 AwbArt. 9 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt maatregel verlaging bijstand wegens verkoop woning niet onder marktwaarde

Appellant verkocht zijn woning onderhands voor €241.000,- en bleef er wonen als huurder om een executieverkoop en dakloosheid te voorkomen vanwege zijn kwetsbare gezondheid en de coronapandemie. Het dagelijks bestuur legde een maatregel op wegens vermeend tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat de woning te laag zou zijn verkocht. De Raad oordeelt dat appellant niet verplicht kon worden de woning leeg en vrij van huur te verkopen zonder zicht op een andere woning.

Het taxatierapport van november 2019 toonde een marktwaarde van €275.000,- vrij van huur en €167.000,- verhuurd, met een vermoedelijke verkoopopbrengst van €250.000,- bij onderhandse verkoop onder de voorwaarde van leeg opleveren. De verkoopprijs van €241.000,- was gelet hierop niet te laag. De Raad vernietigt daarom de besluiten die de bijstand en individuele inkomenstoeslag verlaagden en bepaalt dat appellant recht heeft op volledige bijstand en toeslag.

Verder oordeelt de Raad dat appellant geen procesbelang heeft bij een eerdere ingangsdatum van de ontheffing van arbeidsverplichtingen, omdat het dagelijks bestuur toezegde geen maatregel op te leggen over de periode tot 21 juni 2021. De Raad kent appellant een schadevergoeding van €1.000,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de eerste twee zaken en veroordeelt het dagelijks bestuur en de Staat in proceskosten.

Uitkomst: De Raad vernietigt de maatregelverlagingen bijstand en toeslag wegens verkoop woning niet onder marktwaarde en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

23/2599 PW, 23/2600 PW, 23/2601 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2599 PW, 23/2600 PW, 23/2601 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juli 2023, 21/6007, 21/6187 en 22/41 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek
(dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 28 april 2026
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Deze uitspraak heeft betrekking op drie zaken. In de eerste twee zaken gaat het om een opgelegde maatregel. Volgens het dagelijks bestuur heeft appellant een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan betoond door zijn woning voor een te laag bedrag te verkopen met als gevolg dat hij eerder dan nodig een beroep op de bijstand heeft moeten doen. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad geeft hem daarin gelijk.
In de derde zaak gaat het om de vraag of het dagelijks bestuur appellant vanaf de datum van bijstandsverlening had moeten ontheffen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De Raad oordeelt dat appellant geen belang heeft bij een beantwoording van die vraag.
Appellant krijgt verder een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de eerste twee zaken, die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. In de derde zaak is de redelijke termijn niet overschreden, waarbij van belang is dat het dagelijks bestuur in het verweerschrift in beroep de toezegging heeft gedaan dat geen maatregel zal worden opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft desgevraagd een nader stuk overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.J.P. van der Zalm.
Op de zitting heeft appellant in alle zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 mei 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant was eigenaar van een woning in [woonplaats] (woning). Deze woning heeft appellant op 11 december 2020 voor een bedrag van € 241.000,- onderhands verkocht aan een lokale investeerder, van wie hij de woning vanaf dat moment huurt. Dit heeft appellant gedaan in verband met een dreigende executieverkoop van de woning en om te voorkomen dat hij met zijn kwetsbare gezondheid tijdens de coronapandemie dakloos zou worden. In reactie daarop heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 11 december 2020 ingetrokken omdat appellant door de verkoop van zijn woning met ingang van 11 december 2020 beschikt over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Die besluitvorming is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2023. [1]
Zaak 23/2599 PW
1.3.
Appellant heeft zich op 12 februari 2021 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 23 februari 2021 heeft appellant bijstand aangevraagd. Appellant heeft bij zijn aanvraag onder meer te kennen gegeven dat hij niet voltijds beschikbaar is voor werk, omdat hij volledig is afgekeurd. Daarnaast heeft appellant op het aanvraagformulier als gewenste ingangsdatum 11 december 2020 vermeld.
1.4.
Met een besluit van 30 maart 2021 heeft het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van 11 december 2020 bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand bij wijze van maatregel voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd op de grond dat appellant een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door – kort gezegd – de woning tegen een te laag bedrag te verkopen. Ook is aan appellant medegedeeld dat de verplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW op hem van toepassing zijn.
1.5.
