Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:614

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
23/3000 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 17 PWArt. 31 PWArt. 32 PWArt. 54 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en afwijzing aanvraag

Appellanten ontvingen bijstand, maar het college trok deze in en vorderde terug omdat zij niet hadden gemeld dat zij een kroeg uitbaten en handel dreven in auto’s en auto-onderdelen. Een onderzoek toonde aan dat zij vele kentekens op naam hadden en een illegale kroeg exploiteerden.

Appellanten voerden aan dat de activiteiten hobbymatig waren en dat het college hiervan op de hoogte was, maar de Raad verwierp deze argumenten. De handelstransacties en kroegactiviteiten zijn op geld waardeerbare werkzaamheden die van invloed zijn op het recht op bijstand. Het college kon het recht op bijstand niet schattenderwijs vaststellen vanwege het ontbreken van administratie.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aanvraag om bijstand werd terecht afgewezen wegens het ontbreken van wijziging in omstandigheden. Wel werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/3000 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2023, 22/2520 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) te [ woonplaats 1] en [appellante] (appellante) te [woonplaats 2]
het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn (college)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 4 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft de bijstand ingetrokken en teruggevorderd, omdat appellanten geen melding hebben gemaakt van het uitbaten van een kroeg en de handel in auto’s. Volgens appellanten waren deze activiteiten bij het college bekend en mochten zij erop vertrouwen dat het college niet tot intrekking en terugvordering van bijstand zou overgaan. Ook is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aanvraag om bijstand heeft het college ten onrechte afgewezen. Appellanten krijgen geen gelijk. Wel is de redelijke termijn overschreden, zodat appellanten recht hebben op een schadevergoeding.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Goosen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Goosen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Brouwer en T. van de Velde.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving vanaf 26 mei 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Vanaf 23 mei 2018 ontving hij samen met appellante bijstand naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van een melding op 29 september 2020 van een juridisch adviseur van de gemeente Borger-Odoorn over overlast door auto’s en een illegale kroeg op het terrein van appellanten, heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Emmen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd en onderzoek op internet gedaan. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant in de periode van 1 juni 2009 tot en met 8 december 2020 in totaal 41 kentekens op zijn naam had staan. Appellante had vanaf 23 mei 2018 tot en met 8 december 2020 in totaal 158 kentekens op haar naam staan. Ten tijde van het onderzoek hadden zij beiden nog één auto op naam staan. De kentekens waren vaak ongeldig verklaard in verband met ‘export van het voertuig’. Verder is uit onderzoek op Facebook gebleken dat op het perceel van appellanten een illegale kroeg wordt geëxploiteerd. Appellanten zijn in het kader van het onderzoek gehoord door de sociaal rechercheur. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 17 december 2020.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met het besluit van 25 maart 2021 (besluit 1) de bijstand van appellanten ingetrokken per 26 mei 2009 en de gezamenlijke bijstand van appellanten ingetrokken per 23 mei 2018. De reden hiervoor is dat appellanten hebben gehandeld in auto’s en auto-onderdelen en een kroeg hadden op het perceel waarop zij wonen. Zij hebben hiermee inkomsten gegenereerd, dan wel op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Zij hebben van die activiteiten geen melding gemaakt aan het college en daarmee hun inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.
1.4.
Met een besluit van 21 april 2021 (besluit 2) heeft het college de vanaf 26 mei 2009 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. Over de periode van 26 mei 2009 tot en met 22 mei 2018 heeft het college een bruto bedrag van € 165.931,90 van appellant teruggevorderd. Over de periode van 23 mei 2018 tot en met 31 december 2020 heeft het college een bruto bedrag van € 51.956,12 en over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 januari 2021 een netto bedrag van € 1.536,34 van appellanten teruggevorderd.
1.5.
Op 9 april 2021 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd. Met een besluit van 30 juni 2021 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er sinds de intrekking van de bijstand aan de situatie van appellanten niets is veranderd.
1.6.