Appellant heeft tegen opgelegde maatregel bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft hij een taxatierapport, gedateerd 13 november 2019, van de woning overgelegd. In dat rapport is op de waardepeildatum 30 oktober 2019 de ‘marktwaarde vrij van huur en gebruik’ op € 275.000,- getaxeerd en de ‘marktwaarde verhuurd’ op € 167.000,-. Verder heeft de taxateur toegelicht dat de vermoedelijke verkoopopbrengst van de woning € 250.000,- bedraagt bij onderhandse verkoop, maar dan wel onder de voorwaarde dat de woning leeg en vrij van huur en gebruik(srechten) geleverd wordt.
1.6.
Met een besluit van 2 augustus 2021 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2021 ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de opgelegde maatregel. Aan bestreden besluit 1 heeft het dagelijks bestuur – kort weergegeven en voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de woning voor een te laag bedrag en in bewoonde staat verkocht. Hiermee heeft appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 14, eerste lid en derde lid, van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017 (Verordening). Appellant heeft de overwaarde in de woning namelijk niet volledig te gelde gemaakt en die waarde niet voor de kosten van zijn levensonderhoud kunnen aanwenden. Als appellant dat wel had gedaan, dan had hij voor een periode van minimaal zes maanden in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien.
Zaak 23/2600 PW
1.7.
Appellant heeft op 5 april 2021 een aanvraag ingediend om een individuele inkomenstoeslag. Met een besluit van 9 april 2021 heeft het dagelijks bestuur die aanvraag afgewezen.
1.8.
Met een besluit van 16 augustus 2021 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2021 ongegrond verklaard en onder wijziging van de grondslag en de motivering alsnog aan appellant een individuele inkomenstoeslag toegekend. Daarbij heeft het dagelijks bestuur die toeslag met 100% verlaagd, omdat appellant een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Aan dit besluit ligt dezelfde motivering ten grondslag als aan bestreden besluit 1, met dien verstande dat de maatregel is gebaseerd op artikel 14, eerste en vierde lid, van de Verordening. Als appellant de woning wel tegen de markwaarde had verkocht, dan zou hij over vermogen hebben beschikt en daarmee niet aan de voorwaarden hebben voldaan voor het verkrijgen van een individuele inkomenstoeslag.
Zaak 23/2601 PW
1.9.
In verband met een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling heeft het dagelijks bestuur op 24 mei 2021 Argonaut om een medisch advies gevraagd. In een rapport van 21 juni 2021 heeft een verzekeringsarts van Argonaut geconcludeerd dat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
1.10.
Met een besluit van 2 juli 2021, zoals gewijzigd met een besluit van 15 juli 2021 en na bezwaar gemaakt op 20 juli 2021 gehandhaafd met een besluit van 22 november 2021 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur appellant met toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de PW met ingang van 21 juni 2021 ontheven van alle verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW (permanente ontheffing). Aan bestreden besluit 3 ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat de permanente ontheffing niet met terugwerkende kracht kan worden verleend.
1.11.
In de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het dagelijks bestuur in het verweerschrift van 2 maart 2022 de toezegging gedaan dat aan appellant geen maatregel zal worden opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW in de periode van 11 december 2020 tot 21 juni 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de vergoeding van de kosten in bezwaar betreft en het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 1.194,-. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bezwaarkosten had moeten vergoeden, omdat met bestreden besluit 2 de rechtspositie van appellant in bezwaar is gewijzigd en daarmee het besluit van 9 april 2021 is herroepen wegens een aan het dagelijks bestuur te wijten onrechtmatigheid. Om die reden heeft de rechtbank het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.674,-.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarmee de opgelegde maatregelen zijn gehandhaafd en voor zover voor de datum van de permanente ontheffing niet is aangesloten bij de datum van bijstandsverlening. Wat appellant in dat verband heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de opgelegde maatregelen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Ook beoordeelt de Raad de ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dat ziet op de ingangsdatum van de permanente ontheffing. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt en gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De maatregelen wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (zaken 23/2599 PW en 23/2600 PW)
4.1.
Het is in beginsel aan de bijstandverlenende instantie om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan. Het opleggen van een maatregel is namelijk een voor de betrokkene belastend besluit. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.2.
Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het dagelijks bestuur desgevraagd bevestigd dat appellant alleen wordt verweten dat hij op 11 december 2020 de woning tegen een prijs onder de marktwaarde van € 275.000,- en niet leeg en vrij van huur en gebruiksrechten heeft verkocht. Als gevolg daarvan heeft appellant de overwaarde in de woning niet volledig te gelde gemaakt en die waarde zodoende niet voor de kosten van zijn levensonderhoud kunnen aanwenden. Ter onderbouwing – zo is ook ter zitting desgevraagd bevestigd – hoeft volgens het dagelijks bestuur alleen te worden uitgegaan van het door appellant ingebrachte taxatierapport van 13 november 2019.
4.3.
Appellant bestrijdt dat hij de woning tegen een te laag bedrag heeft verkocht en baseert zich daarbij, net als het dagelijks bestuur, op het taxatierapport van 13 november 2019. Deze beroepsgrond slaagt. Hiertoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Het tonen van besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is essentieel voor het recht op bijstand, aangezien de PW voorziet in een vangnet voor wie niet in staat is zelf in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. De noodzaak van dit besef van die verantwoordelijkheid – en het daarnaar handelen – is onlosmakelijk verbonden met het complementaire karakter van de bijstand, te weten het uitgangspunt dat ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat voor bijstand pas plaats is als de betrokkene alle voor hem beschikbare mogelijkheden om daarin te voorzien heeft benut. [2]
4.3.2.
Het is vaste rechtspraak dat van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan sprake kan zijn indien een betrokkene in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand de beschikking heeft of krijgt over in aanmerking te nemen vermogen en vervolgens op dat vermogen, tezamen met eventueel beschikbaar inkomen, te snel inteert, terwijl redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor vervroegd een beroep op bijstand moet worden gedaan. [3] Uit deze rechtspraak volgt dat beoordeeld en vastgesteld moet worden of en in welke mate de bijstandsgerechtigde ten aanzien van de besteding van het vermogen in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand daadwerkelijk tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden verweten. Daarbij zal moeten worden betrokken en gemotiveerd waarom bepaalde uitgaven onverantwoord zijn geweest en of dat in de concrete omstandigheden van de bijstandsgerechtigde tot een voorzienbaar vervroegd beroep op bijstand heeft geleid. Ten slotte zal het bestuursorgaan bij zijn beoordeling dienen te betrekken of en, zo ja, in hoeverre de persoonlijke omstandigheden van de bijstandsgerechtigde in die periode (bijvoorbeeld ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces) tussentijds zijn gewijzigd waardoor niet (langer) viel uit te sluiten dat hij in de toekomst een beroep op bijstand zou moeten doen. Dit geldt ook in de situatie dat het aanwezige vermogen niet is afgenomen door bestedingen door betrokkene zelf, maar indien hij over het vermogen heeft beschikt op een zodanige manier, dat het niet meer beschikbaar is voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan, bijvoorbeeld door schenking en/of vervreemding van vermogensbestanddelen of betaling van geld aan een derde. [4]
4.3.3.
Vaststaat dat appellant de woning onderhands heeft verkocht voor een bedrag van € 241.000,- en dat daarbij is afgesproken dat appellant in de woning kon blijven wonen door die te huren. Dit heeft appellant gedaan omdat een executieverkoop van zijn woning dreigde en hij wilde voorkomen dat hij op straat kwam te staan. Ter zitting heeft appellant in dit verband nader toegelicht dat hij op dat moment geen andere woonruimte kon krijgen. Zo kwam hij bijvoorbeeld niet in aanmerking voor een urgentieverklaring in de zoektocht naar een andere woning. Verder was in het najaar van 2020 sprake van (maatregelen in verband met) de coronapandemie. Appellant heeft een kwetsbare gezondheid en kon om die reden in die periode niet elders terecht, bijvoorbeeld bij familie. Dit alles heeft het dagelijks bestuur niet weersproken. Onder deze omstandigheden kon van appellant niet worden verlangd dat hij zijn woning in lege staat en vrij van huur en gebruiksrechten zou verkopen zonder dat hij zicht had op een andere woning.
4.3.4.
Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, mede gelet op de in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW geregelde vrijlating van vermogen in een door de bijstandsgerechtigde zelf bewoonde koopwoning, de verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en het complementaire karakter van de bijstand niet zo ver strekken dat een betrokkene zichzelf door verkoop van zijn woning dakloos moet maken om over middelen te beschikken om te voorzien in de overige noodzakelijke kosten van bestaan.