Appellanten hebben tegen de besluiten 1, 2 en 3 bezwaar gemaakt, maar het college is met het besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) bij de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 26 mei 2009, de datum met ingang waarvan de bijstand van appellant is ingetrokken, tot en met 25 maart 2021, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat de kroeg en het sleutelen aan auto’s voor de autocross hobbymatige activiteiten waren en daarmee geen inkomsten zijn gegenereerd. Opbrengsten van verkopen van auto’s of onderdelen werden weer gebruikt voor de autocross. Gelet daarop waren appellanten niet verplicht van die activiteiten melding te maken bij het college. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
Autohandel
4.2.1.
Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 1 juni 2009 tot 1 maart 2021 in totaal 41 kentekens op naam van appellant en 164 kentekens op naam van appellante hebben gestaan. Degene op wiens naam het kenteken van een voertuig bij de RDW geregistreerd staat of heeft gestaan is direct bij die registratie betrokken. Als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode en dit het geval is bij verschillende voertuigen, dan is aannemelijk dat met die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak. [1] Voor het recht op bijstand wordt als datum van de handelstransactie de datum beschouwd, waarop de kentekenregistratie op naam van appellanten is geëindigd. Dat is de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling. Dit is ook vaste rechtspraak. [2] Niet in geschil is dat appellanten kentekens op naam hebben gehad en dat transacties hebben plaatsgevonden met die voertuigen. Dat de betreffende voertuigen zijn aangeschaft en gebruikt zijn voor het uitoefenen van een hobby, doet er niet aan af dat met de voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden als hiervoor bedoeld. Dat sprake zou zijn van hobbymatige activiteiten is voor de bijstand niet van belang, indien uit die activiteiten inkomsten worden genoten. Dit is vaste rechtspraak. [3]
4.2.2.
Van de onder 4.2.1 genoemde transacties hebben appellanten bij het college geen melding gemaakt. Zij hebben ook geen melding gemaakt van het verkopen van onderdelen van auto’s en van het sleutelen aan auto’s. Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de transacties en de andere activiteiten die appellanten met betrekking tot de auto’s verrichtten, van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Dat appellanten in de veronderstelling verkeerden dat zij van die transacties en activiteiten toch geen melding hoefden te maken, omdat zij geen geld verdienden met de hiervoor genoemde activiteiten, komt voor hun rekening en risico. Door van de transacties en de andere activiteiten geen melding te maken, zijn appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen.
Uitbaten kroeg
4.2.3.
Niet in geschil is dat appellanten de te beoordelen periode een kroeg hebben gehad op hun perceel. Uit de gedingstukken, waaronder getuigenverklaringen en berichten op het Facebookprofiel van ‘ [naam cafe] ’, volgt dat de kroeg elk weekend was geopend, in de kroeg een prijslijst hing, daar vaak optredens van artiesten waren en bezoekers op bijzondere avonden entree moesten betalen. Appellanten hadden ook van het uitbaten van de kroeg melding moeten maken bij het college. Het uitbaten van de kroeg betreft namelijk op geld waardeerbare werkzaamheden. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak. [4] Aannemelijk is dat appellanten uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten hebben genoten. Voor bijzondere avonden moest immers entree worden betaald en de prijslijst in het café duidt er, net als de mogelijkheid de drank voor de gehele avond af te kopen, op dat voor de drank moest worden betaald. Zoals onder 4.3 is overwogen is dan niet van belang dat de werkzaamheden hobbymatig worden verricht.
Schattenderwijs vaststellen
4.3.
Appellanten hebben verder aangevoerd dat, voor zover sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, het college het recht op bijstand schattenderwijs had kunnen vaststellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.3.2.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld. [5] Zoals appellanten ter zitting hebben bevestigd hebben zij geen deugdelijke boekhouding of administratie bijgehouden van de door hen verrichte activiteiten. Daardoor is het niet mogelijk om het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen, omdat aanknopingspunten daarvoor ontbreken. De advertenties waarnaar appellanten in dit kader hebben verwezen bieden daarvoor geen concrete handvatten.