4.3.5.
Verder kan gelet op het taxatierapport van 13 november 2019 en in het licht van wat in 4.3.3 en 4.3.4 is overwogen niet worden gezegd dat appellant zijn woning voor een te laag bedrag heeft verkocht. Volgens dat rapport bedraagt de vermoedelijke verkoopopbrengst van de woning namelijk € 250.000,- bij onderhandse verkoop en € 235.000,- bij executieveiling, maar dan wel als de woning leeg en vrij van huur en gebruik(srechten) geleverd wordt. Afgezet tegen die bedragen is het bedrag van € 241.000,- dat de onderhandse verkoop van de woning in gehuurde staat heeft opgebracht zeker niet te laag geweest.
4.4.
Uit 4.3 tot en met 4.3.5 volgt dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant in het licht van de concrete omstandigheden van dit geval tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door zijn woning te verkopen voor € 241.000,-. Dit betekent dat er geen grondslag was voor het verlagen van de bijstand van appellant voor de duur van twee maanden met 100% en ook niet voor verlaging van de individuele inkomenstoeslag met 100%. Gelet hierop hoeven de overige beroepsgronden van appellant over deze maatregelen niet te worden besproken.
De ingangsdatum van de ontheffing van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW (zaak 23/2601 PW)
4.5.
Appellant heeft – zoals ter zitting nader toegelicht – aangevoerd dat hij al met ingang van de datum van toekenning van de bijstand had moeten worden ontheven van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW.
4.6.
De Raad zal eerst ambtshalve beoordelen of appellant een procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over deze beroepsgrond.
4.7.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. [5]
4.8.
Het dagelijks bestuur heeft appellant met toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de PW met ingang van 21 juni 2021 ontheven van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW. Het dagelijks bestuur heeft in de beroepsprocedure in het verweerschrift uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud toegezegd dat aan appellant geen maatregel zal worden opgelegd wegens het niet nakomen van voornoemde verplichtingen in de periode tot 21 juni 2021. Ter zitting in hoger beroep heeft het dagelijks bestuur deze toezegging herhaald. Onder deze omstandigheden heeft een oordeel over een eerdere ingangsdatum van de permanente ontheffing geen feitelijke betekenis.
4.9.
Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat een belang nog is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van de kosten in bezwaar houdt die stelling geen stand. Uitgangspunt is namelijk dat het enkele niet toekennen van een vergoeding van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Dit is vaste rechtspraak. [6] Appellant heeft betoogd dat hiermee de rechtsbescherming in het gedrang komt en dat deze rechtspraak is gebaseerd op rechtspraak op het terrein van de Wet openbaarheid bestuur en de Wet open overheid waarbij sprake is van een zogeheten “no cure, no pay”-praktijk. Daarvan is in dit geval geen sprake en appellant heeft een eigen bijdrage moeten betalen in verband met de inschakeling van een advocaat. De Raad ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van voornoemde vaste rechtspraak, waarin tot uitdrukking komt dat het oordelen over een achterhaald geschil in materiële zin leidt tot een ondoelmatige inzet van de schaarse capaciteit binnen de bestuursrechtspraak.
4.10.
Voor zover de gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat de in 4.9 genoemde rechtspraak tot gevolg heeft dat bestuursorganen in een bezwaarprocedure alsnog tegemoetkomen maar daarbij bewust een kostenvergoeding achterwege laten, wijst de Raad op de in diezelfde rechtspraak geformuleerde uitzondering. Die luidt dat nog steeds procesbelang aanwezig wordt geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. In dit geval is het dagelijks bestuur niet in bezwaar aan appellant tegemoetgekomen.
4.11.
Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep, voor zover dat ziet op bestreden besluit 3.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals hier aan de orde in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [7]
5.2.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in de hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [8]
5.3.
De Raad is van oordeel dat de zaken 23/2599 PW en 23/2600 PW in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk het opleggen van een maatregel wegens hetzelfde feitencomplex om dezelfde reden. Er is geen sprake geweest van gelijktijdige indiening van tegen de besluiten van 30 maart 2021 en 9 april 2021 aangewende rechtsmiddelen, zodat ter bepaling van de mate van overschrijding uit moet worden gegaan van het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door het dagelijks bestuur op 7 mei 2021 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Noch in de zaken zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedures meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening komt van de Staat.