4.3.3.
Dat appellanten als gevolg van een brand in de kroeg op 26 maart 2021 in bewijsnood zouden verkeren treft geen doel. Deze bewijsnood, zo die al verband zou houden met de brand in de kroeg, komt voor rekening en risico van appellanten. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellanten – in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting – hebben nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over hun activiteiten. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden.
Vertrouwensbeginsel
4.4.
Appellanten voeren verder aan dat het college al geruime tijd op de hoogte was van de kroeg en de activiteiten met de auto’s. Zij mochten ervan uitgaan dat dit geen gevolgen had voor het recht op bijstand. Volgens appellanten heeft appellant in 2016 met de burgemeester over de kroeg gesproken in het kader van een vergunningaanvraag. Ook zijn handhavingsmedewerkers regelmatig op het perceel van appellanten geweest in verband met klachten over geluidsoverlast waarbij auto’s zijn aangetroffen op het perceel. Verder was de omgevingsdienst hiervan op de hoogte. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.4.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is allereerst vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [6] Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit de dossierstukken blijkt weliswaar dat appellanten contact hebben gehad met diverse diensten van de gemeente, maar appellanten hebben hun stelling dat het college op de hoogte was van de kroeg en de activiteiten met de auto’s niet onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Appellanten hebben verder niet gesteld en ook is niet is gebleken dat er enige toezegging is gedaan over het uitoefenen van enige bevoegdheid in het kader van het recht op bijstand van appellanten.
4.4.2.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet voor zover appellanten hebben gewezen op het besluit van 24 juli 2018 waarbij aan hen bijstand naar de gehuwdennorm is toegekend. Daartoe is het volgende van belang.
4.4.3.
In het besluit van 24 juli 2018 is het volgende opgenomen:
“U, mevrouw [appellante] , heeft in de maanden mei en juni 2018 een aantal motorvoertuigen op naam gezet. In uw verklaring geeft u aan dat deze motorvoertuigen gebruikt worden voor de hobby van uw vriend, de heer [appellant] . Wanneer er geconstateerd wordt dat deze motorvoertuigen gebruikt worden voor handel, en u hiermee inkomsten genereert dan vorderen wij de bijstand geheel of gedeeltelijk terug (artikel 58 Participatiewet Pro)”.
Ten tijde van de toekenning was sprake van een beperkt aantal registraties. Het college heeft appellanten er in het besluit van 24 juli 2018 op gewezen dat, indien sprake is van handel en inkomsten, tot terugvordering van de bijstand zal worden overgegaan. Uit 4.3 volgt dat die situatie zich hier nu juist voordoet. Een toezegging dat de handel in auto’s en onderdelen en de daaruit genoten inkomsten geen gevolgen zouden hebben van de bijstand, kan in de brief van 24 juli 2018 niet worden gelezen.
Dringende redenen
4.5.
Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Daarbij wijzen appellanten op de omstandigheid dat het college al op de hoogte was van hun activiteiten rond de kroeg en de autocross. Ook voeren zij aan dat zij in een zeer moeilijke financiële situatie zitten. Daarbij vreest appellant dat beslag zal worden gelegd op zijn gereedschappen, zodat hij dan niet meer in staat is om te werken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.5.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [7] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.5.3.
Het college heeft wat appellanten naar voren hebben gebracht bij de afweging van de betrokken belangen niet hoeven aanmerken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen is geen sprake. In dat verband is van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten. De enkele stelling dat door de terugvordering sprake is van onaanvaardbare financiële gevolgen kan niet leiden tot het oordeel dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. De Raad merkt daarbij nog op dat appellanten – zoals ter zitting is besproken – bij de invordering van het teruggevorderde bedrag als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet genieten, zoals neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bovendien is het college nog niet overgegaan tot invordering en is nog geen sprake van beslaglegging. Mocht de deurwaarder overgaan tot beslaglegging op de gereedschappen van appellant, dan kan hij tegen de invorderingsmaatregelen rechtsmiddelen aanwenden.