5.4.
Voor zaak 23/2601 PW geldt het volgende. In het verweerschrift van 2 maart 2022 heeft het dagelijks bestuur de onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat aan appellant geen maatregel zal worden opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW in de periode tot 21 juni 2021. De Raad is van oordeel dat op de datum van die toezegging de redelijke termijn is geëindigd, omdat aangenomen mag worden dat appellant in elk geval vanaf die datum geen spanning en frustratie meer heeft ondervonden als gevolg van de duur van de procedure. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 juli 2021 door het dagelijks bestuur tot aan de datum waarop het dagelijks bestuur voornoemde toezegging heeft gedaan zijn ruim zeven maanden verstreken. De redelijke termijn is in deze zaak dus niet overschreden.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het hoger beroep slaagt voor zover het ziet op de opgelegde maatregel om de algemene bijstand van appellant voor de duur van twee maanden te verlagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd voor zover het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2021 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de opgelegde maatregel is gehandhaafd. Aan het besluit van 30 maart 2021 kleeft hetzelfde gebrek als aan bestreden besluit. Dit besluit kan niet meer worden hersteld. De Raad ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 30 maart 2021 te herroepen voor zover daarbij een maatregel is opgelegd. Dit betekent dat het dagelijks bestuur aan appellant alsnog volledige bijstand moet betalen over een periode van twee maanden.
6.2.
Het hoger beroep slaagt ook voor zover het ziet op de opgelegde maatregel om de toegekende individuele inkomenstoeslag met 100% te verlagen. De aangevallen uitspraak zal daarom ook worden vernietigd voor zover de rechtbank bestreden besluit 2 in stand heeft gelaten. De Raad zal het besluit van 16 augustus 2021 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb ook vernietigen voor zover daarbij een maatregel is opgelegd. Dit betekent dat het dagelijks bestuur aan appellant alsnog vanaf 1 mei 2021 individuele inkomenstoeslag moet verlenen.
6.3.
Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 3.
6.4.
Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gedeeltelijk toegewezen. Dit betekent dat appellant een schadevergoeding van € 1.000,- krijgt.
Proceskosten
7. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in de zaken 23/2599 PW en 23/2600 PW, waarbij rekening wordt gehouden met de door de rechtbank al toegekende vergoeding voor de kosten van bezwaar en de proceskosten zoals weergegeven in 2. Deze kosten worden begroot op € 3.468,- (1 punt voor het bezwaarschrift in zaak 23/2599 PW; € 666,- per punt, en 1 punt voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de Raad; € 934,- per punt). Daarnaast bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen tot de kosten die verzoeker heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op zitting bestaat in dit geval geen aanleiding.
Aangezien appellant zowel in beroep als in hoger beroep is vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht is er in dat verband geen sprake van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
in zaak 23/2599 PW
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2021 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2021 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het de opgelegde maatregel betreft;
  • herroept het besluit van 30 maart 2021 voor zover daarbij een maatregel is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 2 augustus 2021;
in zaak 23/2600 PW
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het besluit van 16 augustus 2021 in stand heeft gelaten;
  • vernietigt het besluit van 16 augustus 2021 ook voor zover daarbij een maatregel is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit;
in zaak 23/2601 PW
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 23 november 2021;
in alle zaken
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade voor het overige af;
  • veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.468,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels

Participatiewet
Artikel 9, eerste lid
De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Artikel 9, vijfde lid
De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 18, tweede lid
Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2017
Artikel 7, tweede lid, onder b
In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
Artikel 14, eerste lid
Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt afgestemd op de periode
dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op een uitkering en/of tot een hoger bedrag recht heeft op bijzondere bijstand.
Artikel 14, derde lid
De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:
a. 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een periode van korter dan 6 maanden;
b. 100 % van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een periode van langer dan 6 maanden.
Artikel 14, vierde lid
In afwijking van het derde lid wordt de verlaging – bij toepassing van artikel 7, tweede lid, onder b. – vastgesteld op 100 % van de verleende bijzondere bijstand voor die kosten die een gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:742.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3968 en 15 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1500.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635.
7.Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
8.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2 en de uitspraken van de Raad van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125 en 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1254.