4.5.4.
Voorts is niet gebleken dat het college eerder bekend was met de activiteiten van appellanten rond de kroeg en auto’s, zoals ook blijkt uit de overwegingen onder 4.4.1. Voor zover appellanten met hun betoog dat het college op de hoogte was van die activiteiten hebben willen stellen dat het college heeft stilgezeten, waardoor de vordering is opgelopen, worden zij hierin dan ook niet gevolgd. Het gaat bij appellanten om een terugvordering van een hoog bedrag. Maar dat leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat bij afweging van de betrokken belangen dringende redenen moeten worden aangenomen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De hoogte van de terugvordering houdt immers verband met de lange duur van de periode waarover appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen. De Raad heeft dit eerder in een andere uitspraak tot uitdrukking gebracht. [8]
Afwijzing aanvraag
4.6.
In dit geval gaat het om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking van de bijstand. Het college heeft in het bestreden besluit de beoordeling van de aanvraag beperkt tot de vraag of appellanten hebben aangetoond dat er een wijziging van omstandigheden is, in die zin dat zij over de te beoordelen periode van 9 april 2021 (datum aanvraag) tot en met 30 juni 2021 (datum besluit 3) wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Daarom zal de toetsing van het bestreden besluit daartoe worden beperkt. Vergelijk eerdere rechtspraak. [9]
4.6.1.
Appellanten hebben, anders dan zij hebben aangevoerd, niet aangetoond dat er in de te beoordelen periode een wijziging in de omstandigheden was ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de eerder verleende bijstand, in die zin dat zij nu wel voldeden aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Daartoe is van belang dat appellanten na de aanvraag nog steeds kentekens op naam hadden. Daarnaast zijn bij een inspectie auto’s op het terrein van appellanten aangetroffen waarover appellant ter zitting heeft verklaard dat hij niet is gestopt met de werkzaamheden rond de autocross en dat ook niet van plan is. Hiermee hebben appellanten niet aangetoond dat zij zijn gestopt met de handel in auto’s en onderdelen van auto’s. De omstandigheid dat een latere aanvraag om bijstand wel is ingewilligd, maakt evenmin dat appellanten over de te beoordelen periode recht hebben op bijstand. Nog daargelaten dat die latere aanvraag hier niet voorligt, heeft die aanvraag betrekking op een latere periode. Alleen al op grond van het voorgaande heeft het college de aanvraag van 9 april 2021 terecht afgewezen.
Overschrijding redelijke termijn
4.7.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten.
4.7.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [10] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.7.2.
In gevallen waarin meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [11]
4.7.3.
De procedures over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. De Raad sluit voor de hoogte van de schadevergoeding dan ook aan bij het eerst ingediende bezwaarschrift.
4.7.4.
In dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 20 april 2021 van het eerste bezwaarschrift van appellanten tot de datum van deze uitspraak op 4 mei 2026 zijn vijf jaren en bijna een maand verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellanten aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus in totaal met 13 maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, dus totaal € 1.500,-. In aanmerking genomen dat de behandeling in de bestuurlijke fase bijna zeven maanden en die in de rechterlijke fase bijna zes maanden te lang heeft geduurd, moet van het bedrag van € 1.500,- een bedrag van € 807,70,- (7/13e deel van € 1.500,-) worden toegerekend aan de bestuurlijke fase en een bedrag van € 692,30 (6/13e deel van € 1.500,-) worden toegerekend aan de rechterlijke fase.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag in stand blijven. Appellanten krijgen wel een schadevergoeding toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht. Zij krijgen wel een vergoeding voor de kosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). Omdat de overschrijding zowel aan het college als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten. Voor toekenning van een vergoeding van de kosten gemoeid met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op zitting bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 807,70;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 692,30;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 233,50;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
8.Zie de uitspraak van 29 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1155.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365.
10.Uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
11.Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.